De Vonk slaat (nog) niet over
De Vonk slaat (nog) niet over

De Vonk slaat (nog) niet over

De samenwerking tussen ex-BIJ1 raadsleden Jazie Veldhuyzen en Nilab Ahmadi, de Activistenpartij UVA en RSP Amsterdam zorgt voor discussie in de Revolutionair Socialistische Partij. Moeten communisten deelnemen aan electorale samenwerkingsverbanden? Rogier Specht plaatst kritische kanttekeningen bij de Vonk-coalitie.

[Dit artikel verscheen eerder als inzending in het Intern Bulletin(IB) van de Revolutionair Socialistische Partij]

Ik wil de kameraden van afdeling Amsterdam bedanken voor hun rapportage over coalitie de Vonk in IB44 n.a.v. een aantal recente stukken in de eerdere IBs. Deze rapportage roept echter ook een hele hoop vragen op. Dit wordt versterkt door het feit dat de afdeling Amsterdam in hun afdelingsverslag (gepubliceerd in IB46) vrijwel geen verslag doet en ook niks zegt over hun politieke inzet voor de komende tijd. De reactie van het landelijk bestuur van de RSP (ook in IB46) raakt aan enkele pijnpunten van deze coalitie maar lijkt onder grote tijdsdruk geschreven; conclusies in het stuk volgen niet logisch uit de redeneringen en de onderliggende problemen die volgen uit enkele van de constateringen worden niet benoemd.

Ik heb op dit moment niet de benodigde informatie om een volledig oordeel over de coalitie te vellen. Daarom zal ik een aantal kanttekeningen plaatsen en vragen stellen bij voornamelijk de rapportage van Amsterdam en de reactie van het bestuur. Kameraden Naomi en Ata plaatsten al in IB40 een paar goede opmerkingen over de democratische tekortkomingen van deze coalitie. Ik hoop dat deze vragen kunnen leiden tot een goede reactie van het bestuur en van de afdeling Amsterdam om zo het niveau van de discussie te verhogen. Daarnaast zijn er een aantal inbrengen geweest die ik gaandeweg het stuk zal becommentariëren.

Allereerst een korte opmerking over waarom het belangrijk is om deze coalitie uitgebreid te bespreken in de organisatie. Verkiezingen zijn belangrijk. Ten eerste kunnen ze dienen (hoewel vertekend)  als een krachtmeting voor onze organisatie. Ten tweede is de verkiezingstijd een periode van verhoogde politieke interesse en dus is het belangrijk om daar gebruik van te maken. En ten derde bieden parlementen een podium om voor de belangen van de arbeidersklasse op te komen. De marxistische traditie waar onze partij-in-oprichting in grote mate uit voortkomt, staat over het algemeen welwillend tegenover deelname aan verkiezingen en parlementen (en negatief tegenover coalitiedeelname met kapitalistische partijen en het managen van de kapitalistische staat). Dit betekent niet dat we koste wat het kost mee moeten doen aan elke verkiezing (enkele bezwaren tegenover opbouw door deelname aan verkiezingen zijn te vinden in de eerder voorgestelde resolutie ‘what’s in a name’1), maar wel dat onze houding tegenover verkiezingen en electorale coalities doordacht moet zijn en bediscussieerd moet worden, zodat leden actief worden geschoold in politieke strategie en parlementair werk.

In de SP leidden ‘anti-parlementarische’ dooddoeners zoals ‘echte verandering gebeurt op straat’ en ‘geen fractie zonder actie’ er in de praktijk toe dat leden niet werden opgeleid in deze discussies, parlementariërs zich veel informele macht toe-eigenden en kaderleden vooral werden ingezet als foldervee in plaats van als volwaardig onderdeel van het politieke project.

De Internationale Socialisten bespreken wel verkiezingen en parlementaire politiek, maar ook zij doen dit veelal af met dooddoeners over dat verandering niet via het parlement plaatsvindt en doen zelf op geen enkele manier mee aan parlementaire politiek (anti-parlementair cretinisme2). Hierdoor worden leden ook daar vooral opgeleid in demonstratiepolitiek en organisatorische aspecten van dit soort straatpolitiek, maar ze worden niet geschoold in nadenken over verkiezingen of het formuleren van politieke eisen. Dit wordt vooral overgelaten aan ngo’s, de vakbondsbureaucratie en andere politieke partijen die maar al te graag van deze organisatorische diensten gebruik willen maken. Daarnaast reduceert dit leden van dit soort revolutionaire organisaties uiteindelijk ook tot foldervee op z’n slechtst en ‘organisers’ op z’n best.

Echo’s van dit soort ‘anti-parlementarisme’ hoor je ook terug, hoewel in minder ernstige vorm, in het campagneplan van het bestuur voor de TK-verkiezingen dat reeds is bekritiseerd door kameraad Roos Woud in IB45 .3 De gevaren van parlementarisme zijn hopelijk al duidelijk en hoeven hier dus niet nog uitgebreid benoemd te worden.

Kortom, een electorale strategie moet uitgebreid besproken en bekritiseerd kunnen worden en één aspect zijn van de bredere strategie van de RSP. De houding van kameraad Tijs Hardam in zijn inbreng Verder bouwen naar eenheid – de gemeenteraadsverkiezingen als smeedijzer in IB43 moet dan ook verworpen worden. Hoewel Tijs opmerkt dat in een ‘ideale wereld’ partijdiscussie over de deelname van Nijmegen en Amsterdam goed zou zijn geweest, doet hij het vervolgens af als voldongen feit. Hij stelt dat we, in plaats van hier nu nog over te discussiëren, een campagneteam moeten oprichten en vooral heel goed campagne moeten voeren. Dit draagt er echter niet aan bij dat leden worden opgeleid tot strategische denkers en politieke leiders. Bovendien is het nogal voorbarig om een discussie af te doen als een gedane zaak terwijl het hier niet alleen gaat om een RSP-afdeling die meedoet aan verkiezingen, maar ook een afdeling die in een electoraal verband zit met niet-socialisten (die volgens de inbreng van Naomi zelfs de meerderheid van het bestuur vormen) en nog geen programma heeft. Voordat we het de ‘collectieve taak’ maken van de gehele organisatie om ‘er het beste van te maken’ zullen we eerst moeten beoordelen of dit politieke project onze steun waard is.

Het had een hoop geholpen als de landelijke leiding van de RSP (zowel de huidige als de vorige) meer initiatief had genomen om al een politieke lijn te formuleren rondom verkiezingsdeelname en electorale samenwerking. Zeker nadat het spoedcongres dat georganiseerd werd met verkiezingen als thema geen enkele uitspraak heeft gedaan over dit onderwerp. In de perspectieven ontbreekt dit vrijwel volledig, en ook de afgelopen maanden is er, in het openbaar, niet veel meer gekomen dan de reactie op de rapportage van Amsterdam. Mogelijk is het op de bestuursoverleggen besproken maar dat is niet te zeggen, want de laatste beschikbare notulen zijn van juli. Deze stilte lijkt vooral zo te zijn omdat het statutair aan afdelingen zelf is of ze deelnemen aan verkiezingen, maar dit als argument gebruiken om geen politieke lijn te creëren is formalisme. Zelfs als het formeel aan de afdelingen zelf is, is het belangrijk om als politieke leiding kaders te scheppen waarbinnen wij politiek opereren.

Ik heb aan de hand van de documenten tot nu toe een aantal opmerkingen op vragen die hopelijk bijdragen aan een serieuze bespreking van dit thema.

Basis voor eenheid

Eenheid van de arbeidersbeweging is belangrijk. De arbeidersklasse heeft er baat bij om verenigd te zijn voor haar acties. Desalniettemin zijn er onoverkomelijke breuklijnen binnen de arbeidersbeweging die ervoor zorgen dat er verschillende politieke organisaties zijn. Dit is waarom we moeten vechten voor het verenigen van revolutionair links in een politieke partij rondom een politiek programma, maar het betekent ook dat we met andere krachten in de arbeidersbeweging samen moeten werken. Dit kan het makkelijkst georganiseerd worden bij samenwerking rondom acties waar we het eens kunnen worden over de eis en eventuele actiemethode: een stakingsactie rondom bepaalde arbeidsvoorwaardeneisen, een gezamenlijke sit-in of bezetting rondom gezamenlijke eisen rondom Palestina enz. Het voordeel van deze werkwijze is dat er alleen rondom de methode en specifieke eisen afspraken gemaakt moeten worden; er is geen volledige programmatische overeenkomst nodig. Daarnaast laat het ruimte –en dit moet een voorwaarde zijn voor elke samenwerking– om als organisatie deelnemers aan de actie te winnen voor een revolutionair programma en de vrijheid om andere deelnemende organisaties te bekritiseren.

Eenheid rondom verkiezingen vergt een veel hoger niveau van eenheid. Het vereist dat er een gezamenlijk programma wordt opgesteld (dus bredere overeenkomst over eisen dan bij een actie), het vereist genoeg vertrouwen in de kunde van volksvertegenwoordigers van andere organisaties om het programma te vertegenwoordigen, het vereist verregaande samenwerking om zaken als fractiemedewerkers, ledencontrole over volksvertegenwoordigers, financiële afspraken en een afdrachtsregeling te organiseren. En hoewel het misschien niet verboden is om kritiek te hebben, is het electoraal meestal niet opportuun om vertegenwoordigers binnen dezelfde coalitie aan te vallen. Het gevolg is dat dit soort coalities vaak neerkomen op diplomatieke eenheid in plaats van politieke eenheid en meningsverschillen onder het tapijt worden geveegd. In de regel leidt dit ertoe dat de meest rechtse, en dus minst controversiële, stroming de controle heeft over het project. Het is daarom ook dat in de eenheidsfronttactiek vaak electorale samenwerkingen niet werden aangegaan: ‘Verkiezingsafspraken en parlementaire compromissen tussen de revolutionaire partij en de sociaaldemocratie zijn in de regel in het voordeel van de sociaaldemocratie. Praktische afspraken voor massa-actie, met het oog op de strijd, zijn altijd nuttig voor de revolutionaire partij.’ (Trotski4) De vraag aan Amsterdam is dan ook waarom er is gekozen voor de vorm van electorale samenwerking in plaats van andere vormen van samenwerking, en of de Amsterdamse kameraden hebben meegenomen dat de andere partijen in de Vonk de samenwerking wel degelijk bezien als een puur electoraal vehikel.

Programma

Aansluitend op het vorige punt is het opmerkelijk dat er nog geen programma is opgesteld. Programma’s zijn immers de basis voor politieke eenheid. Als we het niet eens zijn over gezamenlijke politieke eisen heeft gezamenlijk strijden geen zin, laat staan een gezamenlijke fractie en ledenorganisatie. Het landelijk bestuur reageert daar in IB46 vooral op door te zeggen dat amendementen indienen veel tijd gaat kosten maar dat leden van de RSP Amsterdam op de Vonk-ALV inspraak hebben. Daarnaast merken ze op dat het programma niet in strijd mag zijn met het RSP-programma. Dit lijkt mij het absolute minimum!

Het is logisch dat er niet gelijk bij het eerste overleg van de Vonk een programma lag, maar waarom dan al op 25 april openbaar de samenwerking aankondigen?5 Als je electoraal samen wil werken, was het een normaal proces geweest als de samenwerkende organisaties een afvaardiging hadden gestuurd om tot een programma te komen. Vervolgens had dit de basis moeten zijn voor het besluit van de afdeling om al dan niet deel te nemen. Nu wordt dat door een ALV bepaald, waardoor de RSP niet als één van drie coalitiepartijen een beslissing kan maken, maar afhankelijk wordt van het aantal leden dat het naar een ALV kan krijgen, een positie van zwakte dus. Daarnaast zal de afdeling hard moeten vechten om amendementen te winnen omdat er geen RSP-lid in de programmacommissie zit. De vraag is waarom men niet is begonnen met het vormgeven van een programma. Op welke politieke basis is de afdeling akkoord gegaan met deze samenwerking? Wat zijn breekpunten waarop de RSP zich als geheel terugtrekt uit deze coalitie? Waarom is er geen afvaardiging voor de programmacommissie? En zal de afdeling als blok opereren op de ALV, met stemdiscipline over voorstellen?

Strategische Oriëntatie

De doelstellingen die afdeling Amsterdam aandraagt in de rapportage zijn politiek vaag. Doel één is ‘samenwerken om socialistische politiek in Amsterdam een stem te geven’, maar zoals hierboven aangegeven ziet een meerderheid van het bestuur van de Vonk zichzelf niet als socialist of marxist (volgens kameraad Naomi noemen twee van de zes leden zich socialist, ik neem aan de RSP-leden waarvan er één op eigen titel in het bestuur zit), daarnaast beoordelen we politiek niet op basis van zelfidentificatie maar op basis van programma. Een politiek programma wat volgens kameraad Naomi wordt opgesteld door ex-leden van BIJ1, geen socialistische organisatie. Een deelname aan de programmacommissie was dus, minstens, noodzakelijk geweest. Het is dan ook opvallend dat de Vonk overtuigen van een communistisch programma niet als doelstelling is gekozen. De andere doelstelling is ledenwinst, maar er wordt niet toegelicht hoe deze te bewerkstelligen of waar ledenwinst toe dient zonder politiek programma. De laatste doelstelling is de positie van RSP in activistisch Amsterdam versterken, iets waar geen electorale samenwerking voor nodig is.

Kameraad Carlos doet meer een poging om een oriëntatie te formuleren in de inbreng Perspectieven over de Vonk: Lokaal verenigen voor landelijke ervaring in IB40. Volgens Carlos is eenheid creëren met revolutionaire ‘splinterorganisaties’ moeilijk omdat er hardere clashes zouden zijn vanwege de eigen organisatieculturen. Maar door de verschillende ontstaansgeschiedenissen van de van BIJ1 afgesplitste Vonk-fractie en de RSP is de samenwerking wederzijds voordelig. Samenwerken met links is lastig, maar het vertrouwen winnen van organisaties rechts van ons kan makkelijker. Carlos noemt zijn visie antisektarisch, maar ik zou dit eerder willen samenvatten als sektarisme richting links, en antisektarisme richting rechts.

De Vonk-fractie heeft haar positie met gemeenteraadsleden als drukmiddel en dit is ook wat als aantrekkelijk wordt gezien in zowel Carlos’ als in RSPA’s stuk. Ze hebben echter ook mensen nodig die het straatwerk voor ze doen en kameraad Carlos ziet dat als de toegevoegde waarde van RSPA en de Activistenpartij . Maar vervolgens worden er vooralsnog geen politieke voorwaarden aan het verlenen van deze hand- en spandiensten gesteld. Daarnaast is het een illusie om te denken dat de Vonk-fractie en de Activistenpartij geen splinterorganisaties zijn met hun eigen geschiedenis, en dat men daarom minder snel uiteen zou vallen dan bij een samenwerking met revolutionair-linkse organisaties, zoals Carlos lijkt te stellen. Denk alleen al aan het feit dat de Vonk-raadsleden Jazie Veldhuyzen en Nilab Ahmadi zijn afgesplitst van BIJ1 vanwege partijcultuur. Bovendien wordt vooralsnog helemaal niet getest of de meningsverschillen niet tot uiteenvallen leiden, want de RSP schrijft niet mee aan het programma en benoemt geen politieke breekpunten. Samengevat zou de strategie dan zijn dat de RSP-afdeling politiek handwerk verricht voor de Vonk terwijl organisaties rechts van de RSP de politieke lijn bepalen, dit zou verre van een wederzijds voordelige uitkomst zijn. Het zou dan ook nuttig zijn als RSP Amsterdam meer toelichting geeft op hun politieke strategie richting dit project: hoe gaan zij zich verhouden tot de rest, hoe willen zij leden winnen en op welke basis, hoe verhouden de partijdemocratieën zich straks tot elkaar, willen ze een fusie van de organisaties of het een samenwerkingsverband houden, is een ledenpartij wat de Vonk nu is geworden6 de juiste vorm voor een samenwerkingsverband?

Politieke controle

Als laatste zie ik in de inbrengen van Carlos en RSP Amsterdam niks over politieke controle van raadsleden, terwijl dit juist een groot gevaar is bij dit project. Immers is het vrij reëel dat de Vonk primair toenadering heeft gezocht om zetels te kunnen behouden. Dit wordt misschien enigszins beperkt door het feit dat Nilab Ahmadi volgens het Parool niet door wil als raadslid, en Jazie Veldhuyzen niet komt opdagen in de raad (hoewel als hij wel als lijsttrekker zou doorgaan dit wel degelijk zou leiden tot discussie over politieke controle).7 Later gaf de Vonk de verklaring dat Jazie Veldhuyzen ziek is, maar dat dit soort gebakkelei tussen raadsleden in het Parool plaatsvindt is in ieder geval een teken aan de wand dat het thema ‘politieke controle over raadsleden’ terug gaat komen. 

Echter staat er niks in de stukken over onder welke discipline de raadsleden komen te staan, of zij onderworpen worden aan een afdrachtsregeling, hoe het geld wordt verdeeld, enz. Daarnaast wordt er ook niet toegelicht of leden van RSP Amsterdam als individuen aan het Vonk-project deelnemen, of dat zij onder politieke controle van de afdeling staan. Hier speelt ook het door het RSP-bestuur benoemde gebrek aan menskracht van de afdeling mee. 

Samenwerkingsverbanden (ik zeg bewust samenwerkingsverbanden, en niet electorale verbanden) kunnen nuttig zijn wanneer er een duidelijk politiek omlijnd doel is waar alle leden van de RSP binnen dat project aan gebonden zijn. Dan kan het zelfs nuttig zijn om een groot deel van je leden in die organisatie actief te laten zijn, onder die discipline. Maar een los samenwerkingsverband waar leden als individuen lid zijn met eigen discipline, acties en raadsvertegenwoordiging draagt het gevaar in zich dat men opgaat in deze nieuwe partij in plaats van dat men vanuit de RSP strijdt voor revolutionaire politiek.

Ik hoop dat deze vragen en opmerkingen, en de antwoorden daarop, bijdragen aan een duidelijkere electorale visie voor de RSP. Het is van belang dat deze discussie goed en openlijk gevoerd wordt in de RSP; dit kan alleen maar bijdragen aan het kweken van eenheid en het effectief voeren van politiek.

  1. https://communisme.nu/artikelen/2025/03/15/resolutie-whats-in-a-name/
  2.  Parlementair cretinisme is een term afkomstig van Marx uit De Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte waarmee doorgaans socialisten worden aangevallen die vinden dat de partij zich binnen de grenzen van de grondwet moet bewegen en het parlement als primaire plek voor verandering beschouwen. Anti-parlementair cretinisme is een speling hierop richting socialisten die het parlement en thema’s zoals de grondwet als onbelangrijk beschouwen.
  3. https://communisme.nu/artikelen/2025/08/13/verkiezingsplan-rsp-mist-programma/
  4.  https://www.marxists.org/archive/trotsky/germany/1931/311208.htm
  5.  https://www.instagram.com/reel/DI36XYjoyE5/?igsh=NGl0bTV4eGpidHgx
  6. https://www.instagram.com/p/DJrALvWotnM/
  7. Zie: https://www.parool.nl/amsterdam/amsterdamse-partij-de-vonk-krijgt-nauwelijks-contact-met-fractievoorzitter-jazie-veldhuyzen~b3d9eebb/

Auteur