In dit stuk gaat lid Oscar Kronenburg in op de recente uitwisseling in het RSP-IB die begon over zelfverdediging en al snel (grotendeels) verwerd tot een discussie waarin legalisme de boventoon voerde. Hij plaatst dit in context en waarschuwt hiertegen.
Afgelopen zomer vond er in het intern bulletin van de RSP een uitwisseling plaats tussen kameraad Ivo Boksem, voormalig bestuurslid, en een huidig bestuurslid van de RSP. Het ging over een voorstel van Ivo om vanuit de organisatie na te denken over de gezamenlijke veiligheid van leden vanwege onder andere de dreiging van extreemrechts op demonstraties. Het bestuurslid interpreteerde dit als een oproep tot het vormen van knokploegen en was daar fel op tegen. Dit zou namelijk in strijd zijn met de wet en daarom gevaarlijk zijn, waardoor hij zelfs zou aftreden als we daaraan zouden beginnen. Waarop Ivo verontwaardigd reageerde dat hij het helemaal niet over knokploegen heeft gehad, en dat het bestuurslid in strijd zou handelen met de gedragscode omdat hij gedreigd had met aftreden. Daar bleef het verder bij, want het meningsverschil leek dus vooral te berusten op een misverstand.
Waarom hier dan toch nog iets over schrijven? Niet om het meningsverschil (voor zover dat dus al aanwezig is) over nadenken over zelfverdediging, maar om de manier van redeneren. Het bestuurslid en Ivo beroepen zich namelijk allebei op bepaalde regels: het bestuurslid op de (burgerlijke) wet, Ivo op de gedragscode van de RSP. Beide doen dat op een hele absolute en letterlijke manier. Bovendien raken de twee bijdragen aan discussies die informeel wel spelen, maar nog niet heel uitdrukkelijk gevoerd zijn: over avonturisme en het breken van de wet enerzijds, en over de nieuwe gedragscode en gedragscodes in het algemeen anderzijds. Vandaar dit artikel.
‘Avonturisme’ en het breken van de wet
Het bestuurslid citeert in zijn reactie de ‘Wet op de weerkorpsen’ (door hem ‘Wet op de weermachten’ genoemd), en stelt dat in bepaalde uitvoeringen Ivo’s plan zeker aan de in die wet opgenomen verbodsbepaling zou voldoen. Dat brengt volgens het bestuurslid een gevaar met zich, omdat de RSP een open organisatie is die daardoor makkelijk te infiltreren valt. En omdat bestuursleden aan het hoofd staan en zij makkelijk vindbaar zijn, lopen zij ook een persoonlijk risico. Dat risico is het bestuurslid niet bereid om te nemen, zo geeft hij aan.
Hoewel de reactie van het bestuurslid hier niet direct aan raakt, past deze wel binnen een bredere trend in ROOD en de RSP om zo ver mogelijk weg te willen blijven van ‘avonturisme’. Wat precies met die term bedoeld wordt is niet altijd even duidelijk. Wanneer Lenin schrijft over avonturisme legt hij vooral de nadruk op politiek zonder binding met de massa’s: zowel kleine groepen intellectuelen die niets doen behalve ronkende verklaringen uitbrengen als de daden van individuele terreur van de Socialistische Revolutionairen zet hij weg als avonturistisch.1 In onze kringen wordt de term vooral gebruikt wanneer het aankomt op directe actie en het breken van de wet. Met name Extinction Rebellion moet het dan ontgelden, maar ook andere (vaak anarchistisch georiënteerde) groepen en acties worden avonturistisch genoemd.
Vooropgesteld denk ik dat het belangrijk is om individuele actie die niet geworteld is in de massa’s te bekritiseren. Uiteindelijk is het aan de arbeidersklasse om zichzelf te bevrijden, niet aan de moedige activist die bereid is een Grote Daad te verrichten (of alle infographics in zijn story te zetten). Daarom moeten onze acties erop gericht zijn om de klasse aan onze kant te krijgen én zelf in beweging te brengen.
Dat betekent dat het breken van de wet als individuele daad ons niet vooruit helpt, of dat nou bestaat uit een moordaanslag op minister Sipyagin of het gooien van tomatensoep over een Van Gogh. Maar dat betekent niet meteen dat elke vorm van het breken van de wet of directe actie meteen avonturistisch is. Ik denk dat ons voorbereiden op zelfverdediging tegen aanvallen van extreemrechts, als dat al illegaal zou zijn, een schoolvoorbeeld kan zijn van actie die juist wél geworteld is in de massa’s: het is ook voor buitenstaanders volstrekt logisch dat je jezelf verdedigt wanneer je wordt aangevallen, en het laat zien dat we als klasse niet (volledig) afhankelijk hoeven te zijn van een politiemacht met (extreem)rechtse sympathieën.
En het is juist deze worteling in de massa’s die het ‘gevaar’ van het breken van de wet nuanceren. Want niet elke handeling in strijd met (de letterlijke tekst van) de wet leidt ertoe dat de politie je ‘s nachts van je bed licht. Dat blijkt ook uit de wet die het bestuurslid aanhaalt, de Wet op de weerkorpsen. Deze wet stamt uit de jaren ‘30 en is destijds vooral ingevoerd tegen de knokploegen van de NSB. In het kort houdt die wet in dat je als particulieren geen taken mag overnemen van het leger of de politie in de handhaving van de openbare orde. Voor zover ik kan vinden is er in de afgelopen 25 jaar niemand op grond van deze wet vervolgd.2 Toen voetbalsupporters een ‘burgerwacht’ vormden om coronarellen te voorkomen in Alkmaar, werden zij geprezen door (toenmalig) burgemeester Emile Roemer. Een duidelijker voorbeeld van een overtreding van de Wet op de weerkorpsen ga je niet krijgen. Oftewel: de wet bestaat wel, maar het lijkt erop dat die niet wordt gehandhaafd. En tenzij wij binnenkort gewapend over straat zouden gaan, zie ik dat ook niet zo snel veranderen.
Een ander voorbeeld is het kraakverbod. In 2010 is kraken expliciet strafbaar gesteld met een celstraf van maximaal een jaar. Toch hebben ‘activisten van de RSP’ eerder dit jaar een pand gekraakt in Utrecht en stond het RSP-logo groot op het spandoek. Volgens de redenering van het bestuurslidzou dat een onacceptabel risico opleveren voor RSP-bestuursleden. Maar er is niks gebeurd. Het OM heeft namelijk als beleid dat krakers in beginsel niet als verdachte worden aangemerkt. En als dat al gebeurt, worden ze meestal alsnog niet vervolgd. 3
Dat iets dus naar de letter van de wet strafbaar is, betekent nog niet dat je onmiddellijke strafvervolging riskeert als je het doet. Laat staan dat de hele organisatie wordt opgerold of bestuursleden worden opgepakt voor iets waar ze zelf niet direct aan deelnemen. Want ook Justitie opereert in een maatschappelijke realiteit: als ze keihard zouden optreden tegen een groep die de orde bewaart in een demonstratie of krakers die protesteren tegen leegstand en netjes weggaan bij ontruiming, zouden ze op weerstand stuiten. Zowel intern (medewerkers van het OM en rechters die vinden dat ze wel wat beters te doen hebben) als extern (druk vanuit de samenleving en politiek).
En dat is maar goed ook, want die ruimte hebben we nodig. Op grond van artikel 20 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (burgerlijk als in civiel, niet bourgeois – hoewel het dat natuurlijk ook is) kan de rechter een vereniging verbieden waarvan het doel leidt tot de “ontwrichting van de democratische rechtsorde.” De RSP is een revolutionair-socialistische partij; wij willen de huidige orde omverwerpen. Dat leidt logischerwijs tot een ontwrichting van de democratische rechtsorde. Toch zijn we niet verboden. Het verbieden van een politieke organisatie zou namelijk nogal een escalatie zijn, en zoveel dreiging gaat er momenteel niet van ons uit. Wanneer die dreiging groter wordt, en ze ons dus eerder zouden verbieden, moeten we ook meer steun hebben van de massa’s, wat het verbieden weer lastiger maakt. Wie pleit voor revolutie kan niet om het breken van de wet heen. Dat maakt dat we avonturisme moeten bestrijden, zonder onszelf gevaren aan te praten die er niet zijn.
Gedragscodes, vrije discussie en juridisering
Dan naar de respons van Ivo. Sinds een paar maanden hebben we een gedragscode in de RSP. Deze code “beschrijft hoe we als organisatie van onze leden verwachten dat we elkaar behandelen en met elkaar omgaan”, aldus de gedragscode zelf. Het document bevat een kopje ‘Grensoverschrijdend gedrag’, waarin gedragingen worden opgesomd die “in ieder geval niet [zijn] toegestaan”. Daaronder valt manipulatie, wat mede ziet op “dreigen met opstappen als je je zin niet krijgt”. Op dat laatste doet Ivo een beroep in zijn respons, en hij roept het bestuur op om een onderzoek in te stellen naar het bestuurslid.
Gedragscodes en vrije discussie
Voordat ik mijn kritiek uit op de gedragscode van de RSP en de manier hoe Ivo die aanhaalt, wil ik wel benadrukken dat ik een voorstander ben van gedragscodes an sich, ook wanneer die raken aan wat je wel en niet kan zeggen. Vanuit ‘orthodox marxistische’ hoek klinkt hier namelijk soms stevige kritiek op. Zo schrijft de CPGB in een resolutie van afgelopen augustus: “We also reject ‘codes of conduct’, which – no matter the reasons for establishing them – restrict free speech and are almost inevitably used to silence those with minority views on important political questions.” Uit discussies op de door de CPGB georganiseerde Communist University bleek een significant deel van de CPGB zich te verzetten tegen elke vorm van een gedragscode. Vergelijkbare standpunten zie ik ook binnen Communistisch Platform en bij andere aanhangers van het ‘orthodox marxisme’. Het idee is – zoals de CPGB-resolutie ook beschrijft – dat gedragscodes altijd een belemmering vormen op de vrijheid van meningsuiting en daarom vrije discussie in de weg staan.
In zekere zin klopt dat natuurlijk. Een gedragscode zal over het algemeen regels bevatten dat je respectvol met elkaar om moet gaan, en dat betekent dat je bepaalde dingen niet tegen elkaar mag zeggen. Je tegenstanders in een discussie wegzetten als achterlijke idioten zal bijvoorbeeld meestal niet mogen. In dat opzicht is het een beperking van de vrijheid van discussie.
Maar het niet hebben van een gedragscode is in mijn ogen een nog grotere belemmering van vrije discussie. Wanneer iedereen elkaar steeds voor van alles uitmaakt zorgt dat in de eerste plaats voor een weinig constructief debat: wie voor het minste of geringste uitmaakt wordt voor opportunist/liquidationist/bureaucraat/revisionist/reformist zal alleen maar in de verdediging schieten en niet luisteren naar wat de ander te zeggen heeft. In de tweede plaats zorgt een dergelijke harde discussiecultuur ervoor dat mensen zich überhaupt niet meer willen of durven mengen, of bang zijn om een bepaald (afwijkend) standpunt in te nemen. Daardoor missen we cruciale stemmen in het debat, met name van degenen die het (nog) niet gewend zijn om hun mening te geven. Dat zijn leden die net komen kijken, maar ook minderheden die door o.a. seksisme en racisme hebben meegekregen dat hun mening er minder toe doet.
Moet je dan strikt gaan bepalen wat je wel en niet mag zeggen? Nee, alles hangt af van de context. Wanneer het RSP-bestuur ineens het onvoorwaardelijke bestaansrecht van Israël zou verdedigen vind ik het gerechtvaardigd om er met gestrekt been in te gaan. Maar dat neemt niet weg dat je algemene principes en uitgangspunten voor discussie kan vastleggen in een gedragscode. In de RSP-gedragscode wordt dat gedaan in de volgende passage:
“Wanneer van meningen wordt gewisseld, dient dit constructief en opbouwend te zijn. Dat betekent dat de ontvanger erop kan reflecteren en handelen. Behandel andere leden zoals je zelf behandeld zou willen worden, en verplaats je in de ander. Ga uit van de juiste intentie en oprechtheid in discussies. Vraag om verduidelijking en leg zaken op meerdere manieren uit wanneer je merkt dat andere leden je anders interpreteren dan je bedoelt. Verbind conclusies aan discussies en handel erop, in plaats van afgesloten discussies opnieuw op te rakelen. Voer discussies in gelijke verhoudingen, met name wanneer deze digitaal plaatsvinden, zonder de ander in het nauw te drijven.”
Op het gedeelte over afgesloten discussies opnieuw oprakelen na (is een discussie ooit echt afgesloten?) lijken mij dit prima uitgangspunten. Door deze op te schrijven in de gedragscode worden leden zich ervan bewust dat ze moeten letten op hun manier van discussiëren, en is het makkelijker voor mensen om anderen daarop aan te spreken. Deze uitgangspunten zijn natuurlijk voor meerdere interpretaties vatbaar en niet absoluut, maar kunnen (misschien wel juist daarom) een gezonde discussiecultuur bevorderen.
Gedragscodes en juridisering
Dan de kritiek. Naast die uitgangspunten over het voeren van een discussie bevat de gedragscode zoals gezegd ook een kopje ‘Grensoverschrijdend gedrag’ met gedragingen die “in elk geval niet toegestaan” zijn. Hier valt wel het een en ander op aan te merken.
Vooropgesteld snap ik de behoefte aan zekerheid en ‘hard and fast rules’: het liefst wil je zo precies mogelijk omschrijven wat er allemaal wel en niet mag, zodat leden weten waar ze aan toe zijn en het bestuur eenvoudig en consequent kan sanctioneren. Maar hoe harder en duidelijker je een regel maakt, hoe lastiger het is om die op een rechtvaardige manier toe te passen. Want er zijn altijd uitzonderingen te bedenken waarin een bepaalde gedraging wél door de beugel kan.
Neem bijvoorbeeld ‘roddelen’: op zichzelf een ietwat vaag begrip (wanneer is iets roddelen?), daarom in de gedragscode verduidelijkt als “het verspreiden van persoonlijke verhalen of geheimen van iemand zonder toestemming van diegene, of negatief over iemand praten zonder dat diegene erbij aanwezig is en zonder de intentie te hebben diegene ook op constructieve wijze hierop aan te spreken.” Maar hoe zit het dan als iemand seksueel grensoverschrijdend gedrag pleegt of op een andere manier een creep is, mag je daar dan niet negatief over praten met anderen als je niet de intentie hebt om diegene op constructieve wijze aan te spreken? Dat lijkt mij niet. Zo zijn er ook best situaties te bedenken waarin “schelden en schreeuwen” en “verbaal benadelen van mensen” te rechtvaardigen is. Verder vind ik “dreigen met opstappen als je je zin niet krijgt” sowieso dubieus om op te nemen in een gedragscode. Het lijkt me namelijk niet meer dan normaal dat je als functionaris geen beleid hoeft uit te voeren waar je echt niet achter kan staan, of waar je door persoonlijke omstandigheden (zoals het veiligheidsrisico waar het bestuurslid het over had) je niet mee kan verenigen. Ook bestuurders hebben grenzen.
Maar hoe ondervang je die uitzonderingen? Als je de zekerheid van duidelijke regels wil behouden dan zal je al die uitzonderingssituaties en rechtvaardigingsgronden moeten opschrijven. Wanneer zich vervolgens een nieuwe situatie voordoet die je niet had voorzien, moet je weer een uitzondering op de uitzondering formuleren. En voor je het weet heb je een complex rechtssysteem opgetuigd waar je een getraind jurist voor moet zijn om het te navigeren.4
Daarom zullen we (een bepaalde mate van) onzekerheid moeten accepteren. Dat zie je bijvoorbeeld bij de definitie van ‘schenden van privacy’: “het oneigenlijk delen van informatie van andere leden (…)”. Het woord ‘oneigenlijk’ maakt het onzeker (wanneer is iets oneigenlijk?) maar het geeft de ruimte om per geval te beoordelen of het delen van informatie inderdaad grensoverschrijdend is of niet.
En die beoordeling moeten we steeds met z’n allen maken. De inherente onduidelijkheid van een (goede en rechtvaardige) gedragscode moet geen vrijbrief worden om politieke tegenstanders van allerlei overtredingen te beschuldigen. Juist daarom is collectieve handhaving zo belangrijk, en wordt dit ook in de gedragscode zelf benadrukt. Wanneer je constateert dat iemand zich grensoverschrijdend gedraagt, is de eerste stap dus om iemand daarop aan te spreken. Niet om meteen in het IB het bestuur op te roepen om een onderzoek in te stellen. Daarmee geef je het bestuur als een soort gedragspolitie het alleenrecht om die gedragscode te interpreteren, en juist dan ligt het gevaar van misbruik op de loer. Wat wel en niet telt als grensoverschrijdend is een doorlopende discussie die we met z’n allen moeten blijven voeren.
Tot slot
Wanneer je je beroept op een bepaalde regel moet je die dus altijd in een context plaatsen. Als het gaat om de burgerlijke wet vindt handhaving altijd plaats in een maatschappelijke context waarin de mate van steun voor de regel, je actie en het ‘gevaar’ wat de actie vormt voor de openbare orde gewogen moeten worden. Wanneer we onze politiek zo veel mogelijk wortelen in de massa’s maken we de kans op vervolging kleiner.
Als het gaat om regels in een gedragscode is die context onze collectieve beoordeling over wat kwalificeert als grensoverschrijdend gedrag. Daarbij zullen we moeten accepteren dat er altijd grensgevallen zijn waar we het niet over eens zijn; dat valt niet op te lossen met ‘duidelijkere’ regels. We zullen die discussie allemaal moeten blijven voeren, en kunnen ons niet verschuilen achter de gedragspolitie (en moeten dat ook niet willen!).
De ene regel is dus de andere niet; de RSP-gedragscode is niet de burgerlijke wet. En laten we dat vooral zo houden!
- Zie ‘Adventurism’ (https://www.marxists.org/archive/lenin/works/1914/jun/09.htm) en ‘On Adventurism’ (https://www.marxists.org/archive/lenin/works/1902/sep/01.htm#bkV06E071). ↩
- De enige resultaten die ik krijg op rechtspraak.nl gaan over beveiligingsbedrijven (tot 1999 bevatte deze wet namelijk ook bepalingen over particuliere beveiligingsdiensten) of betreffen een citaat uit het Alcoholbesluit waarin de Wet op de weerkorpsen wordt aangehaald. ↩
- Zie Evaluatie Wet handhaving kraakverbod 2024, p. 9, 10 en 59. (https://repository.wodc.nl/bitstream/handle/20.500.12832/3413/3278b-evaluatie-wet-handhaving-kraakverbod-volledige-tekst.pdf?sequence=1&isAllowed=y) ↩
- De drang naar rechtszekerheid is namelijk ook hoe professionele rechters en advocaten zijn ontstaan, zie ‘The War and the Law’ van Mike Macnair: https://weeklyworker.co.uk/worker/497/the-war-and-the-law/. ↩

