Het recent aangenomen programma van de Revolutionair Socialistische Partij is niet geschikt voor agitatie zegt Elise in het Intern Bulletin van de RSP. Moet het programma herzien worden? Rogier Specht verdedigt principiële communistische programma’s tegenover korte agitatieprogramma’s.
Het is lastig om te reageren op het stuk ‘Het Programma van Utrecht is niet geschikt’ van kameraad Elise in Intern Bulletin 42. Allereerst stelt kameraad Elise dat niemand het landelijke programma van de RSP kent, om vervolgens te bekennen dat er een lange discussieperiode over het programma is geweest en dat veel leden het programma slecht en ontoereikend vinden, zo slecht zelfs dat ze er nu niet meer voor zouden stemmen. Maar ze wijst niet daadwerkelijk naar om wie het gaat en om welke redenen zij dan tegen het programma zijn. In de periode van discussie over het programma zijn er een veelvoud aan reacties en wijzigingen geweest op het concept. Een deel van deze reacties waren inhoudelijk sterk, maar er waren ook een hoop reacties die vonden dat het programma te radicaal was, te veel ging over ‘enge’ onderwerpen zoals het omverwerpen van de burgerlijke staat, het opheffen van het staande leger en het vervangen door een volksmilitie. Simpelweg de opmerking dat veel mensen het programma niet toereikend vinden zegt mij weinig over de redenen waarom zij dat vinden. Dit kunnen net zo goed redenen zijn die wij rechts moeten laten liggen, en het is dus zeker onvoldoende om het programma grootscheeps te wijzigen.
Programma’s zijn geen onveranderbaar Heilige Schrift. Ze moeten constant getoetst worden. We moeten dus ook dit soort discussies verwelkomen, en ik zal de gemaakte punten dan ook serieus onder de loep nemen. Elise draagt drie concrete kritieken op stukken in het programma aan, en maakt daarnaast een groter punt over het karakter van het programma en de lengte ervan. Gedeeltelijk deel ik de kritieken op de specifieke eisen, hoewel ik ‘het is een concessie’ en ‘het is onjuist’ in het punt over landbouw niet kan beoordelen omdat er niet wordt ingegaan op wat er dan een concessie of onjuist aan is. Het tweede punt, dat verzekeraars een controlemechanisme op zorg zouden volstoppen met aan hen gelieerde mensen, gaat ervan uit dat het verzekeringsstelsel in stand wordt gehouden, terwijl we in het hoofdstuk gezondheidszorg juist eisen om dat af te schaffen. Het is niet zo dat het kapitalisme niet zonder een stelsel van commerciële zorgverzekeraars kan (denk bijvoorbeeld aan de NHS). De stelligheid waarmee in de kritiek dus wordt beweerd dat dit mechanisme hoe dan ook door verzekeraars misbruikt zal worden is onterecht, hoewel een verscherping van het programmapunt wel zou kunnen helpen dit verder te verduidelijken. Het derde punt over het college van wethouders in het maximumprogramma, destijds een poging om via een amendement regeringsdeelname als strategie in het programma te houden, was voor mij de reden om tijdens de stemming over het maximumprogramma (dit gedeelte is eerder aangenomen dan de rest van het programma) als een van de weinigen tegen te stemmen. In de rest van het hoofdstuk staan de elementen van een communistische maatschappij beschreven. Het argument dat het maximumprogramma door de zin over het college geen maximumprogramma is klopt dus simpelweg niet. Het drietal punten dat Elise aandraagt, zijn in ieder geval niet voldoende om het grotere punt dat het programma volledig op de schop moet te ondersteunen, ze tonen hooguit aan dat die drie punten niet toereikend zijn geformuleerd. Omdat ik mij gedeeltelijk kan vinden in de kritiek op de drie punten zal ik me in de rest van dit stuk voornamelijk concentreren op de kritiek op het geheel.
In de reactie van kameraad Elise worden twee punten gemaakt over de methode en vorm van het programma; namelijk dat het een agitatiedocument moet zijn, en daarop aanhakend dat het een korter programma moet zijn. Deze opmerkingen worden maar beperkt uitgediept wat het lastig maakt om ze te beoordelen, maar ik zal toch een poging doen om uitgebreider op deze punten in te gaan.
Agitatieprogramma of programma voor macht
Elise geeft aan dat ons programma het belangrijkste ‘agitatiedocument’ moet zijn van de organisatie, we zouden het ‘moeten kunnen uitdelen op demonstraties’ en het moet een tekst zijn ‘die je aan een arbeider of activist op de werkvloer of tijdens een protest kunt geven om ze te agiteren’.
Er zijn meerdere problemen met deze aanpak. Allereerst is de rol van een minimum-maximumprogramma niet primair die van agitatie. Het doel van het minimumprogramma moet zijn om als pakket een programma te formuleren waarmee de arbeidersklasse aan de macht komt. Het doel van het maximumprogramma is om het einddoel van het communisme te schetsen. Vanuit dit programma willen wij de arbeidersklasse winnen voor het project van collectieve machtsovername door de arbeidersklasse en de overgang naar het communisme.
Daarnaast moet het programma het culturele leven van de partij dicteren. Het partijleven moet in grote mate op democratisch republikeinse wijze georganiseerd worden om zo al de infrastructuur te creëren waarmee de arbeidersklasse de bestaande kapitalistische staat kan vervangen. Maar het programma moet ook de basis vormen voor al ons politieke werk, en als controlemechanisme op onze bestuursleden, volksvertegenwoordigers en kaderleden fungeren, tegenover de gevaren van omkoping door de burgerlijke staat, opportunisme en mediadruk.
Vanuit deze visie is het programma per definitie een programma dat een breuk moet voorstaan met loyaliteit aan de grondwettelijke orde die de politieke macht van de arbeidersklasse in de weg staat. Hier ontstaat gelijk een spanningsveld met het idee dat het programma primair een agitatiedocument moet zijn. Agitatie heeft voornamelijk als doel de klasse (of delen daarvan) in beweging te brengen, het minimum-maximumprogramma dient als langdurig fundament van wat politieke macht van de arbeidersklasse concreet inhoudt, op welke basis we de arbeidersklasse op lange termijn te organiseren.
De arbeidersklasse heeft een klassenbelang bij politieke macht, maar in normale omstandigheden wordt ze maar beperkt gemobiliseerd op basis van een programma voor politieke macht van de arbeidersklasse. Er zijn, historisch, meerdere manieren geweest waarop dit probleem werd aangepakt. Allereerst zijn er zij die de machtsovername van de arbeidersklasse aan de kant schuiven binnen het politieke project, en agitatie en beweging van de klasse als primair beschouwen. Vaak begint dit met het idee dat een programma voor politieke macht de arbeidersklasse vervreemdt (deels is dit waar), maar uiteindelijk vervreemdt de organisatie zichzelf ook van het doel van machtsovername en daarmee van het communisme. Het eindresultaat is organisaties die alleen staan op sociale eisen en zich aanbieden als betrouwbare coalitiepartners naar kapitalistische partijen. Dit artikel is niet de plek voor een uitgebreide beschouwing van dit fenomeen, maar breedgenomen is dit het traject dat de meeste Europese organisaties links van de sociaaldemocratie in de afgelopen 30-40 jaar hebben afgelegd, met vaak een langere achtergrond in de politiek van het Volksfront en Eurocommunisme in de officieel communistische partijen (Zie over de geschiedenis van Volksfront en Eurocommunisme bijvoorbeeld de artikelen: https://communisme.nu/artikelen/2020/03/02/nieuwe-communisten-oud-opportunisme-de-politiek-van-de-ncpn/ en https://communisme.nu/theorie-en-achtergrond/2021/05/03/fascisme-wat-het-is-en-hoe-het-te-bestrijden/ ).
Een ander idee over het overbruggen van het huidige bewustzijn van de arbeidersklasse naar machtsovername is die van het overgangsprogramma, of overgangsmethode, van Leon Trotski. De onderliggende analyse is dat de arbeidersklasse via strijd zich ontwikkelt naar een programma van politieke machtsovername. De methode is dan om eisen te stellen die de strijd van de arbeidersklasse richting een conflict voor politieke macht duwen. De meeste organisaties op het trotskistische spectrum die deze methode nog aanhouden zijn in te delen in twee categorieën. Ten eerste, organisaties die vasthouden aan het programma en de eisen zoals in 1938 geformuleerd door Trotski. Deze eisen vormen geen langdurig programma maar zijn ook niet meer aantrekkelijk ter agitatie en hebben dus vrijwel geen impact binnen de huidige context1. De andere methode is om de strijd voort te duwen door radicalere eisen te stellen dan de vakbeweging (bijvoorbeeld door 15 euro minimumloon te eisen als de vakbeweging een campagne heeft voor een minimumloon van 14 euro), of de laagste gemene deler als uitgangspunt te nemen voor politieke leuzen. Deze eisen zijn immers de eisen die de arbeidersklasse zogenaamd in beweging brengen. In die laatste categorie bevinden zich bijvoorbeeld de Internationale Socialisten, die vaak in hun slogans niet verder gaan dan eisen zoals ‘haal het geld waar het zit, belast de rijken’. Dit is ook waarom zij nooit daadwerkelijk een programma van politieke macht naar voren brengen.
Het probleem met dit soort ‘agitatorische’ aanpakken op politieke programma’s is dat ze vrijwel altijd vervallen in het meest abjecte opportunisme. Daarnaast bepaalt het programma, zoals hierboven gesteld, de partijcultuur van een organisatie. In veel van de organisaties die agitatie voorop stellen in hun politieke strategie worden marxistische geluiden consequent uitgesloten, omdat programma’s voor politieke macht van de arbeidersklasse de arbeidersklasse zouden vervreemden.
Waarschijnlijk is het niet bewust het doel van kameraad Elise om te pleiten voor opportunisme aan de hand van een andersoortig programma dan het minimum-maximumprogramma, hoewel dat aan de hand van de toelichting in het stuk moeilijk te zeggen is. Elise zegt namelijk wel kritiek te hebben op de ‘minimum-maximumvorm’, maar gaat hier verder niet op in. Het probleem is niet zozeer de intentie, maar de dynamiek en mechanismen die ontstaan wanneer je het programma primair ziet als middel voor agitatie.
Hoe moeten we dan wel omgaan met agitatie rondom het programma? Het programma moet in beginsel een langdurig karakter hebben wat ons voorbereidt op de machtsovername van de arbeidersklasse. Dit betekent dus ook dat wij eisen opnemen die daarvoor noodzakelijk zijn, maar op dit moment niet populair zijn. In ons politieke werk moet dit programma de basis vormen voor ons handelen en onze agitatie. Niet door simpelweg boekjes uit de delen van het programma, maar door het programma toe te passen op concrete situaties. Binnen het kapitalisme wordt het politieke leven gedomineerd door politieke schandalen, sociale problemen, oorlog, economische crises, politieke crises, enz. De kunst van revolutionaire politiek is het gebruikmaken van deze crises door de passende eisen uit ons programma naar voren te brengen. Wanneer er een woningtekort is, moeten we dus de eisen over democratische controle over de woningmarkt, onteigening van huisbazen en huurbeperking naar voren brengen. In oorlogstijd juist de eisen over de NAVO en het vervangen van het staande leger enz. Het is daarbij van belang dat je het politieke programma consequent toepast. Onze eisen rondom de NAVO en militarisme waren weliswaar ook binnen links niet populair rondom het begin van de Oekraïneoorlog, maar het verdere verloop van die oorlog en de politieke strijd rondom Palestina maakt al een stuk duidelijker waarom onze eisen noodzakelijk zijn.
Tegelijkertijd zijn wij op dit moment met ons politieke programma ook een minderheid binnen links Nederland en de vakbeweging. Daarom moeten wij een consequente langdurige strijd voeren om activisten, vakbondskader enz. te winnen voor, en te scholen in, ons programma. Ook onze eigen leden en rekruten moeten consequent geschoold worden in het programma. Zodat zij het programma eigen maken en kunnen toepassen op concrete situaties.
Dit betekent dat wij constant bezig moeten zijn met het beargumenteren van ons programma, agitatie moeten voeren op onze eisen, de onderliggende theorie en argumenten voor onze eisen moeten uitdiepen in onze media en publicaties, en discussie en debat moeten organiseren met andere linkse organisaties. Op deze manier kweek je een revolutionair kader dat ons programma kan toepassen op hun agitatie en actiemethoden, en volksvertegenwoordigers die principiële oppositie kunnen voeren. Door dit consistent te doen kan je als partij delen van de georganiseerde arbeidersbeweging overtuigen. Daarmee kan je een aantrekkingskracht opbouwen voor ons programma waardoor je politiek leiding kan geven aan de arbeidersbeweging, en honderdduizenden tot miljoenen arbeiders kan winnen.
Lengte
Het tweede punt dat Elise maakt, verbonden aan het idee van een agitatieprogramma, is dat het programma te lang is. Dit is niet een nieuw argument. Leden in CP hebben bij het opstellen van het voorstelprogramma van CP aangekaart dat zij vonden dat het korter moest en LinkerFlank maakte tijdens de programmadiscussie een vergelijkbaar punt. Daarbij werden vooral de pijlen gericht op de delen die niet over politieke macht gaan.
Ik ben het eens met een verlangen naar korte programma’s. In de verschillende trotskistische tendensen is het bijvoorbeeld lange tijd gebruikelijk geweest om gehele tradities te nemen als ‘programma’ zonder daadwerkelijk een programmatisch document op te stellen. Op deze manier ontstond bijvoorbeeld bij de IST (International Socialist Tendency, ontstaan rondom de engelse SWP van Tony Cliff en moederorganisatie van de Internationale Socialisten in Nederland, niet te verwarren met bovengenoemde ISA) het idee dat het programma bestond uit decennia aan congresstukken, resoluties enz. Bij dergelijke ‘programma’s’ heb je een jarenlange studie nodig om de posities (en tegenstrijdigheden) binnen die teksten te begrijpen. In feite betekent dit dat (kader)leden het programma niet kunnen kennen en dat daardoor alle programmatische besluiten bij de leiding van de organisatie komen te liggen. Die besluiten kunnen vervolgens niet gecontroleerd worden, omdat er geen helder programma is waaraan de besluiten kunnen worden getoetst. De heropleving van de politiek van minimum-maximumprogramma’s de afgelopen twintig jaar (begonnen door de CPGB-PCC/Weekly Worker maar voortgezet door o.a. Marxist Unity Group in de VS en CP in Nederland) is in grote mate een afrekening met deze programmatische vaagheid die leidt tot bureaucratische sektes. Tegenover dit soort lange ‘programma’s’ zetten wij inderdaad korte programma’s met concrete eisen.
Maar het programma van de RSP voldoet aan deze voorwaarden van een kort programma met heldere en concrete eisen. Het is een behapbaar document, ingedeeld in duidelijke hoofdstukken met concrete eisen. Ieder lid kan gemakkelijk in een document opzoeken wat de posities zijn van onze organisatie op dit of dat onderwerp. De voorwaarde die Elise naar voren brengt, dat een programma in 15 minuten te lezen zou moeten zijn, is arbitrair. Bovendien doet Elise geen suggesties wat er dan geschrapt zou moeten worden.
Dat laatste brengt ons tot het belangrijkste onderdeel van de discussie. Want welke delen moeten er dan geschrapt worden uit het programma? De lijn van LinkerFlank tijdens de programmadiscussie was om het programma te beperken tot eisen die de arbeidersklasse aan de macht brengen, maar dit is makkelijker gezegd dan gedaan.
Het punt dat destijds onder andere door LinkerFlank werd gemaakt, was dat de minimumprogramma’s van voor de Eerste Wereldoorlog een stuk korter waren en focusten op het invoeren van de democratische republiek. Hierbij werd wel toegegeven dat de staat complexer is geworden, maar ze vonden dat het principe onveranderd bleef (zie: https://linkerflank.net/2024/03/15/een-kritiek-op-het-socialistenprogramma/). Ik haal de positie van LinkerFlank aan omdat kameraad Elise zelf uit LinkerFlank komt, en omdat de argumenten over het verkorten van het programma dus niet op zichzelf staan. Sinds de programma’s van de oude sociaaldemocratie is er namelijk een hoop veranderd. Niet alleen is de staat complexer geworden, ook hebben we er als communisten een hoop bagage bij gekregen. De ervaringen met de Russische revolutie en de Sovjet-Unie aan de ene kant, en ruim een eeuw aan sociaaldemocratisch verraad aan de andere kant, hebben ervoor gezorgd dat communisten en socialisten voorlopig nog geassocieerd zullen worden met deze twee ervaringen. Dit betekent ook dat wij in woord en daad moeten kunnen aantonen waarom ons project niet zoals een van die twee scenario’s zal eindigen. We moeten dus meer aandacht besteden aan die ervaring, aan eisen rondom de democratische republiek, maar ook aan de periode van overgang naar het communisme. Het volstaat in ieder geval niet om ons simpelweg moreel te distantiëren van stalinisme of sociaaldemocratie.
Mensen willen een omvattend programma dat ingaat op een veelheid aan sociale vraagstukken die spelen. Vaak wordt klassenbewustzijn ook in eerste instantie gecreëerd door een interesse in of bezorgdheid over een bepaald onderwerp (bijvoorbeeld het klimaat). Dit betekent niet dat we elk hobbyisme moeten toelaten in het programma (en er zijn nogal wat hobbyistische voorstellen geweest in programmadiscussies), maar wel dat op de grote thema’s wordt ingegaan. Het huidige minimumprogramma is onderverdeeld in de hoofdstukken: staat & democratie, arbeid, sociale voorzieningen, emancipatie, economische inrichting, natuur & klimaat, en internationaal. Stuk voor stuk zijn dit ook de grote thema’s op basis waarvan mensen geïnteresseerd raken in communistische politiek. Ik zie dus niet direct de mogelijkheid om gehele hoofdstukken te schrappen.
Vanuit het idee dat een programma alleen uit eisen voor de machtsovername van de arbeidersklasse moet bestaan, zou je misschien een aantal eisen kunnen schrappen. Maar ook dit is makkelijker gezegd dan gedaan. Een groot deel van de sociale en economische eisen in het programma zijn bedoeld om daadwerkelijke barrières voor arbeidersmacht weg te nemen. Denk bijvoorbeeld aan eisen rondom LHBTQIA+ Emancipatie, eisen rondom de publieke omroep, eisen rondom kinderopvang, belastingen. Deze eisen zijn grotendeels geen eisen die betrekking hebben op het aanpassen van de grondwet, maar ze halen barrières weg die minderheden uitsluiten van deelname aan politieke besluitvorming, die de kapitalistenklasse macht geven over de media, of die de arbeidersklasse laten opdraaien voor elk sociaal beleid.
Daarnaast bestaat er een daadwerkelijke druk vanuit kapitalistische politieke partijen en media om onrust rondom sociale problematiek op een manier op te lossen die de klassenpositie van de kapitalistenklasse verstevigd. Ik leen hier voor het gemak even een argument uit een recent artikel van Mike Macnair in de Weekly Worker waarin een vergelijkbaar punt wordt gemaakt: huurbeperkingen en bouwprogramma’s vanuit (democratische) woningcooperaties zijn eisen die de macht van de arbeidersklasse versterken, huurtoeslag is een eis die de directe pijn van hoge huren verlicht maar die in feite werken als subsidie voor huisbazen en werkgevers (https://weeklyworker.co.uk/worker/1548/the-road-needs-illumination/). Hetzelfde geldt voor eisen rondom bijvoorbeeld racisme, LHBTQIA+ en vrouwenemancipatie. De kapitalistische staat, wanneer ze eisen rondom dit soort thema’s niet actief bestrijden, heeft de neiging om deze om te vormen naar o.a. beperkingen op vrijheid van meningsuiting en het versterken van de macht van HR-afdelingen. BIJ1 haalde het ‘schenden van grondrechten van burgers, zoals bij het Toeslagenschandaal’, aan als argument voor een constitutioneel hof (https://www.parlementairemonitor.nl/9353000/1/j9vvij5epmj1ey0/vlngbpkmiiye), wat in feite betekent ‘alle macht aan de rechters’. De lijst die kan worden gemaakt van eisen waar links mee akkoord is gegaan die uiteindelijk de macht van de kapitalistenklasse verstevigden is eindeloos. Daarnaast zijn het ook precies deze thema’s waarop de arbeidersklasse verdeeld is en waar reactionairen gebruik van maken om de arbeidersklasse verder te verdelen. Programmatische vaagheid door omissie, of door achter liberale antidiscriminatie-politiek aan te lopen, zorgt ervoor dat deze tegenstellingen binnen de klasse niet worden overstegen en levert in de praktijk de arbeidersklasse uit aan de reactie. Het is dus wel degelijk van belang om ook op zogenaamde sociale en economische eisen een helder programma en werkwijze te hebben die deze problemen voorkomen. In feite kan er vaak geen hard onderscheid worden gemaakt tussen eisen voor de machtsovername van de arbeidersklasse en ‘enkel’ sociale en economische eisen, en bevatten deze sociale en economische eisen een duidelijk element van politieke macht.
Tot nu toe vind ik de argumenten voor een grootscheepse aanpassing van het programma niet overtuigend, en zie ik in deze argumenten vooral veel valkuilen voor een verzwakking van het programma in plaats van een verscherpingop. Dit betekent niet dat er geen problemen zijn met het uitvoeren van het huidige programma. Het recente bestuursstuk voor een verkiezingscampagne waarin vijf thema’s worden genoemd en deze geen een keer aan het programma worden gekoppeld zijn tekenend. Het landelijk bestuur moet stelselmatig het programma in de hand nemen bij het maken van politieke keuzes. Dit is niet alleen performatief maar schoolt de leden ook in het programma. Daarnaast moet elk onderdeel van de organisatie hetzelfde doen wanneer zij politieke keuzes maken. Het te weinig naar voren brengen van ons programma is een teken dat we een organisatiecultuur hebben waarin besluiten te vaak enkel papieren besluiten worden. Daarom moet er hard gewerkt worden aan het opleiden van alle leden in de inhoud en toepassing van het programma. Alleen dan kan het programma het kompas worden in onze politieke strijd.
- Deze stroming komt in Nederland dan ook vrijwel niet meer voor met het wegvallen van stromingen als de Internationale Bolsjewistische Tendens (IBT), hoewel Committee for a Workers International (CWI) en International Marxist Tendency (IMT) in hun vorige incarnaties (de CWI in Nederland is meegegaan met International Socialist Alternative, ISA, en IMT heeft zich omgedoopt tot de Revolutionary Communist International, RCI) soms een lichtere variant hiervan naar voren brachten. ↩

