‘Een markt bevrijd van kapitalisten’?: een reactie op Savriël Dillingh
‘Een markt bevrijd van kapitalisten’?: een reactie op Savriël Dillingh

‘Een markt bevrijd van kapitalisten’?: een reactie op Savriël Dillingh

In de zomereditie van de Nederlandse Jacobin verdedigt Savriël Dillingh marktsocialisme. Tim Platenkamp, politiek theoreticus en auteur van The Constitution of Socialism (2025), reageert; in plaats van marktsocialisme moeten we streven naar een normatieve planeconomie, waarbij centrale sturing en decentraal initiatief elkaar aanvullen. De wetenschappelijke editie van het boek van Platenkamp, waarin alternatieven op het kapitalisme worden verkend door een republikeinse lens, is onlangs verschenen in de Historical Materialism serie en zal in 2026 worden uitgebracht in een paperback editie bij Haymarket Books.

Met horten en stoten verspreidt het kapitaal zich in een eindeloze poging de onstilbare honger naar winst te verzadigen. Dit verloopt niet volgens een harmonieus samenspel van vraag hier en aanbod daar maar neemt de vorm aan van een veelal, maar niet uitsluitend ‘koude oorlog’ tussen concurrerende kapitalen die de strijd met elkaar aanbinden om markten te veroveren, daarbij natuur en mens tot middel tot hun particuliere doeleinden reduceren om marktmacht op en uit te bouwen in een poging bovengemiddelde winsten op te strijken—de marktwerking van kapitaal kenmerkt zich niet door een harmonische symfonie, maar door methodes die gelijken aan oorlogsvoering (zie Shaikh, 2016). Zonder onderlinge afstemming stroomt het kapitaal naar daar waar de winstbelofte hoger lijkt, hetgeen kan resulteren in een te grote concentratie van investeringen resulterende in een te lage winstvoet met als gevolg een crisis van overaccumulatie.

De aan de driften overgeleverde winsthonger van het kapitaal die arbeid en natuur slachtoffer maakte van diens verzamelwoede gaf gestalte aan een tegengesteld idee van het socialisme, dat zichzelf presenteerde als de positieve opheffing van de georganiseerde chaos van het kapitalisme. Om de turbulente fluctuaties van marktconcurrentie te ontstijgen werd de georganiseerde, wetenschappelijke afstemming van producenten in onderling verband noodzakelijk geacht. Een toekomstig maatschappijbeeld dat organisch leek te ontspringen uit de bewegingswetten van het kapitalisme zelf, waarbij de onderlinge afstemming binnen bedrijven langzaam de wetten van marktwerking leek te vervangen door de progressieve centralisatie van kapitaal. De idee van socialisme als maatschappelijk geleide sturing van gezamenlijke productie in verenigingsverband stond ooit nagenoeg boven discussie verheven. De markt werd beschouwd als inherent destructieve kracht, die zichzelf bovendien achterhaalde door het voortstuwen van progressieve socialisatie van productieprocessen en -ketens. Van deze vanzelfsprekendheid is inmiddels al een tijd geen sprake meer binnen socialistische kringen, waardoor het idee van ‘marktsocialisme’ zich kan roeren. In de zomereditie van de Nederlandse Jacobin waagt Savriël Dillingh, een politiek filosoof werkende aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, zich aan een voorzichtige verdediging van marktsocialisme. 1

Het idee van algehele planning van de productie vanuit één centraal punt tot op de laatste schroef en bout heeft aan realiteitszin ingeboet. De Sovjet-Unie bleek niet in staat om de grote hoeveelheid aan data—de overvloed van variabelen rondom de ruimtelijk-temporele ordening van een oneindige variatie aan mogelijke combinaties van input en output—te kunnen verwerken en producenten bleken niet bereid om de juiste data over hun eigen productiemogelijkheid of voorraden vrijwillig en zonder manipulatie omhoog te sturen richting het centrale planbureau. De Sovjetmethode bleek succesvol op beperkt gebied als het ging om bewuste politieke interventie in strategisch belangrijke industrieën of projecten maar het systeem was niet in staat om de productie tot in het fijnste detail te orkestreren. Het alternatief, veelal voorgesteld door hervormingsgezinde socialistische economen, om de planautoriteiten zich te laten concentreren op grote strategische kwesties en de details over te laten aan producenten zelf bleek een moeizaam huwelijk om uiteenlopende redenen. Daarbij was er in ieder geval sprake van één groot dilemma, namelijk op basis van welke criteria deze producenten besluiten konden nemen zonder dit toe te vertrouwen aan de wetten van de markt. Het simpelweg niet opnemen van artikelen in het plan bewoog producenten immers om hun activiteiten te beperken tot goederen waar de centrale planners wel hun interesse voor uitdrukten. Een ongemakkelijke balans en politiek gefrustreerde amalgamatie van markt en plan volgde in opeenvolgende socialistische landen, waaronder de Sovjet-Unie (de Kosygin-Liberman hervormingen), in Oost-Duitsland (het Nieuw Economisch Systeem), Hongarije (het Nieuw Economisch Mechanisme), en Tsjechoslowakije (het Nieuw Economisch Model)—hoewel de mate van horizontale marktwerking binnen de verticale planmechanismen het verst doorgevoerd werd in Hongarije was er geen sprake van, zoals Dillingh stelt, arbeiderszelfbestuur zoals in Joegoslavië (in 1985 was er, net als in de Sovjet-Unie overigens, kort sprake van een poging om een vorm van arbeiderszelfbestuur door te voeren).

Zelfs nu de technische mogelijkheden bestaan, via digitale informatietechnologie, om een gigantische hoeveelheid variabelen te verwerken tot een geïntegreerd, alomvattend productieschema zijn er praktische beperkingen op centraal geleide planeconomieën, in zoverre dat lokale, contextuele kennis nodig is om potentiële productiemogelijkheden te verkennen en omdat decentraal initiatief omtrent innovatie noodzakelijk is om een dynamische economie tot stand te laten komen—en niet slechts de statische optimalisatie van de huidige distributieketens en productiepatronen. Het Cockshot-Cottrell planmechanisme, dat zich baseert op Lange’s ‘marktsimulatie’ enerzijds en Strumilin’s arbeidstijdcalculaties anderzijds (derhalve door henzelf tot ‘Lange-plus-Strumilin’ mechanisme gedoopt). De kritiek op Lange’s model is derhalve in grote mate van toepassing op het Cockshot-Cottrell planmechanisme. De productie van economische kennis gaat niet over de optimalisatie van expliciete, bestaande en beschikbaar technische kennis en kwantitatieve data, maar over de creatieve toepassing van kwalitatieve kennis in combinatie met betrouwbare cijfermatige data om nieuwe inzichten over economische mogelijkheden te ontwikkelen. Omdat dit laatste alleen mogelijk is door de lokale, impliciete en contextuele kennis van producenten aan te wenden en beschikbaar te stellen aan het maatschappelijk belang, is lokaal initiatief vanuit producenten zelf noodzakelijk. Het gaat dus niet zozeer om technische optimalisatie (hetgeen ook van groot belang is) vanuit één centraal punt maar om een optimaal verkeer tussen centrale sturing en decentrale activiteit te realiseren. Hierin ligt het dilemma van de socialistische planeconomie besloten.

Dit dilemma valt in het geheel niet te omzeilen door een toevlucht te zoeken in het marktsocialisme. Dit kan verhelderd worden aan de hand van het experimentele voorbeeld van socialistisch Joegoslavië. Met het Joegoslavische model van arbeiderszelfbestuur waren structurele problemen gemoeid, waar Dillingh zelf ook kort bij stil staat. In dit systeem van arbeiderszelfbestuur beschikten de door arbeiders beheerde firma’s over een grote, maar zeker niet ongeremde, gradatie van autonomie. Van circa 1952 tot 1965 was er sprake van een grote mate van centraal geleide invloed over de marktactiviteiten van de arbeidersraden. Prijzen ontstonden niet slechts spontaan uit markthandel tussen producenten en consumenten, maar weerspiegelden de vermeende ‘sociale waarde’ die de centrale autoriteiten producten toedichten. Prijzen werden zodoende administratief vastgesteld op basis van onderhandelingen tussen producenten en politieke comités. De ‘winsten’ (officieel inkomen genoemd) van de firma’s werden grotendeels belast en vloeiden weg naar de politieke autoriteiten die de winsten via een federaal investeringsfonds verdeelden onder de republieken en bedrijven. De firma’s gingen zelden ten onder, en werden ondersteund met subsidies om additionele werkloosheid te voorkomen. Dit was natuurlijk een aparte spagaat waarin de Joegoslavische communisten zich bevonden. Enerzijds de efficiëntie van de markt willen aanwenden ten gunste van socialistische doeleinden om vervolgens de disciplinerende effecten van de markt buiten werking te stellen door royale overheidssteun te verlenen aan verliesdraaiende firma’s in dienst van diezelfde doeleinden. In andere socialistische landen, die waren gestoeld op het Sovjetmodel, ervoer men eenzelfde beperking op ‘marktprikkels’, zoals Dillingh ook vaststelt. Bedrijven waren notoir risicomijdend. Gemakzucht heerste onder managers, die hetzelfde wilden blijven produceren op de bekende manier, in plaats van zich aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen. Immers maakte het voor de managers niet uit of de producten daadwerkelijk werden afgenomen, omdat het verlies van omzet gecompenseerd werd met subsidies. Het leidde dus juist niet tot het nemen van “excessieve risico’s” zoals Dillingh elders weer stelt.

De arbeidersraden in Joegoslavië gaven arbeiders zeggenschap over investeringen en opbrengsten van hun bedrijven, maar niet zozeer over vraagstukken van politieke of macro-economische aard. Het mag dan ook niet verwonderlijk heten dat het perspectief van de arbeidersraden vernauwend werkte op arbeiders, aangezien zij vooral gericht waren op de bedrijfsinkomsten uitkeren aan zichzelf, in plaats van investeringen doen in het uitbreiden van productiecapaciteiten. Voor dat laatste gebruikten ze vooral publieke middelen uit de investeringsfondsen of externe financiën via kredietaanvragen. Vanwege het gebrek aan fiscale en financiële discipline werd krediet misbruikt door de arbeidersraden—immers werd terugbetaling vaak niet afgedwongen. Dit droeg eveneens bij aan de hoge inflatiedruk in het land.

Het achterliggende ziektebeeld van het model beperkt zich niet tot onverantwoord gebruik van (publieke) middelen door de ‘arbeidersfirma’s’. Het veroorzaakte ook een chronisch hoge werkloosheid vanwege overkapitalisatie van bedrijven. Wanneer de afname van een bepaald artikel door consumenten toenam, verkozen arbeidersraden dikwijls om het aanbod (in relatieve zin) in te perken, omdat toetreding tot de markt door concurrerende bedrijven nagenoeg niet plaatsvond, of door extra kapitaalgoederen aan te wenden (al dan niet door krediet hiervoor te misbruiken) in plaats van extra werknemers te rekruteren. Het uitbreiden van de activiteiten op basis van marktprikkels door extra werknemers aan te nemen zou immers betekenen dat het bedrijfsinkomen door meer hoofden gedeeld moet worden en er niets extra zou overblijven voor de bestaande werknemerspoel. 

De structurele tegenstellingen van het systeem van socialistisch zelfbestuur liepen dermate op dat de boeg omgegooid werd circa 1965. Het systeem onderging een liberaliserende hervormingsgolf, waarbij prijsafspraken en andere vormen van overheidsinterventie afgeschaft of teruggeschroefd werden. Dit was grotendeels een wens van de arbeidersraden zelf, die meer zeggenschap over het bedrijfsinkomen wilden uitoefenen om de arbeidsparticipatie en productiviteit te kunnen vergroten. Dus werd de belasting op ‘winst’ sterk verminderd van 60% naar 30%. Deze taks was grotendeels verantwoordelijk voor het opbrengen van middelen voor investeringen op federaal niveau. Met meer bedrijfsinkomen in het beheer van arbeidersraden liepen de investeringen terug, omdat een groter aandeel van het inkomen gebruikt kon worden om de lonen aan te vullen. Het gebrek aan investeringen werd vervolgens weer gecompenseerd met expansief fiscaal en monetair beleid, om andere bronnen van investeringsgeld aan te boren, hetgeen zorgde voor oplopende schulden en inflatie.

Dillingh maakt dan ook een ietwat verwonderlijke opmerking door onkritisch de conclusies van hedendaagse marktsocialisten te herhalen dat winsten nodig zijn omwille van de positieve winstprikkel, maar “er is geen reden waarom deze winsten uiteindelijk niet bij de werker terecht zouden komen”. De reden dat winsten niet vanzelfsprekend terug zouden moeten vloeien naar de arbeiders is dat het maatschappelijk onverantwoorde, kortzichtige keuzes in hand kan werken op basis van een nauw commercieel eigenbelang met maatschappelijk onwenselijke uitkomsten tot gevolg, zoals een hoge werkloosheidsgraad of een laag investeringsniveau ten koste van de toekomstige huishoudconsumptie.

Met andere woorden, het dilemma over de mate waarin centraal beheer en decentraal initiatief elkaar af moeten wisselen op een manier dat ze elkaar versterken in plaats van elkaar in de weg te zitten komt net zo goed voor in het marktsocialisme als bij een socialistische planeconomie. In de woorden van C.P. Chandrasekhar, een econoom verbonden aan de Communistische Partij van India (marxistisch):

(…) even if we postulate a socialist economy as a planned economy, until we have specified the precise categories of decisions that are centrally planned, the institutions that would make decentralised decisions, and the fall-out of central decisions for the operational functioning of lower units of command, we have not fully specified the system. We are also left with the problem that the extent and organisational form of decentralisation needs to be defined so as to avoid importing in full the instability and waste of capitalism. 2

De contradictie van marktsocialisme omvat nog enkele dilemma’s die zover ik weet nog niet zijn opgehelderd, bijvoorbeeld door het ‘corposyndicalisme’ van Varoufakis of Schweickart’s verdediging van marktsocialisme, waarnaar Dillingh verwijst. De inherente crisisneigingen van kapitaalaccumulatie hangen samen met de expansiedrift die besloten ligt in de structurele relatie van kapitaal. Volgens Schweickart ervaart het marktsocialisme niet eenzelfde soort expansieve tendens, omdat arbeiders minder snel nieuwe markten aanboren of meer marktaandeel willen opslokken omdat de additionele winsten die hierdoor verkregen worden in beginsel ook onder additionele arbeiders gedeeld moeten worden. Ditzelfde feit is echter verantwoordelijkheid voor de tendens van marktsocialisme tot een chronisch hoge werkloosheid. Enerzijds moet er dus veel aan gesleuteld worden om marktsocialisme te laten functioneren als een ‘gewone’ markt zonder perverse prikkels om de voordelen van marktwerking te kunnen benutten, en anderzijds zou het slagen van zulk sleutelwerk dezelfde crisistendensen opwekken als die we ervaren onder het kapitalisme. Zowel de voordelen van de markt kunnen aanwenden zonder de nadelen lijkt een haast onmogelijke opgave.

Dillingh’s eigen conclusie dat “als een grootschalige wereldeconomie zonder marktsysteem (nog niet) mogelijk lijkt, dan is het marktsocialisme een mooi alternatief voor het hier en nu” lijkt me dan ook enigszins voorbarig. Immers lijkt het dilemma over de precieze invulling van het soort horizontale verbanden die passend zijn binnen een bepaalde vorm van verticale integratie vrijwel onbeslist tussen marktwerking en planmatige afstemming. Marktsocialisme heeft hierin geen streepje voor op een planeconomie.

Vrijheid of geluk?

Elders in deze zomereditie van de Nederlandse Jacobin wordt het volgende citaat van libertair socialist Cornelius Castoriadis aangehaald, op basis waarvan we de discussie kunnen vervolgen: “Het doel van politiek is niet geluk, maar vrijheid.” Deze stelling raakt aan een cruciaal spanningsveld binnen het socialisme over de normatieve grondslagen waaruit onze idealen en standpunten voortvloeien. De recent overleden Alasdair MacIntyre bekritiseerde het Marxisme om het niet beschikken over eigen normatieve coördinaten waardoor het in de praktijk terugvalt op bestaande morele uitgangspunten en ethische denkkaders. Het ‘Stalinisme’ verweet hij de instrumentele effectiviteit van de moderniteit impliciet in dienst te stellen van ‘utilitarisme’, waarbij het individu van ondergeschikte waarde bleek. Een andere mogelijkheid is dat het socialisme zich liberale uitgangspunten zoals persoonlijke vrijheid, morele pluriformiteit en gelijkheid toe-eigent voor socialistische doeleinden—veelal met het argument dat we liberale waarden moeten bevrijden van de kapitalistische begrenzingen op het effectief belijden van die grondprincipes (vergelijk: de markt bevrijden van de kapitalisten). Echter rijst daarmee de pertinente vraag waartoe socialisme dient: vrijheid of geluk? En als vrijheid dan inderdaad het grootste goed is, zoals Castoriadis bepleit, waartoe dient deze vrijheid dan?

It is no use saying simply ‘Do as you want’, for at first sight we want many and conflicting things. We need a morality which orders our desires and yet expresses them.” 3

De vrije hand geven aan individuele behoeften zonder opvoeding van impulsen door de rede betekent een zekere mate van overgave aan kortzichtigheid en gemakzucht en het betreden van een hedonistische loopband. Het lijkt me zeer twijfelachtig dat de vrijheid voor mensen om  ongeremd hun basale driften uit te oefenen als nastrevenswaardig doel wordt gezien. Het cultiveren van passie en impulsen in dienst van de rede binnen sociale, opvoedkundige context in brede zin is voorwaardelijk voor het volmaken van menselijke potentie. Men moet de vele dingen die men wenst of in potentie wil ordenen, hetgeen alleen kan op basis van sociale kennis verworven door sociale interactie geordend door bepaalde structuren die in meer of mindere mate individuen in staat stelt toegang te krijgen tot sociale kennis. Het lijkt me dan dat vrijheid ‘an sich’ ondergeschikt is aan dit hogere doel van menselijke ontwikkeling. Het verkennen van dit vraagstuk kan licht scheppen op de kwestie hoe we de productie en distributie van goederen en middelen zouden moeten vormgeven in een socialistische maatschappelijke ordening.

Dit vraagstuk is relevant omdat het kleurt hoe en waartoe we vinden dat mensen zich tot elkaar moeten verhouden. De socialisatie van productiemiddelen bestaat enerzijds uit de nationalisatie van de technische middelen voor productie en natuurlijke hulpbronnen en anderzijds uit het ontwikkelen van bepaalde sociale verhoudingen en normen onder de metgezellen van een socialistische gemeenschap die aansluiten op het maatschappelijk verantwoorde beheer van publieke middelen, zo stelde de econoom Włodzimierz Brus (overigens net als Lange voor een tijd overheidsfunctionaris van de socialistische regering van Polen):

(…) a long road separates the nationalization of the means of production from their complete socialization, [by] the creation of what we often call a socialist attitude to work and social ownership 4

Een centrale gedachte achter de afschaffing van marktmechanismen voor de verdeling van middelen en het verdelen van welvaart en het vervangen hiervan door samenwerking via onderlinge afstemming in verenigingsverband is dat het een ander soort sociaal bewustzijn mogelijk maakt. Door mensen met elkaar te verweven binnen relaties van gedeelde verantwoordelijkheid en morele gelijkwaardigheid verbonden aan een overkoepelend, gemeenschappelijk project ontstaat er bij de individuele deelnemers een oriëntatie op, en sensitiviteit voor, het gemeenschappelijk goed. Door het vernauwende perspectief van commercieel eigenbelang te overstijgen wordt het dus mogelijk om een hoger maatschappelijk bewustzijn op te kweken in mensen, waarbij hun oriëntatie op het gemeenschappelijk goed direct ook de handvatten biedt voor het realiseren van hun eigen individuele goed.

Dit hangt samen met een specifiek soort mensbeeld, dat de mens beschouwt als een sociaal en rationeel soort wezen dat in staat is te leren via en door sociale relaties, door het weerspiegelen en modelleren van gedrag of door het risico van rationele feilbaarheid te beperken door collectieve kennisoverdracht. Alles wat men leert over het onderscheiden van goed en slecht in het realiseren van levensprojecten leert men in sociaal verband en binnen een bepaalde sociale context. Alleen binnen structuren waarin mensen open staan voor sociaal leren door middel van gezamenlijke reflectie op doelen en middelen ontstaan de voorwaarden om zodoende de kwaliteiten en karaktereigenschappen te verwerven die nodig zijn voor menselijke ontwikkeling in de zoektocht naar het goede in het leven.

Volgens MacIntyre’s Aristotelisme zijn mensen fysiek kwetsbaar als verweesd individu, en hebben we als sociaal wezen elkaar dus nodig als randvoorwaarde om te floreren. 5 Deze wederzijdse afhankelijkheid vanwege fysieke kwetsbaarheid, emotionele gebondenheid, en rationele feilbaarheid maakt dat mensen elkaar nodig hebben om elkaars beperkingen aan te kunnen vullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat we elkaar in gemeenschapszin ontmoeten als vrije individuen van gelijke status, om effectief te kunnen reflecteren over de gedeelde doelen die gezamenlijke ontwikkeling mogelijk maakt en de middelen die daar gestalte aan kunnen geven. Door als morele gelijken met elkaar te kunnen overleggen wat het gedeelde goed is wat ons aan elkaar bindt, door onze eigen keuzes te weerspiegelen in sociaal verband, begrip te verwerven over mogelijkheden voor het realiseren van bepaalde levensdoelen, toegang te verkrijgen tot collectieve menselijke kennis, en door morele keuzes voor te leggen binnen gemeenschappen die gebonden zijn aan een gedeelde zoektocht op gelijkwaardige basis, wordt het mogelijk om de juiste, deugdelijke eigenschappen van solidariteit, integriteit, eerlijkheid, doorzettingsvermogen, redenatievermogen, enzovoorts, te cultiveren die op diens beurt het floreren van mensen als mens faciliteren. Deze individuele ontwikkeling is een gedeeld goed voor de gemeenschap, omdat het de ontwikkeling van andere individuen mogelijk maakt:

“(…) de vrije ontwikkeling van ieder [is] de voorwaarde voor de vrije ontwikkeling van allen (…).” 6

Het is dus door middel van gelijkwaardige samenwerkingsverbanden rondom gemeenschappelijke doelstellingen dat menselijke ontwikkeling volwaardig tot haar recht kan komen. Het socialisme zou daarom als doel moeten dienen om de maatschappelijke structuren te scheppen waardoor men een sensitiviteit ontwikkelt voor de onderlinge banden die hen binden aan het gemeenschappelijke goed, zodat ze zich kunnen identificeren met het overstijgende maatschappelijke belang in tegenstelling tot de horizonsvernauwende effecten van commercieel eigenbelang.

Het ultieme doel van socialisme is daarom, of zou moeten zijn, de volwaardige menselijke ontwikkeling van individuen door middel van gemeenschapsbanden van moreel gelijkwaardige en vrije individuen—oftewel geluk van een specifiek soort (eudaimonia, gezegend welzijn) en niet vrijheid als zodanig. Persoonlijke vrijheid is absoluut noodzakelijk om de omstandigheden te scheppen waarin mensen tot bloei kunnen komen, maar het is op zichzelf onvoldoende voor menselijke ontwikkeling, en dus ondergeschikt aan, en instrumenteel in relatie tot, dit hogere doel.

Deze redenatie heeft vanzelfsprekend gevolgen voor het soort maatschappelijke verhouding in brede zin en de productieverhoudingen in specifieke zin die men zou moeten nastreven. Hoe ontmoeten producenten verspreid over verschillende werkplekken elkaar binnen distributieketens en afzetgebieden? Als deelgenoten van een gemeenschappelijk project om de samenleving te voorzien van bepaalde nuttige artikelen waarbij het succes van de één het succes van de ander versterkt en waarmee een publiek belang gediend wordt? Of als concurrenten die op basis van tegengesteld eigenbelang de strijd aanbidden met elkaar op het slagveld van de markt, en daarmee afgesneden worden van hun gemeenschappelijke status als burgers van een vrije politieke gemeenschap? De commercie van marktwerking wringt dus inherent met het soort mensbeeld dat besloten zou moeten liggen in de normatieve grondslagen van het socialisme.

Het inbedden van productie in verenigingsverband binnen structuren van onderlinge associatie op basis van rationele criteria (bezien vanuit een maatschappelijk perspectief) zou ervoor moeten zorgen dat lokale producenten doordrongen worden van de langdurige maatschappelijke consequenties van hun handelen, in tegenstelling tot winsthonger op korte termijn binnen structuren van de kortzichtige commercie. Het uiteindelijke doel is hierbij dat individuen als dragers van een gelijkwaardige morele en sociale status in uiteenlopende sociale rollen deelnemen aan het gemeenschappelijk goed van overlappende en in elkaar doorwerkende gemeenschappen—zoals gezinsgemeenschappen, opvoedgemeenschappen, leergemeenschappen, productiegemeenschappen, woongemeenschappen, enzovoort. Het realiseren van het gemeenschappelijke goed van deze lokale gemeenschappen draagt bij aan het overstijgende gemeenschappelijke goed op het niveau van de directe wederzijdse relaties die bestaan tussen deze gemeenschappen, hetgeen op diens beurt weer bijdraagt aan het gemeenschappelijk goed van de samenleving als geheel als het hoogste goed. Vanuit deze sociale rollen vervullen individuen dus een bijdrage aan het overkoepelende goed van hun politieke gemeenschap, hetgeen effectief alleen mogelijk is wanneer (a) iedere deelgemeenschap hun gemeenschappelijke goed koestert en wanneer deze verzameling gemeenschappelijke goederen in hiërarchische verhouding staan tot het algemene goed van de gemeenschap als geheel; en (b) de relaties tussen gemeenschappen bepaald worden door principes van transparantie, vrij verkeer van kennis, samenwerking, wederzijds vertrouwen en niet die van deelbelangen en deelkennis. Het ultieme gemeenschappelijke goed groeit dus uit wederzijds dialoog op basis van relationele gelijkheid.

Normatieve ‘planwerking’

Een planningsmechanisme waarin horizontale samenwerking en verticale integratie elkaar versterken dient dus het hoogste doel van brede en volwaardige menselijke ontwikkeling. Dit verheldert niet onmiddellijk of het ook technisch en praktisch haalbaar is om een socialistisch planeconomie in te voeren die dit mogelijk maakt—en hoe we mensen zo gek kunnen krijgen deelgenoten te worden van zo’n experiment. Het verdwijnen van het socialistisch blok in de vorige eeuw wekt weinig vertrouwen in de mogelijkheden hiertoe en de haalbaarheid hiervan. Hier volgt dus enige indicatie in welke richting de oplossing voor het ‘planningsprobleem’ gezocht zou moeten worden. Een centraal geleide planeconomie, via imperatieve of directieve planning zoals in het Sovjetmodel—waarbij productie volledig afhankelijk is van gedetailleerde instructies die via een bevelstructuur vanaf boven verzonden worden—biedt geen ruimte biedt voor lokaal initiatief, noch voor directe verantwoordelijkheid en participatie van onderop, noch voor horizontale samenwerking om een convergentie van belangen te bewerkstelligen. Anderzijds maakt indicatieve planning, zoals in Frankrijks dirigisme, niet genoeg centrale sturing over decentrale activiteiten mogelijk om effectief maatschappelijk wenselijke resultaten te genereren. De oplossing dient zich volgens mij dan ook aan in de vorm van een normatieve planeconomie (een cybernetische herinterpretatie van David Laibman’s multilevel programmering, overigens).

In een normatieve planeconomie worden er op centraal niveau normen opgesteld die het maatschappelijk verantwoord gebruik van publieke middelen meetbaar maken, waarbij producenten binnen de parameters van die normen zelfstandig hun activiteiten kunnen ontplooien. Hiermee kan in theorie een goede balans bereikt worden tussen centrale sturing op basis van politieke en maatschappelijke prioriteiten zoals macro-economische stabiliteit enerzijds en lokaal initiatief om de contextuele kennis van producenten te integreren in de structuur van de economie anderzijds. In een normatieve planeconomie stellen productieverenigingen een eigen productieschema vast op basis van de productienormen, waarin een combinatie van inputs staat tegenover een bepaalde hoeveelheid output, die ze indienen bij het centraal planbureau. Op basis van deze informatie verkrijgt het planbureau, naast informatie over trends, inzage in hoe nuttig of productief producenten gebruik denken te kunnen gaan maken van productiemiddelen voor een bepaalde periode, op basis waarvan de middelen efficiënt onderverdeeld kunnen worden.

Bij het opstellen van productienormen kunnen we denken aan een norm van productiviteit of een ‘emulatienorm’, die een industrie-benchmark vaststelt op basis van gemiddelden over het verbruik van energie, materialen, apparatuur, en andere inputs in het productieproces relatief aan de output. Dit geeft aan hoeveel het de maatschappij kost en wat de maatschappij opgeeft om een bepaalde output te realiseren en hoeveel dit de samenleving oplevert. Als het productieschema van een individuele productievereniging een relatief beter voorstel is in vergelijking met de benchmark, dan krijgen ze de productiemiddelen toegewezen. En wanneer een vereniging een bepaald ‘bod’ doet om middelen te gebruiken maar de toegevoegde waarde hiervan onder de benchmark ligt, dan zal het niet het gebruiksrecht over die middelen verkrijgen omdat dit de samenleving meer zou kosten dan dat het oplevert.

Om te voorkomen dat producenten onrealistische plannen indienen bij het planbureau om meer of betere middelen te verkrijgen, is er een additionele norm nodig, de evenwichtsnorm. Dit houdt in dat producenten de uitvoer zoals opgenomen in hun productieschema ook daadwerkelijk kwijtraken aan consumenten—het aanbod moet evenwichtig aansluiten op de vraag—zodat de samenleving niet onnodig productiemiddelen inzet om goederen te maken waarvoor geen vraag bestaat.

De geactualiseerde resultaten (‘proceswaarden’) van producenten kunnen op basis van een uniform informatiesysteem vergeleken worden met de ‘set-point’ (‘doelwaarde’) uit de voorgestelde productieschema’s zodat het planbureau kan volgen in welke mate producenten hun plan ook daadwerkelijk in de praktijk brengen. Op basis hiervan verdienen productieverenigingen een successcore, waar eventueel een bonus aan gekoppeld kan worden wanneer alleen een moreel appel op maatschappelijke verantwoordelijkheid nog onvoldoende effectief blijkt.

Het voordeel van het gebruik maken van een normatief plankader is dat de succesindicatoren centraal vastgesteld worden op basis van sociale en politieke prioriteiten rondom het algemeen belang. Wanneer de activiteiten van producenten gestructureerd worden rondom deze maatstaven vormt de ordening van productie en distributie zich dus naar de maatschappelijk wenselijke doeleinden van de politieke gemeenschap. Deze indicatoren van maatschappelijk verantwoord gebruik van middelen vormen dus de oriëntatie van de producenten, hetgeen moet zorgen dat ze sensitief worden voor het grotere belang waar ze deel vanuit maken. Het voordeel van de evenwichtsnorm is dat verschillende productieverenigingen in dezelfde industrie moeten samenwerken door betrouwbare informatie onderling en met het planbureau te delen om af te stemmen hoeveel ze ieder moeten produceren om vraag en aanbod op elkaar te laten aansluiten. Dit is in tegenstelling tot marktsocialisme en kapitalisme, waarbij producenten productie kunnen beperken in proportie tot hun marktmacht om hun winsten te vergroten. Samenwerking in een normatieve planeconomie is derhalve een middel tot een betere successcore. Zonder directe, centrale interventie zorgt een dergelijk parametrisch kader ervoor dat producenten elkaar treffen als bondgenoten die de publieke zaak direct dienen met hun activiteiten en resultaten.

Uiteraard zijn er meer dan een paar paragrafen aan ruwe schetsen nodig om een complex probleem van deze omvang te behandelen. “Modellen zijn er genoeg”, merkt Dillingh op, “waar het nog aan ontbreekt is een georganiseerde massa werkers die het marktsocialisme af gaat dwingen”. Daarin heeft hij uiteraard gelijk. Dit schaft tevens voldoende tijd om onze opties goed af te wegen. De kern van mijn betoog is het volgende voorstel: maak gebruik van deze tijd en laat het marktsocialisme voorlopig links liggen om in eerste instantie de opties voor een normatieve planeconomie verder te verkennen.

Bronnen
  • Dillingh, Savriël (2025). Een Markt Bevrijd van Kapitalisten: Marktsocialisme in de Twintigste en Eenentwintigste Eeuw. Uit Jacobin NL nr. 03, zomer 2025.
  • Knight, Kelvin. (1998). The MacIntyre Reader. University of Notre Dame Press.
  • MacIntyre, Alasdair (1999). Dependent Rational Animals: Why Human Beings Need the Virtues. Open Court Publishing
  • Platenkamp, Tim (2025). The Constitution of Socialism: A World without Capital. Brill
  • Shaikh, Anwar (2016). Capitalism Competition, Conflict, Crises. Oxford University Press.

  1. Daarbij kiest hij voor een ietwat bijzonder ingangspunt, refererende aan het model van Oskar Lange dat de misleidende naam van “marktsocialisme” draagt. In werkelijkheid betreft het een planmechanisme waarbij een centraal planbureau de verdeling van middelen stuurt op basis van een gesimuleerde ‘schaduwmarkt’. Dillingh eigent zichzelf, overeenstemmig met het themanummer, ogenschijnlijk wat dichterlijke vrijheid toe. Zo wordt Lange ideeën toegedicht in theoretisch-filosofische termen van ‘vrijheidsidealen’ die mij vreemd klinken, waar ik toch enigszins bekend ben met zijn belangrijkste werken; verder was er in tegenstelling tot wat Dillingh stelt geen systeem van arbeiderszelfbestuur in Hongarije (mogelijk ontstaan door verwarring met de Hongaarse Opstand van 1956 en de hervormingen van 1968); en kan ik geen bron achterhalen waaruit blijkt dat Stalin het Lange-model afwees als ideologische dwaling—het werd vooral genegeerd door de Sovjetautoriteiten.
  2. Geciteerd in Platenkamp, The Constitution of Socialism: A World without Capital (2025), 154
  3. The MacIntyre Reader (1998), 42
  4. Geciteerd in Platenkamp, The Constitution of Socialism: A World without Capital (2025), 153
  5. Zie zijn boek Dependent Rational Animals (1999)
  6. Uit het Communistisch Manifest

Auteur

  • Tim Platenkamp is politiek theoreticus en auteur van The Constitution of Socialism (2025), zijn boek verschijnt in 2026 ook in paperback editie bij Haymarket Books.

    View all posts