Meyers paradox: een boekbespreking van ‘De onmisbaren’
Meyers paradox: een boekbespreking van ‘De onmisbaren’

Meyers paradox: een boekbespreking van ‘De onmisbaren’

In dit artikel bespreekt Mark Wachet het boek De onmisbaren van Ron Meyer. Wachet bekijkt Meyers blik op de arbeidersklasse en analyseert welke perspectieven Meyer biedt voor de arbeidersbeweging.

Ron Meyer bracht in juni 2021 het boek De onmisbaren: Een ode aan mijn sociale klasse uit. Meyer is projectleider bij vakbond Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) en bovendien fractievoorzitter van de Socialistische Partij (SP) in Heerlen. Hij was vanaf  november 2015 tot eind 2019 partijvoorzitter van de SP en is een prominente verschijning in de linkerflank van de Nederlandse politiek. De term ‘onmisbaren’, waar Meyers boek naar is vernoemd, is sinds de aanvang van de coronacrisis gangbaar geworden in ons dagelijks taalgebruik. Het verwijst naar die beroepen die zo essentieel zijn voor het functioneren van onze samenleving dat we er niet zonder kunnen. In zijn boek probeert Meyer de levens van de onmisbaren te beschrijven en te duiden. (Of in elk geval: een deel van die onmisbaren. Waarover later meer.) 

De FNV organiseerde in september 2021 zelfs een heuse Dag voor de Onmisbaren. Linkse partijen en vakbonden pleitten daar voor een minimumloon van minimaal 14 euro, “minder werkdruk en minder onzekerheid” en een standbeeld ter ere van de onmisbare beroepen. In combinatie met de wijdverspreide media-aandacht voor het boek leek het me daarom interessant om het boek eens nader onder de loep te nemen. 1 

Meyers boekje telt zo’n 130 pagina’s. Het bestaat vooral uit een verzameling van compacte anekdotes over de levens van onmisbaren uit zijn omgeving, te weten het zuidoosten van Limburg. Hij vult de anekdotes aan met een denkbeeldige dialoog met zijn ouders over de staat van het land. Zijn vader is koelmonteur, zijn moeder is hulp in de thuiszorg. De gesprekken schetsen niet alleen de misère waarin veel onmisbaren onder gebukt gaan, maar worden bovendien aangegrepen om aan te kaarten welke oplossingen Meyer voor het klassenverschil in ons land ziet. 

Af en toe wisselt hij zijn klaagzang over de Nederlandse politiek af met sfeervolle stukjes over heuvellandschappen en smalle bospaden in Limburg, of bijvoorbeeld over de kolkende, uitzinnige sfeer bij de oprichting van het zogenaamde schoonmakersparlement. Dat zijn fraaie, beeldende stukken, die het gemakkelijk maken voor de gemiddelde lezer om zich in te leven in Meyers belevingswereld. Bovendien heeft Meyer duidelijk zijn best gedaan om te schrijven in toegankelijke taal. Dat siert hem – op deze site levert dat men dat nog wel eens problemen op – en vaak lukt het hem goed. Het draagt in elk geval bij aan de laagdrempeligheid van dit boek. Dat is op zich positief. 

Soms slaat het iets door en doet zijn schrijfstijl kinderlijk aan, bijvoorbeeld als Donald Trump in één hoofdstuk consequent ‘vastgoedmonster’ wordt genoemd en Twitter tot ‘dataduivel’ wordt bestempeld. De vorm en stijl van het boek zijn voor de doeleinden van deze bespreking niet relevant. Ze zullen bij de rest van de bespreking daarom achterwege worden gelaten. Ik zal vooral ingaan op de anekdotes uit het boek en de politieke consequenties die Meyer daaruit trekt. Kan Meyers ode aan de onmisbaren richtinggevend zijn voor ons socialisten?

Onzichtbaarheid

In de proloog van het boek rekent Meyer af met iets wat hij de Dutch dream noemt. De Dutch dream is in navolging van de bekende term American dream, het idee dat als je hard genoeg je best doet, het bijbehorende succes en topinkomen vanzelf volgt. Meritocratie dus. Als je technisch gezien dezelfde kansen hebt om jezelf te ontwikkelen, dan zijn verschillen tussen mensen gemakkelijk te rechtvaardigen. Als je te weinig verdient, moet je harder werken. Dit idee is diep verankerd in onze samenleving, denkt Meyer. 

De onmisbaren zijn volgens Meyer echter van werkelijk belang. Dat zijn zij die volgens de regering een cruciaal beroep uitoefenen: schoonmakers, vuilnisophalers, zorgverleners.  Door de illusie van het bestaan van de Dutch dream worden de onmisbaren “bespot en bespuugd” en “vergeten en genegeerd” door de heersende macht. Ze hebben simpelweg niet hard genoeg hun best gedaan, luidt de meritocratische redenering. Aan de talkshowtafel komt deze klasse bovendien niet voorbij, omdat het bestaan van sociale klassen door het meritocratische idee is vergeten. Maar Meyer is wel op de hoogte. Hij trapt het eerste hoofdstuk af met een persoonlijke anekdote over de financiële situatie van zijn ouders. Zo leert hij op jonge leeftijd dat sociale ongelijkheid bestaat. Hoe leert hij dat? Door de dreiging dat hij en zijn ouders uit huis worden gezet, omdat zij de stroomrekening niet kunnen betalen. Sociale ongelijkheid leidt tot een onwaardig bestaan, tot een lagere levensverwachting, een grotere kans om op de intensive care te belanden met COVID-19, et cetera. Dat is de schuld van de heersende klasse – voor wie alles een “spel of strategie” is. Dat geldt in tegenstelling tot de onmisbaren, waarvoor “permanent alles op het spel” staat en voor wie het altijd crisis is.

We lezen in het tweede hoofdstuk dat de onzichtbaarheid van de onmisbaren de voornaamste oorzaak van de maatschappelijke ongelijkheid is. Ze doen hard genoeg hun best, maar blijven toch ongezien. Waarom moet de schoonmaker van de sportschool eigenlijk zo onmenselijk vroeg komen opdraven om haar werk te doen? Omdat degenen die over haar beslissen haar niet zien en ook niet willen zien. Zo plaatst Meyer de onzichtbare arbeider (in de graafmachine, bij de groenvoorziening, of achter het stuur in de bus) tegenover de zichtbare thuiswerker (achter zijn laptop, in een verwarmde kamer, met thuiswerkbonus). De onmisbare verdient zichtbaarheid en vrijheid. Bovenal definieert Meyer vrijheid als een gebrek aan financiële zorgen: eindelijk losgebroken van de “cyclus van het permanent terugkerende gat aan het einde van de maand”. 

Applaus voor de onmisbaren door de machthebbers – hypocriete en huichelachtige ministers, directeuren en commissarissen – is niet voldoende. De oplossing is een fatsoenlijke beloning en een zeker contract. Niet klappen, maar lappen. Omdat die beloning uitblijft, is het “oude systeem” van belonen onhoudbaar. Het is niet helemaal duidelijk wat het alternatief is, maar in elk geval moeten de lonen omhoog. Daarvoor is een strijd nodig. 

Wat is klasse?

“Klasse is terug”, zegt Meyer tegen zijn vader. Klasse is overal, het definieert onder andere hoe we lezen, werken, wonen, eten en denken. Maar wat is sociale klasse dan? Meyer doet een aanzet in het zevende hoofdstuk, maar komt nergens tot een afgebakende definitie. Hij wijst vooral op de gevolgen van de klassenverschillen, maar bakent dat begrip niet concreet af. Dat geldt ook voor gebruik van het begrip onmisbaren. Er wordt wel verwezen naar de lijst van de overheid met cruciale beroepsgroepen: die groep werkenden die ervoor hebben gezorgd dat de samenleving bleef draaien tijdens de coronacrisis.  2

Door de verwijzing naar de officiële lijst met cruciale beroepen valt het op dat Meyer selectief winkelt in dit rijtje. Zo worden ambtenaren op de officiële lijst ook als cruciaal aangemerkt, omdat ze voorzien in noodzakelijke overheidsprocessen zoals het betalen van uitkeringen. Voor hen wordt in dit boek echter geen lans gebroken. Zijn de groepen die Meyer niet noemt dan eigenlijk niet cruciaal, niet onmisbaar? Of kent Meyer geen ambtenaren? Hij noemt voornamelijk arbeiders in praktisch opgeleide beroepen, waarbij schoonmakers en zorgpersoneel bij uitstek als voorbeeld worden aangehaald. Dat is misschien niet vreemd, omdat het waarschijnlijker is dat de gemiddelde schoonmaker moeite heeft om de eindjes aan elkaar te knopen dan de gemiddelde ambtenaar. Maar gaat een klassenanalyse, waar Meyer toch de mond vol van heeft, over de vraag of iemand aan het einde van de maand gemakkelijk kan rondkomen? Gaat een klassenanalyse over de vraag hoe schrijnend de omstandigheden zijn waarin iemand leeft?

Of iemand onmisbaar is of niet lijkt zo vooral een gevoelskwestie te zijn. Werk dat traditioneel gezien als ‘proletarisch’ wordt gezien, daar zijn de onmisbaren te vinden, lijkt het. Naderhand moet je spierpijn hebben of vies zijn geworden. Hoe miserabeler de arbeidsomstandigheden, hoe onmisbaarder men is. Dat kan doorslaan in een soort kritiekloze verheerlijking van mensen die zwaar lichamelijk werk doen. Begrijp me niet verkeerd: de genoemde mensen leveren een waardevolle en zelfs essentiële bijdrage aan onze maatschappij. Natuurlijk hebben we ze nodig, natuurlijk zijn ze achtergesteld. Als socialist vind ik ook dat zij zo snel als mogelijk een hoger minimumloon, kortere werktijden en veiligere werkomstandigheden (et cetera) verdienen. 

De vraag is echter wel: wat schieten we als socialisten op met een verdere opdeling van de arbeidersklasse, op basis van een primitief idee over de groep die we moeten organiseren? De arbeidersklasse wordt in socialistische kringen traditioneel gezien als zij die afhankelijk zijn van het loonfonds. Deze groep bestaat voor het grootste deel uit de mensen die hun arbeidskracht moeten verkopen tegen loon om in hun levensbehoeften te kunnen voorzien.3 Is een ambtenaar die onder waardeloze arbeidsvoorwaarden zijn werk moet doen minder strijdgenoot dan een putjesschepper? Met andere woorden: wat is precies het nut van het opdelen van de gigantische groep arbeiders in ‘hardwerkende onmisbaren’ aan de ene kant en ‘luie thuiswerkers’ aan de andere kant?

Socialisme gaat bovendien niet om het organiseren van de meest zielige groep mensen. De variant van linkse politiek die in dit boek wordt aangeprezen lijkt bijna op een vorm van identiteitspolitiek, waarbij de sociale identiteit ‘onmisbare’ (voor zover Meyer vindt dat je onmisbaar bent) het uitgangspunt is voor de te voeren politiek. Meyers betoog doet op deze manier in de verte denken aan de beginjaren van de SP, waarover het verhaal gaat dat kaderleden door de partij werden verplicht om in de fabriek te werken zodat ze werkelijk konden begrijpen wat het is om een echte arbeider te zijn. Alsof je zo van een pure bron van kennis kan drinken en dan pas werkelijk kan begrijpen hoe de wereld in elkaar zit. Het heeft iets betuttelends en het speelt in op een gemakkelijk, anti-intellectualistisch sentiment. Je bent pas werkelijk met de klassenstrijd bezig als je je bezig houdt met het specifieke groepje arbeiders waar Meyer een lans voor breekt en niet als je enkel met je neus in de boeken zit.

Is Ron onmisbaar?

Meyers schets van de levens van de onmisbaren doet soms aan als een karikatuur. Het is de vraag wat we opschieten met een kritiekloze ophemeling van deze groep. Natuurlijk helpt het als het grote publiek inzicht krijgt in de omstandigheden van de mensen die onder miserabele omstandigheden hun werk moeten doen. Bovendien wekken Meyers karakterschetsen sympathie op voor de levens van de mensen waarover hij vertelt. Maar hij schiet daarin soms te ver door. De levens van de onmisbaren zijn in permanente crisis en eindigen in een vroegtijdige dood. Bovendien zijn het mensen die van nature solidair zijn, gelooft hij. “Want als je niet veel hebt, dan deel je toch zeker wat je wel hebt”. Het zijn mensen waar je altijd op kan rekenen, die zonder klagen doorploeteren door weer en wind, en nooit vergeten waar ze vandaan komen.

De onmisbaren vinden dat er economische verandering moet plaatsvinden. Er bestaat in die groep een soort natuurlijk klassenbewustzijn, lijkt het. (Helaas hebben we dat in de laatste jaren nog niet teruggezien in electorale successen voor links, of in groei voor de vakbeweging.) Toch plaatst Meyer die stellige overtuiging, die volgens hem van nature bestaat bij de onmisbaren, tegenover zijn eigen ‘complexe verbeter-de-wereldmoraal’, waar hij denigrerend over schrijft. Een moraal die volgens hem uit een luxepositie voortkomt. Hoe de wereld in elkaar zit leer je namelijk niet uit een boek, maar uit de praktijk. 

Hoogopgeleide, “doorgaans moeilijk kijkende types”, die volgens hem vooral bezig zijn met het lezen van de krant, krijgen in het boek daarom de zwaarste klappen van Meyer te verduren. Zij hebben namelijk besloten dat sociaaleconomische thema’s niet meer belangrijk zijn en zijn zo eindverantwoordelijk voor de problemen van de onmisbaren. Aan de ene kant ligt de eindverantwoordelijkheid van het gebrek aan erkenning dus bij de hoogopgeleide elite. Aan de andere kant verwijst Meyer in het boek eindeloos naar rapporten, onderzoeken en uitspraken van diezelfde elite om zijn persoonlijke anekdotes met bewijs te staven. 

Het is ook maar de vraag of Meyer zelf tot de onmisbaren behoort. Meyer worstelt aanvankelijk in elk geval met zijn eigen plek. Behoort hij nu tot de elite, of mag hij schaamteloos meebrullen bij een voetbalwedstrijd? Meyer volgde een academische opleiding fiscaal recht, genoot onderwijs aan de John F. Kennedy School of Government van de Harvard-universiteit en heeft hoge functies bekleed bij de SP en vakbond FNV. Verderop in het boek is hij meer vastbesloten over zijn eigen plek, als hij noemt dat “onze klasse” wordt gemarginaliseerd. Hij ploetert niet in de modder en hoeft geen sportschool schoon te maken, maar noemt zich wel één van hen. In de volksbuurt voelt hij zich thuis. 

Hij wil pas onderdeel uitmaken van de professionele klasse, zoals zijn vrienden die enkel in managementtaal praten, als die professionele klasse de poorten open zet voor de rest. Dat is een zin die je aan het denken zet. Bovenal lijkt Meyer namelijk erkenning te willen van instituten waar hij tegelijkertijd op neer lijkt te kijken, erkenning van een elite die hij fundamenteel lijkt te wantrouwen. Een elite die verantwoordelijkheid neemt, daar zou hij zelfs fan van kunnen worden, schrijft hij. In grote stukken van het boek neemt hij daarmee daadkracht weg van zijn onmisbaren en maakt hij zich afhankelijk van de maatschappelijke elite waar hij zo’n hekel aan heeft.

Bedelen om erkenning

Het boek eindigt met een persoonlijk pleidooi aan een rijke vriend van hem die sceptisch is over Meyers activisme. Meyer wil hem laten zien en voelen hoe het is om arm te zijn, omdat hij zeker weet dat de rijke vriend dan aan ‘onze’ kant zal staan. Tegelijkertijd gelooft Meyer dat instituten juist niet van binnenuit te veranderen zijn. De onmisbaren moeten zich organiseren om te rammelen aan de poorten van de macht. Niemand moet meer om hun belangen heen kunnen. 

Zo kennen we Meyer, als activistische SP-partijvoorzitter en als vakbondsbestuurder. Bij zijn kandidaatstelling voor het partijvoorzitterschap van de SP schreef hij al dat de kiem van maatschappelijke verandering niet in de gemeenteraden kan worden gelegd. 4  Op deze site was Rogier Specht daarom aanvankelijk redelijk optimistisch over de kandidatuur van Meyer, mede omdat hij bij de FNV grote buitenparlementaire acties heeft geleid die waren gebaseerd op de arbeidersbeweging. 5 Voorwaarde was wel dat hij zou strijden tegen coalitiepolitiek en het poldermodel. Dat was geen onvoorwaardelijk succes. Critici, ook op deze website, verweten Meyer naderhand dat actievoeren in de SP onder zijn bewind een dogma bleef. Actie voeren om het actie voeren, actie als manier om leden binnen te hengelen voor de partij, zonder heldere strategie of visie op de verwezenlijking van een socialistische maatschappij. 

De vorm en inhoud van een georganiseerde tegenmacht wordt, naast wat heroïsche kreten, ook in dit boek niet uitgewerkt. We moeten het stuur omgooien, betoogt Meyer. De auto pontificaal tegen de Tesla van de elite parkeren. Zelfs het gerucht dat de onmisbaren onderweg zijn zal voldoende zijn om de rode loper uitgerold te krijgen. Meyer blijkt geen geniaal cartograaf, want welke route we moeten lopen om tegenmacht te organiseren is volstrekt onduidelijk. Laat staan welke schoenen we het beste kunnen dragen. In het laatste hoofdstuk van het boek lijkt hij, niet geheel verrassend, te hinten dat de SP de plek is om deze tegenmacht te verwezenlijken. Maar daarover later meer.

Als laatste voorbeeld in het boek noemt Meyer de moedige vakkenvuller Soufian, die op een aandeelhoudersvergadering van Ahold een aanvallende speech houdt over de onrechtvaardigheid van het jeugdloon. Dat voorbeeld is exemplarisch voor de val waarin Meyer trapt. Met het salaris dat Soufian verdient zou Soufian honderden jaren moeten werken om één jaarsalaris van een Ahold-bestuurder bij elkaar te verdienen, zo betoogt hij. De bestuurders van Ahold voelen zich zichtbaar ongemakkelijk, maar pareren het genoemde voorbeeld zonder veel moeite. De opmerking hoort thuis op de onderhandelingstafel van de cao’s, niet op de aandeelhoudersvergadering. 

Wat is Meyers conclusie over dit voorval? Één vakkenvuller kan de ‘goliaths van het Grote Geld in verlegenheid brengen’. Wat krijgen één miljoen vakkenvullers dan niet voor elkaar? Dat is heldhaftige retoriek, een kreet zonder tactiek of strategie. Gelijk aan de eis van een standbeeld voor de onmisbaren en de speech van Soufian op de aandeelhoudersvergadering is het enkel tijdelijke zichtbaarheid, eventueel tijdelijk ongemak, zonder permanente organisatie. Een kort artikel in de krant of tien minuutjes mogen spreken op tv is dan voldoende resultaat. Wie is dan eigenlijk de doelgroep van dit boek? Wellicht dezelfde elite waar Meyer kritisch op is, ook omdat Meyer voor het boek is aangeschoven voor interviews bij media als De Groene Amsterdammer en Buitenhof. Mensen die de gelegenheid hebben om een boek te kopen dat in een kwaliteitskrant is aangeprezen, precies de mensen waar Meyer laatdunkend over schrijft. 

Intuïtief spreken Meyers kreten aan, komen ze binnen, maar er schuilt geen uitgekookte politieke strategie achter. Of misschien is die strategie er wel, maar hoeven wij dat niet te weten. Het is voldoende dat we boos worden om de omstandigheden van de onmisbaren. Het is niet dat ik denk dat Meyer geen enkele organisatorische vaardigheden heeft. Dat mag je in elk geval wel verwachten na een Harvard-cursus organising, het partijvoorzitterschap van een partij met duizenden leden en tientallen medewerkers en het bestuurderschap en campagneleiderschap bij een vakbond. Toch is er in het boek geen concreet plan te vinden om aan de slag te gaan. 

De uiteindelijke conclusie van het boek is een pleidooi voor een concept genaamd heem. Daarin pleit Meyer voor sterke gemeenschappen, tegen de zogenaamde individualistische ‘’zoek-het-zelf-maar-uitpolitiek’’. Waar je op zolder kan horen wanneer er in de huiskamer ellende is, want dan kan er geen toeslagenschandaal plaatsvinden. Het blijft onduidelijk welke politieke conclusies men daaruit moet trekken: moeten we decentraliseren? Moeten we in ieder dorp een loket van de overheid hebben? Moeten de onmisbaren de macht in handen krijgen? Menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid en solidariteit zijn in elk geval de gewenste richting van de samenleving, zo stelt Meyer. Dat lijstje kernwaarden vormt een ankerpunt voor wat we moeten doen. Het lijstje komt ons bekend voor, het zijn ook de kernwaarden van de SP. Waarden die op zichzelf niet veel zeggen en op vele manieren te interpreteren zijn. Ze blijven zo vaag en algemeen dat je er moeilijk tegen kan zijn.

Ook hier wordt niet duidelijk hoe we deze waarden moeten verwezenlijken, of langs welke maatstaf we de maatschappelijke omstandigheden kunnen houden om te kijken of we heem (of waardigheid, gelijkwaardigheid en solidariteit) hebben verwezenlijkt. Misschien is hard roepen om erkenning wel het enige wat we kunnen doen. Dat is uiteindelijk de paradox waaruit Meyer niet weet te ontsnappen: we moeten om erkenning bedelen van de instituten die ons structureel in de steek laten. Instituten die niet zijn ontworpen om de samenleving structureel te veranderen. Dat is geen beginpunt van een verbetering van de omstandigheden waaronder zoveel mensen in onze samenleving lijden. Het staat bovendien een onafhankelijke organisatie van de hele arbeidersklasse in de weg. 

Het boekje is zo vooral een oproep tot een relatief apolitieke morele verontwaardiging. Die morele verontwaardiging, dat is waar Meyer telkens op terugvalt. Hebben de miljardairs alle empathie verloren, vraagt hij zich tegen het einde van het boek af. Hadden deze rijken misschien geen moeder “toen ze nog een klein kwalletje waren”? 

Mensen moeten in het hart geraakt worden, zo schreef Meyer al toen hij zich kandideerde voor het voorzitterschap van de SP. Dan zullen die mensen kiezen voor sociale veranderingen en worden onze ideeën dominant. Dat is Meyer in zijn tijd als SP-partijvoorzitter niet gelukt. De SP verloor in die tijd zo’n 5000 leden, verloor de helft van het aantal zetels in de Provinciale Staten en de Eerste Kamer en verdween zelfs volledig uit het Europese Parlement. Meyers morele verontwaardiging over de staat van het land was toen niet voldoende om de SP van een reeks flinke electorale klappen te behoeden. Ik twijfel ernstig of deze herverpakking in boekvorm van diezelfde kreten de arbeidersbeweging anno 2021 een nieuwe impuls zal geven. 

Het Communistisch Platform verschaft kameraden uit alle hoeken van de socialistische beweging de mogelijkheid van communisme.nu gebruik te maken om discussie te voeren. Tenzij anders vermeld zijn gepubliceerde artikelen en brieven daarom niet per se representatief voor de opvattingen van het Communistisch Platform.

  1. Onder andere in de Volkskrant, De Groene Amsterdammer en bij Buitenhof, zie https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/sp-politicus-ron-meyer-wil-dat-de-onmisbare-klasse-zichtbaar-wordt-het-is-de-rode-draad-door-het-toeslagen-en-chroom-6-schandaal-en-groningen~b5abf2be/, https://www.groene.nl/artikel/leven-achter-het-spoor en https://www.youtube.com/watch?v=mb34YuooFDQ.
  2. De lijst van deze beroepen is inmiddels van de sites van de overheid verdwenen, maar FNV heeft nog een overzicht staan op https://www.fnv.nl/acties/standbeeld/cruciale-beroepen.
  3. Men schrijft natuurlijk geen artikel voor communisme.nu zonder verwijzing naar antieke theorie! Zie bijvoorbeeld de uitleg van Friedrich Engels in zijn werk Beginselen van het Communisme (1847), onder kopje ‘Vraag 2’, online te raadplegen via https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1847/1847beginselen.htm#v2.
  4. Zie daarvoor dit stuk op de website van de SP: https://www.sp.nl/nieuws/2015/08/kandidaat-voorzitters-maak-kennis-met-sharon-gesthuizen-en-ron-meyer.
  5. Bijvoorbeeld in dit stuk uit 2019: https://communisme.nu/brieven/2019/10/23/waartoe-dient-activisme/.