In deze ingezonden brief reageert een van onze lezers, Tim, op de column van Ron Meyer in de Tribune. Volgens hem staat de dagelijkse praktijk haaks op het beeld van uitzichtloos activisme dat door Meyer geschetst wordt. 

Volgens Ron Meyer is socialisme geen “heilstaat” maar een permanente strijd voor rechtvaardigheid en redelijke verlangens. “Hup 14 euro! Hup Nationaal ZorgFonds zonder eigen risico! Hup energierekening-verlagende renovatie van alle woningen! Hup socialisme!” Zo lezen we in zijn column in het SP partijblad, de Tribune van oktober 2019.

Een hoger loon, een nationaal zorgfonds, een schimmelvrije huurwoning. Allemaal sympathieke eisen en nobele doelstellingen die veel mensen zouden helpen. Maar zulke concessies, want dat zijn het in dit systeem, kun je eindeloos optellen zonder tot socialisme te komen. Een socialistische samenleving wordt op deze manier een punt dat altijd net voorbij de horizon ligt. Socialisme is niet een doel dat het waard is om na te streven, socialisme verwordt tot een middel voor een onuitputtelijke, eindeloze strijd. Wanneer één actie of campagne afgerond is, begint een ander. Zoals Sisyphus een rotsblok tot in de eeuwigheid opnieuw en opnieuw een berg op moest duwen, zo moeten socialisten ijveren in het actievoeren, zo lijkt Ron Meyer voor te stellen. Persoonlijk wil ik dit niet. Persoonlijk wil ik dat wij de fundamenten voor het socialisme leggen, dat mijn kinderen en die van anderen volwassen kunnen worden in een socialistische samenleving, en dat onze kleinkinderen erin opgetogen worden. Het doel van elke socialistische groep, en dus de Socialistische Partij, moet het stichten van een socialistische samenleving zijn. Sterker nog, dit is statutair vastgelegd bij de SP: “De vereniging stelt zich ten doel het verwezenlijken van een socialistische maatschappij in Nederland[.]” [1] 

Ik ben lid van de SP, maar ik ben niet lid geworden om zomaar en oneindig  van actie naar actie te rennen, zonder strategie of visie over hoe die acties verbonden zijn aan het stichten van het socialisme. Ieders ervaring met actievoeren voor de partij is anders, maar bij mij overheerst het gevoel van trekken aan een dood paard. Na bijna twee jaar bijna wekelijks actief te zijn geweest had alle moeite geresulteerd in niet eens één succes—mislukkingen des te meer. Enorm demotiverend. In mijn ervaring word je op je persoonlijke verantwoordelijkheid aangesproken wanneer je het hebt over activistisch falen. De grote lijnen blijven veelal buiten schot. Niet de mensen die de lijnen uitzetten, campagnes bedenken, en de strategie bepalen zijn debet aan het falen maar de uitvoerders, zoals ik, zijn verantwoordelijk. ‘Wat heb jij gedaan om het een succes te maken?’ ‘Hoeveel leden heb jij gemaakt?’ Hoe vaak hebben we al niet gehoord, als antwoord op het afhaken van leden of kiezers, dat we harder moeten werken, schouders eronder, met z’n allen een tandje harder moeten lopen—we hebben meer van hetzelfde nodig. Alsof het maken van leden niet samenhangt met strategie en tactieken, maar volledig terug te voeren is op karaktereigenschappen en individuele inzet. Een zeer individualistisch beroep op eigen verantwoordelijkheid die liberaal aandoet. Anderzijds, als ik vind dat de bestaande strategie tekort schiet heb ik de verplichting en verantwoordelijkheid om kritiek hierover in te brengen. Dit artikel zie ik in dat kader, maar beperkt zich hier niet toe.

Dit draaideuractivisme boekt af en toe zeker wel succesjes: een tegenmacht wordt opgebouwd, geheel volgens het activisme handboek, de strijd wordt aangegaan, en soms volgt daarop een concessie van de bestaande macht. Een overwinning! Op naar de volgende actie. Ongetwijfeld, het is nobel om mensen bij te staan tegen groot en klein onrecht. Maar we bouwen nergens naartoe wanneer die mensen na het succes weer naar huis gaan, in bed gaan liggen, en wakker worden in een samenleving die net zo kapitalistisch is als daarvoor. Heel fijn, een hoger loon, maar tornen aan de fundamenten van het kapitalisme doet het niet: we winnen een groter deel van de taart, maar de bakkerij blijft in handen van de kapitalist. Het kapitalisme heeft zich in de afgelopen paar eeuwen van haar bestaan meer dan capabel bewezen om zulk verzet zonder problemen te absorberen na in eerste instantie wat tegenstribbelen van de machthebbers.

Wanneer kritische leden dit probleem aankaarten wordt de discussie neergesabeld met dooddoeners. ‘We hebben nu geen tijd om te reflecteren’, ‘we moeten de rijen sluiten’, ‘nu komt het niet goed uit’, ‘dit speelt de tegenstander in de kaart’, ‘dit verdeeld de partij alleen maar’, ‘hoeveel leden heb jij gemaakt?’. Altijd ligt er wel een smoes klaar. De critici zouden teveel met utopische theorie bezig zijn en te weinig met de praktijk. ‘De praktijk komt voor en na de theorie’, en is dus leidend wordt ons medegedeeld. Hup, bek houden, verstand op nul, actievoeren. We hebben een actiequotum om na te streven. Socialisme, dat is op straat staan. Socialisme, dat is actievoeren. Socialisme, dat is geen doel maar een middel om ‘redelijke verlangens’ te realiseren die de bestaande macht ons niet vanzelf cadeau doet. (Men zou vergeven zijn als men denkt dat we te maken hebben met een cultus van calvinistische zelfkastijding.) 

Maar wij critici zijn geen boekwurmen met ons hoofd in de wolken; we zijn geen wereldvreemde radicalen; en we koesteren geen kinderlijke dagdromen over een romantische “proletarische” opstand. Ieder van ons wil zich inzetten voor het socialisme, in het hier en in het nu. Te goeder trouw. Maar niet in de wetenschap dat we over dertig jaar nog op straat staan te bedelen voor een paar extra centen. Verre van saboteurs, radicalen, of stokers,  zijn we critici die zien dat het belangrijkste instrument voor socialisme in Nederland, de SP, haar hoofdtaak verzaakt. Wat is er gebeurd met ‘we willen geen groter stuk van de taart, we willen de hele bakkerij’? Want we krijgen nu te horen dat die permanente strijd voor extra kruimels het socialisme zelf is. Die bakkerij, onze droom, onze hoop voor een betere toekomst, die moeten we maar vergeten: hup, terug de draaideur in. Met welke motivatie dan? Waarom zouden we dat kritiekloos doen als we zien dat het nergens toe leidt? Als we zien dat sommige kaderleden moegestreden raken, tegen een burn-out aanhikken, omdat ze keihard werken maar geloof verliezen in een weg die heilloos lijkt. Als socialisme niets meer is dan eindeloos flyeren en langs de deuren gaan dan hoeft het voor mij niet.

Het is geen schande om actievoeren te wortelen in een groter verhaal dan kortetermijnverlangens.

De praktijk is leidend, ook voor ons. Maar die praktijk wijst uit dat eindeloos ‘redelijke’ concessies winnen ons geen stap dichter bij het socialisme brengt of heeft gebracht. Ik heb verre van alle antwoorden, maar het is wat mij betreft duidelijk dat er een andere weg moet worden ingeslagen. Een weg waarin we niet bang zijn om socialisme inhoudelijk invulling te geven. Een weg waarin oogkleppen afgaan en open discussie niet ontmoedigd wordt. Een weg bovendien waarin tegenmacht organiseren geen kwestie is van een permanente aaneenschakeling van losse, passerende, campagnes, maar waarbij structureel gebouwd wordt aan tegenmacht, in voorbereiding op ons einddoel: het stichten van de socialistische maatschappij.

Noten

[1] https://www.sp.nl/sites/default/files/statuten-sp-mei-2017.pdf