Het onderstaande stuk is een inzending van Foppe de Haan, waarin hij Rutger Bregman’s recente boek De meeste mensen deugen recenseert. Het is een kritische lezing van de bejubelde bestseller waarin de liberale insteek van de auteur onder de loep wordt genomen.

In hiërarchisch georganiseerde samenlevingen zullen zij die daar baat bij hebben gegarandeerd proberen om het structurele geweld en onderdrukking dat hierbij komt kijken recht te praten en te verdedigen. Een van de manieren waarop ze dit doen, is door verhalen te produceren en verspreiden die overtuigingen ‘bevestigen’ zoals: mensen zijn slecht, lui, onvolwassen, niet in staat tot zelfbestuur, enzovoorts. Dit omdat brede acceptatie van zulke overtuigingen het makkelijker maakt om de onderdrukking van de meerderheid door een kleine minderheid te verkopen, via de redenatie dat ‘uitzonderlijke’ mensen ‘de massa’s’ moeten regeren en besturen. En omdat onze samenlevingen al duizenden jaren zo georganiseerd zijn, zijn er heel veel van dit soort moraliteitsverhalen diep ingebed, onder andere in via volks- en tegeltjeswijsheden, de bijbel, in (Shakespeareaanse) theaterstukken, enzovoorts.

Het duidelijkste en beruchtste voorbeeld van deze mentaliteit lijkt me ‘The White Man’s Burden’, die Kipling schreef om imperialistische/koloniale/kapitalistische uitbuiting te rechtvaardigen. Maar er zijn oneindig veel andere voorbeelden te bedenken met dezelfde onderliggende logica.

Dit is de problematiek waar Rutger Bregman (actief bij De Correspondent) op inhaakt in zijn nieuwe boek De meeste mensen deugen. Hierin poogt hij een aantal van de bekendere van dit soort verhalen onderuit te halen als compleet verzonnen of bewust misleidend, terwijl hij tegelijk pleit voor een nieuw, “realistischer” beeld van mensen als iets te aardige en behulpzame wezens. Om een paar van de bekendere voorbeelden die de revue passeren te noemen: het Stanford Prison Experiment, het geval ‘Kitty Genovese’, het Milgramexperiment (allemaal bekend uit de sociale wetenschappen), Lord of the Flies, en belangrijke verlichtingsdenkers zoals Thomas Hobbes en David Hume (maar vreemd genoeg niet John Locke).

Helaas zijn er nogal wat kanttekeningen te plaatsen bij Bregmans poging uit te leggen waarom dit soort narratieven domineren, en lijdt het boek erg onder de te scherp afgebakende onderzoeksvragen. Daar komt bij dat hij grotendeels onbekend is met linkse geschiedenis (en compleet blind voor klassedynamieken). Zo stelt hij bijvoorbeeld dat de mensen die het leger en de loopgraven in waren gedwongen zich pas in december 1914 voor het eerst realiseerden dat ze “allemaal in hetzelfde schuitje zaten, als broeders, als mensen,” en presenteert hij de ontwapening van de FARC als een onverdeeld positieve ontwikkeling voor Colombianen.

Dat gezegd hebbende lijkt het me wel zinvol om het een en ander over dit boek te schrijven. Hierbij lijkt het me het interessantst om te onderzoeken of Bregman zijn dubbele doelstelling kan waarmaken om reactionaire verhalen te ondermijnen, en om “een idee [te promoten] dat een revolutie zou kunnen ontketenen,” namelijk dat “de meeste mensen diep van binnen best wel deugen”.

In mijn optiek zijn er twee opzichten waarin dit boek tekortschiet. Allereerst heeft Bregman nog een lange weg te gaan in het ontgroeien van zijn eigen liberalisme. Als gevolg hiervan ondermijnt hij zijn eigen argument continu. Om een voorbeeld te noemen: in het voorwoord steekt hij herhaaldelijk de draak met militaire strategen met (zoals hij het noemt) “onrealistische” en “misplaatste” overtuigingen, die “in de val trappen” van het uitvoeren van “niet werkende” massabombardementen van burgerdoelen. Maar hij benoemt nergens, en legt nooit uit, dat zulke redenaties uitgaan van een puur instrumentele kijk op de waarde van een mensenleven, wat onderdeel is van het mens- en wereldbeeld dat hij hoopt te ondermijnen. En vreemd genoeg vraagt hij zich ook nergens af of er mogelijk ook sprake was van geheime redenen om burgerdoelen te bombarderen – zoals de wens mensen kwaad te doen omdat ze zich verzetten en verdedigen, of de wens om de nationale (chemische) wapenindustrie te subsidiëren (zie naast Nazi-Duitsland ook Vietnam, Laos, Korea).

Ten tweede, Bregman weigert om meer te doen dan wijzen naar de (eigenlijke) structurele redenen waarom er constant misantropische verhalen worden verspreid. Hij vraagt de lezer nooit te overwegen waarom en hoe dit soort verhalen en misantropische inkadering constant worden gepromoot door opiniemakers en de ‘nieuws-’ (en ‘amusement’-)industrieën, en hoe dat samenhangt met de belangen van de medewerkers, bazen, eigenaars, en adverteerders van die bedrijven. En als gevolg raadt hij zijn lezers niet aan om zich hiertegen te organiseren (de conclusie van het boek bestaat bijna uitsluitend uit suggesties gerelateerd aan persoonlijke ontwikkeling), ondanks dat zijn boek illustreert dat het daar hoog tijd voor is.

Hoe uit zich dit in het boek?

Het lijkt me nuttig om een aantal belangrijke passages uit het boek te bespreken, om zo te laten zien hoe deze achterliggende problemen de inhoud en structuur van het boek beïnvloeden.

Laat ik beginnen door iets te zeggen over ‘vernistheorie’ (het idee dat beschaafd gedrag weinig meer dan een dun laagje vernis is). Bregman zegt hierover dat dit steeds weer boven komt drijven vanwege “[onze bereidwilligheid] te geloven in onze eigen corruptie,” omdat zulke overtuigingen (‘we zijn allemaal egoïstisch’ enz.) het makkelijker maken om anderen kwaad te doen, of om weg te kijken als anderen dit doen.

Hoewel het zonder meer een probleem is dat veel mensen dit omarmen, lijkt het me compleet onzinnig om te suggereren dat bedrijven gebeurtenissen constant op reactionaire wijze inkaderen omdat ‘nieuwsconsumenten’ dat van ze vragen, en dat die laatsten zouden afdwingen dat de media bijna exclusief focust op gebeurtenissen die een negatief mensbeeld promoten. En Bregman geeft elders impliciet aan dat hij dit ook begrijpt, gezien zijn (ietwat zelfgenoegzame) waarschuwing dat “wie het opneemt voor de mens neemt het ook op tegen de machtigen der aarde”:

Voor hen is een hoopvol mensbeeld ronduit bedreigend. Staatsgevaarlijk. Gezagsondermijnend. Het impliceert immers dat we geen egoïstische dieren zijn die van bovenaf moeten worden gecontroleerd, gereguleerd en gedresseerd. Het impliceert dat de keizer geen kleren aanheeft. Een bedrijf met intrinsiek gemotiveerde werknemers kan prima zonder managers. Een democratie met betrokken burgers heeft geen politici nodig.

Gezien dat de rijken de middelen – inclusief de media – controleren, lijkt het me duidelijk ongepast om de hoofdverantwoordelijkheid voor het feit dat ‘we’ – als maatschappij – zo denken bij ‘ons’ neer te leggen.

Een aantal van de kernpunten in Bregmans argumentatie vinden we in hoofdstuk 10. Hier maakt hij onder andere het belangrijke punt dat ideologische overwegingen voor de meeste mensen veel minder belangrijk zijn dan camaraderie en het helpen van de mensen waar je om geeft, en die je vertrouwt (ook als het gaat om slechte doelen, zoals terrorisme, nazi-Duitsland). Wat hier mijns inziens uit volgt is de noodzaak tot democratische controle over maatschappelijke (en culturele) instituties, en het belang van het in de gaten houden en verantwoordelijk stellen van de ‘architecten’ van waardensystemen (bijv. fascisme, kolonialisme, kapitalisme), en van de mensen die ze promoten en institutionaliseren. Maar in plaats van dat Bregman na deze observatie overgaat op een bespreking van instituties, propaganda en straf/beloningsstructuren (denk o.a. aan ‘perverse prikkels,’ zoals bekeurings- en arrestatie-doelstellingen voor de politie), vraagt hij eerst de aandacht voor “het gevaar van teveel empathie,” om daarna te verzuchten dat “we” onszelf zogenaamd “laten overheersen” door “narcisten en sociopaten.” Dit omdat deze laatsten zogenaamd neutrale bestuursorganen kapen, vanwege hun “schaamteloosheid” waardoor ze mensen voor kunnen liegen (conclusie h.11).

Over empathie zegt Bregman het volgende:

Terwijl ik het boek van Bloom las, begon ik te beseffen waar empathie op lijkt. Het nieuws. In hoofdstuk 1 liet ik al zien dat het nieuws ook een schijnwerper is. En waar empathie je misleidt door in te zoomen op de enkeling, zo begoochelt het nieuws je door vooral te focussen op de uitzondering. Eén ding is zeker: wie naar een betere wereld verlangt, heeft niet genoeg aan een scheut empathie. Sterker, empathie kan vergeving in de weg zitten, omdat mensen die zich sterker inleven in de slachtoffers ook harder generaliseren over hun vijanden. Het mechanisme is steeds hetzelfde: we zetten een felle schijnwerper op onze naasten en raken blind voor het perspectief van onze vijanden, die buiten ons blikveld zijn.

Dit is om twee redenen een slechte analyse (al is de passage erg slecht vertaald naar het engels, waarin ik het boek als eerst heb gelezen: in het nederlands zijn zijn claims een stuk voorzichtiger geformuleerd). Ten eerste: zoals besproken wordt ‘het nieuws’ bijna compleet gecontroleerd door miljonairs, miljardairs, miljardenbedrijven en de burgerlijke staat, die allen prima in staat zijn om ‘nieuws’ te produceren dat reactionaire sentimenten aanwakkert. Dat is ook waarom “de uitzonderingen” waar de media over bericht, consequent pro-reactionair zijn, terwijl dat natuurlijk totaal niet zo hoeft te zijn. Ten tweede, Wat hij hier over empathie zegt klopt niet of is misleidend. “Meer empathie” leidt geenszins tot “harder generaliseren,” omdat empathie — correct begrepen — puur gaat om luisteren naar en reflecteren wat de ander dwars zit of gedaan heeft en waarom, zodat de ander zich begrepen of gehoord voelt. Maar iemands beweegredenen of pijn begrijpen dwingt je niet om hun overtuigingen en emoties te kopiëren, noch om de andere partij te zien als “de vijand.” Na empathisch naar iemand te hebben geluisterd zou je je dan ook geheel vrij moeten voelen om je eigen mening te vormen over wat er gebeurd is, en om de acties van de betrokken partijen te beoordelen (zoals Bregman zelf trouwens eerder ook deed, toen hij het had over terroristen en nazi-soldaten).

Een bijkomende reden waarom ik specifiek hier aandacht aan besteed, is omdat deze vaardigheid van groot belang is, gezien dat de meeste mensen de wereld momenteel bekijken door een liberale lens, waardoor ze ook problematisch zullen handelen. Al deze mensen afschrijven als ‘reddeloos verloren’ zodra ze een of een paar reactionaire uitspraken doen, of fouten maken (enz.), is een contraproductieve en ongepaste liberale neiging.

Het voorgaande hangt samen met aan een van Bregmans andere claims, met betrekking tot de vraag hoe een gemeenschap bepaalt wie wel en wie niet tot de groep behoort, en hoe we omgaan met ‘buitenstaanders’. In de passages waarin hij direct op deze vraag ingaat, stelt Bregman herhaaldelijk dat we ‘natuurlijk’ worden aangetrokken tot mensen die ‘het meest op ons lijken’ (dichtst bij, fysiek meest vergelijkbaar), zonder duidelijk te maken dat ook dit sterk wordt beïnvloed door opvoeding en context. Hij maakt bijvoorbeeld niet duidelijk dat hoe we omgaan met vreemdelingen en leden van ‘andere nabije groepen’ sterk afhankelijk is van of we ze zien als ‘competitie,’ en welke rol het sociaal gecreëerde (wat anders is dan daadwerkelijke) schaarste speelt (een illustratief voorbeeld van hoe sterk dit kan veranderen is de langzame maar succesvolle creatie van ‘nationale’ identiteiten; een voorbeeld in omgekeerde richting is de uitvinding en verspreiding van racisme). Hiermee wil ik uiteraard niet ontkennen dat mensen in uitzonderlijke omstandigheden in staat zijn slechte dingen te doen. Maar ik wil benadrukken dat ook dan geldt dat veel mensen extreem gul en behulpzaam zijn, en dat iemands keuze om anderen als medemens te behandelen van vele factoren afhankelijk is, zoals blijkt uit de wisselende reacties die mensen uit dezelfde samenlevingen kunnen vertonen op brand, verdrinking, orkanen en nazi-bezetting. Als zodanig lijkt het me duidelijk dat ook dit een politieke/institutionele vraag is.

Hoewel het hoofdargument van het boek zich langzaam ontwikkelt, benoemt Bregman uiteindelijk (in h.12) wel de centrale rol die privé-eigendom in dit alles speelt: “De mens streek neer op één plek en vond het privébezit uit. Vanaf dat moment verloor ons groepsinstinct zijn onschuld. In combinatie met schaarste en hiërarchie bleek het vergif.” Maar (ook) hier vervolgt hij helaas niet door in te gaan op hoe hiërarchie en geweld worden geïnstitutionaliseerd en verkocht, maar focust hij in plaats daarvan op de – voor de elite wenselijke – gevolgen: een ‘giftig’ groepsinstinct, en een bereidheid om geweld in te zetten tegen ‘anderen’. En dit terwijl hij slechts enkele pagina’s later meldt dat dezelfde denkers die we leren aanbidden als ‘verlichtingsdenkers’ racisme tot een ‘wetenschap’ maakten.

Bregman sluit dit gedeelte van zijn boek af met de suggestie dat “verlichte instituties [die] zo vaak uit[gaan] van een pessimistische kijk” de “vergissing” maakten om dit een barre noodzaak te verklaren (omdat de samenleving anders in zou storten, enz.). Maar hiermee ontwijkt hij (voor de zoveelste keer) de centrale vragen: die van macht, en hoe de machtigen baat hadden bij het promoten van dit mensbeeld. Bregman:

Kan het anders? Kunnen we de rede inzetten, ons verstand gebruiken, om nieuwe instituties te ontwerpen? Instituties die uitgaan van een heel ander mensbeeld? Wat als scholen en bedrijven, ministeries en overheden uitgaan van het goede in de mens?

Deze vraag is niet toevallig een favoriet van technocraten. Maar de ware uitdaging zit hem niet in het ontwerpen van nieuwe instituties – wat in de eerste plaats sterke (dwz. werkelijke) democratische controle vereist, in combinatie met boerenverstand en openheid – maar in het afdwingen van die veranderingen.

Samenwerken

Tot slot, Bregman heeft het nergens over de implicaties van het feit dat al die overbekende reactionaire verhalen en lezingen van gebeurtenissen die hij bespreekt instortten zodra iemand de moeite nam de details te bestuderen – terwijl een stevig deel letterlijk decennialang werden herhaald, en terwijl hij zich er bewust van is (en toegeeft) dat het promoten van dit soort leugens meermaals direct bijdroegen aan het rationaliseren van staatsgeweld en onderdrukking. De duidelijkste voorbeelden hiervan zijn zijn (klasse-blinde) besprekingen van de nasleep van orkaan Katrina (h.1), en het geval Kitty Genovese (h.9). En omgekeerd reflecteert hij helaas ook nergens op het feit dat verhalen die deze reactionaire narratieven ondermijnen (bijv. het door hem besproken geval van de kerstmisviering van 1914) overduidelijk worden doodgezwegen, net zoals dat scholieren steeds vooral moeten leren wanneer ‘leiders’ zo aardig waren om bepaalde rechten ‘toe te kennen’, in plaats van dat het gaat over hoe die laatsten daartoe werden gedwongen. Wat dit tweezijdig patroon in wat ons geleerd wordt en wat we niet mogen weten mijns inziens aantoont, is dat het zinloos is om hier in ons eentje tegenin te proberen te gaan, zelfs als het je lukt je eigen (ongevaarlijke) organisatie te hervormen (zoals bijv. Jos de Blok heeft gedaan).

Conclusie

Tenzij je je al bewust bent hoe en waarom deze misantropische verhalen constant worden gereproduceerd, en waarom bepaalde gebeurtenissen telkens op dezelfde (negatieve/misleidende) manier worden ingekaderd terwijl andere gebeurtenissen compleet worden genegeerd en verzwegen, is de kans zeer groot dat dit boek je het idee bezorgt dat dit soort verhalen cultureel domineren vanwege de acties en voorkeuren van individuele ‘nieuwsconsumenten’ (en -producenten), terwijl het eigenlijk andersom werkt: we denken zo grotendeels omdat we constant met zo ingekaderde verhalen worden geconfronteerd. (Michael Parenti heeft overigens een erg nuttige tweedelige analyse van de nieuws- en amusement-media gepubliceerd die als tegengif kan dienen, Inventing Reality en Make-Believe Media. Beiden zijn gratis te vinden op archive.org)

Dit alles gezegd hebbende, de belangrijkste reden waarom ik dit boek wilde recenseren was niet mijn zorg dat Bregman zijn lezers via zijn (op voorspelbare wijze ingeperkte) onderzoeksvragen met een kluitje het riet in zou sturen. Wat ik vooral wil aankaarten is dat de onderwerpen die hij in zijn boek aanstipt en bespreekt zo weinig aandacht van ons krijgen, terwijl er overduidelijk wel vraag is naar dit soort stukken en boeken (gezien hoe gretig dit aftrek vindt), en terwijl juist wij de beste antwoorden te bieden zouden moeten hebben. Denk aan een antropologisch gefundeerd mensbeeld, geloofwaardige pleidooien voor daadwerkelijk egalitarisme, voorstellen voor echte in plaats van burgerlijke democratie, met een sterke focus op emancipatie, enzovoorts. Natuurlijk zal dat enthousiasme bij sommigen verdampen zodra we het onderdeel maken van een systeemkritiek. Maar er zullen ook mensen zijn die het wel zal boeien en interesseren, en ook als de meerderheid er nu nog niet open voor staat, lijkt het me dat we het onszelf verplicht zijn om op zijn minst deel te nemen aan deze propaganda-oorlog (al was het maar om uit te vogelen hoe we lesprogramma’s t.z.t. willen veranderen).

Daarnaast vind ik het boek ook specifiek nuttig omdat het voorbeelden geeft van interessante onderwerpen en mogelijke insteken voor zulke gesprekken of artikels. Om er en paar te noemen die niet aan bod zijn gekomen in mijn recensie;
● de beperkte ruimte voor experimenteren, spelen en autonomie (binnen en buiten school);

● hoe gevoeligheid voor extrinsieke beloning (loon, status, cijfers/diploma’s, goedkeuring van de leraar/superieur) onder liberalisme wordt aangemoedigd ten koste van intrinsieke motivatie;

● het verband tussen pestgedrag en autoritaire structuren (school, gevangenissen);

● nadenken over een gevangeniswezen waarin de focus ligt op herstel en reintegratie;

● de menselijke aversie van geweld (moet worden aangeleerd), neiging tot samenwerken;

● managerialisme en de huidige tendens wantrouwen te institutionaliseren (met dreiging van straf).

Dit zijn allemaal onderwerpen waar mensen in hun dagelijkse levens (als arbeider, als ouder, enz.) mee te maken hebben, en waar ze zich onprettig door voelen, of iets aan zouden willen veranderen. Als zodanig is het aan ons om uit te leggen hoe die kwesties zich verhouden tot kapitalisme en het leven in een liberale ‘democratie.’ Want zolang we deze onderwerpen aan auteurs zoals Bregman laten, met hun (grotendeels) liberale analyses en oplossingen, zullen ook de mensen die dit nu al willen weten tegen deze problemen aan blijven lopen, en symptomen en deelproblemen blijven bestrijden, omdat ze de kern van het probleem en de oorzaken niet begrijpen.


Het Communistisch Platform verschaft kameraden uit alle hoeken van de socialistische beweging de mogelijkheid van communisme.nu gebruik te maken om discussie te voeren. Tenzij anders vermeld zijn gepubliceerde artikelen en brieven daarom niet per sé representatief voor de opvattingen van het Communistisch Platform.