In dit stuk bespreekt Foppe de Haan het boek Retreat from Class van Ellen Meiksins Wood en gaat hij daarbij nader in op de kritiek die Wood had op de arbeidersbeweging na de jaren 60.

Afgelopen jaar heb ik Ellen Meiksins Woods Retreat from Class: A New ‘True’ Socialism gelezen, en daar wil ik hier graag het een en ander over zeggen. Want hoewel dit boek al in 1986 is uitgegeven, is het nog steeds bijzonder relevant, naast dat het helder is geschreven. Wood levert hierin een doordachte kritiek op boeken en politieke standpunten die onderdeel zijn geworden van zowel het ‘mainstream’ marxisme, ondanks dat ze in veel opzichten onverenigbaar zijn met het traditionele marxisme en de klassenanalyse die deze auteurs overboord zetten. Het socialisme zou op een andere manier moeten worden bereikt dan via ‘traditionele’ klassenstrijd, omdat we in het westen niet langer zouden kunnen spreken van een absolute scheiding van en tegenstelling tussen zij die voor hun geld moeten werken, en zij die leven van het werk en geld van die eerste groep, via bezit van huizen, fabrieken, banken, verzekeraars, enzovoorts.

Wood legt erg goed uit hoe dit zogeheten ‘Eurocommunisme’ dat ook vandaag de dag nog domineert binnen de ‘traditionele’ communistische partijen en het academisch marxisme is ontstaan, en hoe het werd beargumenteerd. Haar uitleg (waarover later meer) riep bij mij de vragen op waarom dit boek niet bekender was, maar ook waarom die latere opportunistische ‘marxistische’ auteurs er massaal mee zijn weggekomen om die — in mijn ogen prima te ontkrachten — standpunten in te nemen. Want de theoretische en ‘demografische’ argumenten die ze gaven waren duidelijk onverenigbaar met het marxisme, waardoor het extra vreemd is dat deze trend is voortgekomen uit, en overgenomen is door de Europese communistische partijen. 

De theoretici die Wood bekritiseert behoorden bijna allemaal tot de rechtervleugel van hun respectievelijke partijen. Daarom zou je kunnen zeggen dat ze onrepresentatief waren voor ‘links’, en dat het onterecht is om zoveel aandacht aan ze te besteden. Maar terugkijkend is het overduidelijk dat hun argumenten de norm zijn geworden, en dat zij de beweging dus of op een of andere manier of hebben weten te overtuigen van hun gelijk, of dat het oude kader is vervangen door rechtsere leden, enzovoorts. Wat volgt is dat ‘echt’ links zowel toen als nu een best wel groot probleem heeft. Want waarom waren we niet in staat deze argumenten te weerleggen of waarom deden die weerleggingen er niet toe? En waarom is dat nu nog steeds zo, 35 jaar na dato? Over deze en andere vragen wil ik hieronder het een en ander zeggen. Daarnaast zal ik het een en ander over het boek vertellen, en verduidelijken waarom ik denk dat het de moeite waard is is om te lezen.

Een van de vragen waar ik tot voor kort niet echt een helder antwoord op had, was waarom de Europese communistische partijen allemaal zijn ingestort, en waarom ze ook op hun hoogtepunt relatieve randfenomenen bleven, zeker na de Tweede Wereldoorlog. Nu ben ik er, onder andere dankzij Chomsky’s lezing Deterring Democracy, 1achter gekomen dat dit tenminste deels kwam doordat de burgerlijke staten, geleid door de Amerikanen en de Britten, heel erg ver zijn gegaan in het direct en indirect ondermijnen van de arbeidersbeweging: onder andere door Nazi’s in te huren om het communistische verzet te bestrijden, door sterk bij te dragen aan de heroprichting van de Zuid-Europese maffia2 (en andere georganiseerde misdaad), en door extreemrechtse terreurgroepen te subsidiëren en bewapenen 3. Maar ook door de herbouw van Europese industrie en samenleving te subsidiëren, onder andere via het Marshallplan, in de hoop dat toenemende materiële welvaart zou bijdragen aan de ondermijning van de Europese arbeidersbewegingen.

Maar hoewel het bovengenoemde ongetwijfeld zeker invloed heeft gehad, leert dit ons bar weinig over de interne oorzaken van de stagnatie en instorting van georganiseerd links, en over de door henzelf gemaakte fouten en keuzes. Gelukkig is er ook over die vraag ondertussen een goed, helder geschreven boek beschikbaar, waarin veel van de hoofdoorzaken hiervan worden besproken. Als je hier meer over wil weten, raad ik je van harte aan om Mike Macnairs Revolutionary Strategy 4 te lezen, waarin hij onder andere helder uitlegt waarom de Sovjet-Unie via de Komintern en haar opvolgers klassencollaboratie bepleitte, door van de Europese communistische partijen te vragen om geen revolutie na te streven, in ‘ruil’ voor steun aan, of een minder vijandige houding tegenover de Sovjet-Unie. Hiermee belemmerden ze niet alleen het ontstaan en de groei van revolutionaire partijen en bewegingen, maar maakten ze ook de communistische partijen en vakbonden aantrekkelijker voor nieuwe leden die niet op revolutie zaten te wachten, terwijl ook de leiding en achterban dat beleid op termijn zou gaan internaliseren en rationaliseren. Het voorspelbare gevolg was dat de partijen en bonden steeds verder afdreven naar rechts, en steeds minder een vuist zouden maken tegenover kapitaal.

Ellen Meiksins Woods Retreat from Class vormt een erg nuttige aanvulling op Macnairs boek, omdat het goed illustreert wat dat rationaliseren van die collaboratie en antirevolutionaire politiek voor theoretische en praktische voeten in de aarde had, en wat voor veranderingen het aanmoedigde. Want door dat rationaliseren gaat het beleid minder wringen, waardoor het klassenbewustzijn en de actiebereidheid verder verwatert, enzovoorts, waardoor het socialisme als doel steeds verder uit zicht raakt, ondanks dat het doel zogenaamd juist was om het socialisme op een nieuwe manier te bereiken, anders dan door middel van zelfemancipatie van de arbeidersklasse als klasse.

Ze bespreekt in het boek de belangrijkste pogingen vanaf de jaren 60 om een aantal binnen de arbeidersbeweging centrale begrippen te herdefiniëren en te kapen. Denk hierbij aan begrippen als ‘arbeider’ (tot ‘fabrieks- en/of handenarbeider’), ‘arbeidersklasse’ (‘bestaat niet meer sinds zware industrie is verhuisd naar Azië’), ‘klassenbewustzijn’ (‘is arbitrair of illusoir want sommige/veel arbeiders zijn reactionair/antirevolutionair’). Maar ook aan de introductie van een concept als ‘radicale’ democratie, een kreet die zijn populariteit mijns inziens op zijn minst deels dankt aan het hoogst bureaucratische en ondemocratische karakter van de Sovjet-Unie enerzijds, en de bureaucratische tekorten van de burgerlijke ‘democratieën’ anderzijds. (Hoewel de term ook lijkt te zijn geïntroduceerd om ruimte te creëren voor een nieuw soort techno-utopisme, pogingen om het socialisme te bereiken geleid door progressieve bewegingen en/of academici).

Wood maakt duidelijk wat de auteurs die ze bespreekt hiermee deden, en hoe ze de ‘noodzaak’ tot herbronning onderbouwden, door het materialisme steeds verder los te laten of te bekritiseren. Dit was zogenaamd nodig omdat materialisme haar relevantie zou zijn verloren in de ‘postmarxistische’ of (post)moderne wereld waarin alles draait om gekozen of aangemeten identiteiten enerzijds, en constant veranderende verkiezingsprogramma’s anderzijds. De welvaartsstandaard zou te hoog liggen voor de arbeiders om nog voor revolutie te willen strijden — al maakten enkele auteurs het zelfs zo bont dat ze stelden dat links het kapitalisme actief moeten opbouwen, omdat echt socialisme alleen mogelijk zou zijn in hoogontwikkelde geïndustrialiseerde kapitalistische landen. Als gevolg kunnen we niet langer gebruik kunnen maken van ‘door armoede en wanhoop aangedreven’ revolutionaire energie, en kunnen we alleen nog verandering teweeg brengen door onderdeel uit te maken van moderne sociale en burgerrechtenbewegingen die focussen op deelproblemen, zoals de milieu-, klimaat-, antinucleaire, antiracisme-, LGBTI- en vrouwenbewegingen, die ook grotendeels los van elkaar bestonden, en nauwelijks praatten over de overlap tussen al die problemen.

Nu zal ik niet ontkennen dat de combinatie van werkloosheid plus armoede, versus werk plus relatieve welvaart duidelijk verschil maakt als het gaat om actiebereidheid van mensen. Maar wat die opportunistische ‘marxisten’ en communisten compleet negeerden is dat de partijen en officiële communisten zelf sterk hebben bijgedragen aan die neerwaartse trend, door hun voortdurende afhankelijkheid van de Sovjet-Unie, door in te zetten op klassencollaboratie, en door hun bijdrage aan de bureaucratisering en het sektarisme van de arbeidersbeweging. Hierover later meer.

Hoewel ik haar uitleg erg waardeer, heeft Wood mijns inziens wel een aantal vragen onterecht laten liggen, door haar exclusieve focus op de vragen hoe en waarom de argumenten die deze opportunistische ‘marxisten’ gaven incoherent en/of onmarxistisch waren. Hoewel ik haar analyse van en kritiek op die ontwikkelingen erg leerzaam vond, en politiek nuttig, lijkt het me als marxist minstens zo belangrijk om na te gaan waarom die opportunistisch-’marxistische’ pleidooien in zulke vruchtbare aarde vielen. 

Waarom trapten de communisten uit die tijd daar in, of waarom hadden ze geen weerwoord op de ontwikkelingen die plaatsvonden? Over deze vragen heeft Wood vrij weinig te zeggen. Dat vind ik jammer, want die ‘retreat from class’ speelde zich natuurlijk niet alleen af op het gebied van onverdedigbare of incoherente ideeën en theorievorming. Er kwam ook veel opportunistisch handelen bij kijken, het voeren van acties met een hopeloze insteek, en organisatiestructuren waarbinnen reflectie en kritiek op herhaald falen en stagnatie werden genegeerd of bestreden, in plaats van dat ze leiden tot noodzakelijke veranderingen. 

Hoewel de interactie tussen die twee kanten van het probleem wel doorschemert uit Woods schets van de context, en uit wat ze te zeggen heeft over de door theorieën die ze bekritiseerde, laat ze die vraag voor mijn gevoel dus teveel liggen. En dat lijkt me onverstandig, want de problemen werden mijns inziens echt niet allemaal direct veroorzaakt door die praktijk van klassencollaboratie. 

Als onderdeel van die verbeterde materiële omstandigheden van de arbeidersklasse was er namelijk ook een andere ontwikkeling gaande, die hierdoor mogelijk is gemaakt. Namelijk de verbreding van toegang tot het tertiair onderwijs, en later de (hierdoor gefaciliteerde) economische en demografische verschuiving richting de dienstensector en kantoorwerk, en de gelijktijdige en gerelateerde opkomst van de door de baas betaalde tegenhanger van de ‘shop steward’ of vakbondsvertegenwoordiger: de ‘middenkader’ manager, die deels ook nodig was om te zorgen dat er aan alle regels werd voldaan die sindsdien zijn opgesteld voor werken in bedrijven, en om het MKB te benadelen t.o.v. het grootbedrijf door de overheadkosten te verhogen.

Dit leidde in de eerste plaats tot de opkomst van studenten als een maatschappelijke groep van betekenis die vocht voor sociale veranderingen, maar een die daarnaast natuurlijk ook bijdroeg aan de groei van het cohort ‘hogeropgeleiden’, tot voor kort voorbehouden aan de burgerij. Deze groep was lang niet in alle opzichten progressief, maar velen van hen bleven ook na hun studententijd actief voor de zogeheten nieuwe sociale bewegingen, hoewel ze zich meer in meer zouden inzetten voor het bereiken van maatschappelijke verandering via demonstraties, petities, het rechtssysteem en de stembus. Hiernaast leefde sterk dat het idee dat het staatsapparaat en de private sector ook van binnenuit zouden veranderen doordat ‘kinderen uit arbeidersgezinnen’ daarvoor gingen werken. Kortom, ze zetten vooral in op verandering van binnenuit, via burgerlijke hervormingen en ad-hocpressiegroepen, zonder in te zetten op de zelf-emancipatie van de arbeidersklasse.

De opkomst van die groep betrof enerzijds een relevante en significante demografische verandering binnen de arbeidersklasse, terwijl er anderzijds ook veel veranderingen door mogelijk werden gemaakt op het gebied van door de kapitalisten aangeboden werkgelegenheid. En dezelfde demografische en ideologische verschuiving naar rechts heeft uiteraard ook zijn weerslag gehad op de kapitalistische ‘linkse’ partijen. Alleen moet dit maatschappijbrede proces van verrechtsing volgens mij anders worden geduid dan als een simpel gevolg van de ‘verbeterde levensomstandigheden’ — laat staan dat deze veranderingen de irrelevantie van Marx zouden aantonen, en de opheffing van de arbeidersklasse als onderscheidbare groep in de ‘eerste wereld’. 

Dus hoewel ik Woods kritiek op de door haar besproken auteurs deel, denk ik wel dat het probleem dat ze aansneden reëel was. Daarom zou ik hier graag een (korte) poging doen om die bovengenoemde ontwikkeling op een andere manier te duiden dan destijds is gedaan. Dit ook omdat zij mijns inziens sterk negatief hebben bijgedragen aan de organisatiegraad van, en het solidariteitsgevoel tussen arbeiders, en daarmee ook van de samenleving als geheel. Want die nieuwe hogeropgeleiden en professionals hebben als maatschappelijk cohort binnen een kapitalistische maatschappij redelijk vergelijkbare materiële belangen en wereldbeeld dan de bredere arbeidersklasse, omdat er voor hen allerlei nieuwe functies werden gecreëerd met meer zelfstandigheid, macht over medearbeiders, en hogere lonen, terwijl ze zich door hun vrienden-, verenigingsnetwerken en diploma’s ook rekenden tot de maatschappelijke bovenlaag, en een beter soort mens. Die overtuigingen en socialisatie waren overigens niet nieuw, want hij werd altijd al aan studenten aangeleerd. Maar juist omdat deze groep zo sterk groeiende was, en omdat we al decennia worden verteld dat ‘hoger onderwijs voor iedereen beschikbaar moet zijn’ waardoor het een universeel goed kon lijken, waren die argumenten veel geloofwaardiger en makkelijker te maken, en was het veel makkelijker voor leden van die groep om zichzelf te zien en te presenteren als ‘representatief voor of de voorhoede van de bredere samenleving op een manier die eerder — toen studeren was voorbehouden aan kinderen van de gegoede burgerij en adel — simpelweg onmogelijk was.

In de jaren 70 begonnen de eerste van die hogeropgeleide babyboomers ook door te dringen tot de maatschappelijke top. De maatschappelijke verandering die zij met zich meebrachten zette de even zo bureaucratisch en hiërarchisch ingestelde communistische partijen en bonden voor het blok, omdat het hogere kader en leiderschap precies dezelfde omgangsnormen en mindset hadden. Al was er geen ruimte was voor interne kritiek, waardoor de beweging het probleem niet kon erkennen, laat staan dat ze hier een antwoord op hadden, bijvoorbeeld door in te zetten op daadwerkelijke democratisering van arbeidersorganisaties. En dus zijn we aangeland in een heden waarin de meeste communistische of ‘echt linkse’ partijen zijn ingestort, waarin vakbondsleidingen het kapitalisme omarmen, terwijl het radicale kader succesvol is gemarginaliseerd of afgedropen, terwijl die bureaucratische en hiërarchische disfunctionele organisaties en normen nog steeds de norm zijn. 5 En ook van de interne pogingen instituties te veranderen is maar weinig terechtgekomen, zoals we kunnen zien aan o.a. het gevoerde overheidsbeleid en de rechtspraak.

Ik wil hiermee uiteraard niet zeggen dat het onmogelijk is om communistische idealen trouw te blijven als je meer dan een modaal salaris binnenhaalt, als je terechtkomt in een positie waarin je macht hebt over andere arbeiders, als je pro-kapitalistische vrienden hebt, enzovoorts. Want dat is natuurlijk onzin. Maar Ik denk wel dat het er lastiger door wordt, net zoals huis- en/of hypotheekbezit daar negatief aan bijdragen, zeker als dit niet bespreekbaar is binnen de organisatie en niet wordt erkend als een politieke en organisatorische uitdaging. En in dat kader vind ik het erg zorgelijk dat dit probleem ook vandaag de dag nog steeds niet of nauwelijks wordt onderkend, waardoor we nu nog steeds moeten uitvinden of het inderdaad voldoende is om enerzijds die problemen te bespreken en anderzijds weer serieus en duidelijk te gaan pleiten voor en organiseren op basis van een socialistisch of communistisch programma, en voor interne democratie en democratisering, zowel in onze eigen organisaties als in de bredere samenleving.

Maar nogmaals, ik vond Woods boek erg nuttig, en ik denk dat ze grotendeels de juiste vragen stelt, en op een heldere manier uitlegt wat er misgaat in de door haar besproken boeken. Dus ik zou je van harte aanraden om het te lezen, alleen of met wat vrienden. Het is interessant om die geschiedenis beter te leren kennen, en het zal je helpen om opportunistische argumenten tegen marxisme te herkennen, en ontkrachten.


Het Communistisch Platform verschaft kameraden uit alle hoeken van de socialistische beweging de mogelijkheid van communisme.nu gebruik te maken om discussie te voeren. Tenzij anders vermeld zijn gepubliceerde artikelen en brieven daarom niet per se representatief voor de opvattingen van het Communistisch Platform.

  1. https://www.youtube.com/watch?v=421DNrg4lGg
  2. https://rense.com/general6/maf.htm
  3. https://en.wikipedia.org/wiki/Operation_Gladio
  4. https://communistparty.co.uk/mike-macnair/
  5. Mocht je het interessant vinden om hier meer over te lezen, dan zou ik je graag verwijzen naar mijn blog, https://beyondmeritocracy.info, waar ik onder andere in deze post meer zeg over hoe dit in zijn werk is gegaan en samenhangt met de opkomst van de neoliberale contrarevolutie: https://beyondmeritocracy.info/blog/linking-neoliberalism-identity-politics-and-bureaucracy