Over kapitalisme en klasse, deel 1
Over kapitalisme en klasse, deel 1

Over kapitalisme en klasse, deel 1

In dit en het volgende artikel gaat Foppe de Haan in op de vraag hoe kapitalisme en klasse zich tot elkaar verhouden. Hij bepleit dat we als marxisten meer aandacht moeten besteden aan andere vormen van uitbuiting naast loonarbeid, en aan hoe de arbeidersklasse uit elkaar wordt gespeeld. Alleen als we onszelf organiseren op manieren die de verdeling van onze klasse direct aankaarten en ondermijnen kunnen we volgens hem onszelf succesvol verenigen.

Dit (tweedelige) artikel is een bijdrage aan een (lang)lopende discussie binnen de communistische beweging rondom het begrip klasse. Marxisten schrijven al meer dan een eeuw over een ‘tussenklasse’ tussen arbeiders en burgerij. Zo schreef Lenin over een ‘arbeidersaristocratie’1, terwijl E.O. Wright recenter sprak van het bestaan van een ‘midden’klasse2. Een derde term die in de VS in de jaren ‘70 door ‘nieuw links’ in zwang raakte, is dat er een ‘professioneel/manageriële klasse’ zou bestaan (‘de pmk’)  van mensen die zichzelf zien als links maar die niks ophebben met “arbeiders” en die daar ook niet toe zouden moeten worden gerekend.3

Die heropleving van interesse in de maatschappelijke rol en klassepositie van een ‘pmk’ leverde onder meer het schotschrift Virtue Hoarders op, een (zoveelste) nogal arbeideristische poging om het bestaan van die sociale groep politiek te duiden. Mike Macnair schreef hier in april 2021 een recensie van,4 waarin hij (grotendeels terecht) korte metten maakt met het boek, dat weinig vernieuwends te melden heeft, behalve dat het een verband legt met de opkomst van ‘meritocratie’ als maatschappelijke mythe. Zijn recensie maakte mij echter ook duidelijk dat Macnair denkt dat de traditionele definitie van ‘klasse’ (wel/niet voor je bestaan afhankelijk van loonarbeid) volstaat, waardoor het boek voor hem simpelweg de zoveelste poging was van Amerikaans ‘nieuw links’ om alle politieke conflicten te reduceren tot klasseconflicten. Met die analyse ben ik het oneens, omdat ik denk dat die definitie van klasse en uitbuiting veel te beperkt is, en dat er een sterk verband is tussen het vasthouden aan die definitie en het falen van links de afgelopen eeuw. Daarom heb ik een reactie op Macnairs recensie geschreven, waarin ik heb gepoogd om dit standpunt toe te lichten.5 Hierop heeft Macnair gereageerd,6, maar op een manier die voor mijn gevoel het punt miste. En omdat een groot deel van links op dezelfde lijn als Macnair zit, leek het me nuttig om nog een poging te doen om uit te leggen waarom ik denk dat het vasthouden aan die definitie grote problemen oplevert voor links.

In zijn reactie op mijn eerste stuk focust Macnair vooral op de volgende twee van mijn vragen:

  1. Hoe kunnen we de opkomst van ‘de pmk’ en ‘meritocratie’ verklaren? 
  2. Hoe kunnen we allen verenigen die voor hun bestaan afhankelijk zijn van loonarbeid, en hoe zit het bestaan van ‘de pmk’ eenheid in de weg?

Kort samengevat zouden die eerste vragen volgens Macnair bijzaken zijn, terwijl we volgens hem ook het tweede vraagstuk kunnen adresseren zonder ons al te veel met ‘de pmk’ bezig te houden:

“The problem is not, I think, one of opposing either the ‘PMC’ amalgam or ‘meritocracy’ as a hidden secret of class rule as such. It is making the positive case for working class rule and socialism – which is a case for radical democracy and the subordination of the labour bureaucracy, and in turn towards demanagerialisation and the restoration of the public power to the public.”

Daarnaast stelt hij dat de groei van ‘de pmk’ vooral zou bewijzen dat ‘kapitalisme in neergang is’, als eerst vanwege hun rol in en houding ten aanzien van de staat, en daarnaast omdat het staatsapparaat alleen zou kunnen groeien ten koste van de private sector. (Hierover later meer.)

Ik ben het zonder meer met kameraad Macnair eens dat we ons politieke doel als arbeidersbeweging niet moeten vernauwen tot het bestrijden van ‘de pmk’ en ageren tegen ‘meritocratie’. Maar mijn punt was niet dat we onze strategie moeten veranderen, maar simpelweg dat we de groei van deze sociale groep serieus moeten analyseren. Ook kan ik me slecht vinden in Macnairs eigen analyse daarvan, omdat die me te eenzijdig is, waardoor hij het verband mist met andere problemen waar we als arbeidersbeweging al minstens een eeuw te weinig aandacht aan besteden, zoals dat er veel meer arbeiders zijn die baat hebben bij het bestaan van klassenverhoudingen, en daarom ambivalent zijn over de wenselijkheid van afschaffing van klassenmaatschappijen. En omdat kapitalistische relaties ook nu niet alomtegenwoordig zijn, en er structurele redenen zijn waarom lang niet alle sociale interacties zullen worden gecommodificeerd, kunnen we dat als beweging niet negeren. Als zodanig is het essentieel om te komen tot een breder begrip van wat klassenmaatschappelijke verhoudingen zijn, en hoe we het bestaan daarvan kunnen bestrijden.

Een van de gevolgen hiervan is dat het opbouwen van een gezonde arbeidersbeweging een hoofddoel moet zijn in de strijd tegen klassenoverheersing, en dat dit geen ‘bijzaken’ zijn in de ‘strijd om staatsmacht’, zoals velen beweren die een harde tegenstelling zien tussen ‘klassenuitbuiting’ en ‘discriminatie’, en die stellen dat alleen die eerste er ‘echt’ toe doet.

Concreet betekent dit vooral dat we als beweging veel sterker moeten focussen op het bestrijden van alle vormen van chauvinisme en culturele en economische verdeel- en heerspolitiek dan we tot dusver hebben gedaan. Die strijd moet zowel door als binnen de arbeidersbeweging plaatsvinden, en moet zowel tot uiting komen in onze acties, propaganda en educatie, en in hoe we ons organiseren. Alleen zo kan de klasse leren om solidariteit te begrijpen en belichamen, en kunnen we de stagnatie van de afgelopen eeuw doorbreken die logisch volgt uit het traditionele (Leninistische) kader dat de beweging nog steeds domineert, en waartoe ook Macnair zich mijns inziens onvoldoende kritisch verhoudt.

Om die claim te onderbouwen, en te verduidelijken hoe we dat momenteel negeren, wil ik een aantal ontwikkelingen uit de afgelopen eeuw bespreken, met een focus op de opkomst van die ‘pmk’. Hierbij zal ik toelichten hoe arbeiders in verschillende mate gebaat zijn bij de instandhouding van klassenmaatschappelijke verhoudingen (namelijk omdat ze hierdoor makkelijker toegang verkrijgen tot bepaalde gebruikswaarden – zaken of diensten waarmee je in je behoeften voorziet), ten koste van mensen die (vaak met geweld) gesocialiseerd zijn om hen daarin te ‘willen’ voorzien zonder een tegenprestatie of egalitaire houding te verwachten. Als gevolg ervaren velen (o.a. veel vrouwen en leden van gemarginaliseerde groepen) de belofte van ‘een einde aan het kapitalisme’ als onvoldoende.

*

Mijn reactie is opgesplitst in twee delen. In dit deel zal ik eerst ingaan op de vraag hoe kapitalistische samenlevingen zich in de twintigste eeuw hebben ontwikkeld, en dan op de vraag hoe klassenmaatschappijen zich verhouden tot ‘het kapitalisme’. Hierna zal ik dieper ingaan op de vraag hoe klassenoverheersing tot uiting komt in onze alledaagse interacties. In deel twee zal ik in reactie op Macnairs opmerkingen nader ingaan op wat ‘meritocratie’ is, wat we aanmoeten met de opkomst van ‘de pmk’, en tot welke andere inzichten deze analyse over hoe klassenmaatschappijen functioneren. Tot slot bespreek ik implicaties van dit alles voor theorie, programma, en de organisatie van onze partij en beweging.

Groei van de burgerlijke staat

Macnair stelt in zijn reactie dat ‘kapitalisme in neergang is’ (‘is declining’). Deze claim maken communisten al meer dan een eeuw. 7 Voor deze claim zie ik weinig bewijs, niet in de laatste plaats omdat kapitalistische productieverhoudingen pas sinds kort de realiteit zijn voor de helft van de wereldbevolking. Letterlijk miljarden mensen zijn pas ruim na de Tweede Wereldoorlog toegetreden tot de rangen van de arbeidersklasse. En ook eind 2022 moet een significant deel van de wereldbevolking nog los steeds proletariseren.

Het lijkt me daarom beter om te stellen dat kapitalistische samenlevingen de afgelopen eeuw (met succes) een volwassenwordingsproces hebben doorgemaakt. Hierbij is zowel het draagvlak voor deze productiemodus als de stabiliteit van kapitalistische klassenmaatschappijen sterk vergroot. Dit kon omdat de heersende klasse sinds de Eerste Wereldoorlog uitgebreid is gaan experimenteren met manieren om de staat in te zetten om kapitalistische ontwikkeling te faciliteren en klassenpolitiek verder te verankeren. Hierdoor heeft het staatsapparaat een veel grotere rol gekregen in de samenleving via de ontwikkeling van een enorm complex aan publieke en (semi-)private organisaties die ‘publieke’ taken uitvoeren en die een deel van het takenpakket overnam dat voorheen door arbeiders(organisaties) werd uitgevoerd, zoals ouderenzorg, kinderopvang, onderwijs, en huisvesting. In eerste instantie ging het hierbij vaak om organisaties zonder winstoogmerk, maar daar is met de opkomst van het neoliberalisme grotendeels een eind aan gemaakt. Als gevolg hebben burgerij en staat tegenwoordig een veel grotere rol dan voorheen, via organisaties en instanties die klassenverhoudingen aanleren en belichamen (denk hierbij bijvoorbeeld aan hoe scholen gehoorzaamheid aan “autoriteiten” en tijdsdiscipline aanleren).

Vooral het op zich nemen van taken gerelateerd aan de opbouw van een verzorgingsstaat heeft de sociale stabiliteit sterk vergroot, en onze levens een boel makkelijker gemaakt. Tegelijk heeft het een situatie gecreëerd waarbij de organisatiegraad van arbeiders sterk is gedaald, vanwege het uit handen geven van die taken aan de burgerij en staat. Hiermee heeft de arbeidersbeweging zichzelf ondermijnd, onder andere omdat die nieuwe organisaties hebben bijgedragen aan de verspreiding en normalisering van kapitalistische productieverhoudingen en organisatievormen, de commodificatie van onze levens, enzovoorts. Ook heeft het sterk bijgedragen aan de explosieve groei van wat Macnair een ‘oude’ sociale groep noemt, dat eerder hoofdzakelijk bestond uit hoge ambtenaren en directeuren, hoge militairen, artsen, notarissen, academici en juristen. En hoewel die groep zeker ‘oud’ is, negeert Macnair dat zij daarvoor veel kleiner, en hoofdzakelijk (klein)burgerlijk van aard was, maar sindsdien grotendeels is geprofessionaliseerd en geproletariseerd.

Wel is het nog steeds zo dat leden van die groep gemiddeld genomen vrij weinig ophebben met revolutionaire politiek. De progressieve vleugel lieert zich vooral aan pro-kapitalistische initiatieven via NGO’s of aan reformistische arbeiderspartijen en vakbonden. Ze zijn meestal sterk overtuigd van de wenselijkheid of onontkoombaarheid van klassenmaatschappijen, deels vanwege hun socialisatie en opleiding, deels vanwege hun eigen materiële afhankelijkheid daarvan. Hun functieprofielen bestaan bij gratie van bedrijven en de burgerlijke staat, en staan haar beoefenaars toe om institutionele macht uit te oefenen over anderen, en verlenen hen toegang tot bepaalde maatschappelijke ‘privileges’. Als zodanig moeten we zeker iets met hun bestaan, maar de vraag is hoe we dat politiek productief kunnen aanvliegen. Hierover later meer. 8

Klassenmaatschappij en kapitalisme

Een van de basisaannames van communisten sinds de publicatie van Das Kapital is dat dit de hoofdvijand van onze klasse is, of het systeem dat later ‘het kapitalisme’ zou gaan heten. Wat me daaraan stoort is dat ‘Marxistische’ analyses vaak nogal eenzijdig zijn, omdat velen lijken te vergeten dat hoewel kapitalistische relaties de dominante vorm van klassenuitbuiting zijn, er in klassenmaatschappijen ook sprake is van andere vormen van geïnstitutionaliseerde uitbuiting, en dat we over de hele linie worden gemotiveerd om constant te zoeken naar mogelijkheden om anderen neer te halen en uit te buiten.

Laat ik om die uitspraak te onderbouwen en verhelderen nu wat dieper ingaan op het onderscheid tussen klassenmaatschappelijke verhoudingen en ‘het kapitalisme’. Met die eerste term doel ik op het hele spectrum aan relaties en gedragingen die klassenoverheersing faciliteren: denk hierbij onder andere aan het promoten en in de wet verankeren van loonarbeid, het aanleggen van kadasters, en bij wet regelen dat onroerend goed en grond kunnen worden geprivatiseerd, het legaliseren van dubieuze bezitsconstructies zoals naamloze vennootschappen, het ondermijnen van arbeidersmacht, enzovoorts. Maar ook op zaken als het aanleren dat anderen je vertellen hoe je je leven moeten leiden, en het aanleren van patriarchale omgangsvormen en normen (inclusief voor anderen bepalen met wie ze seks hebben, tot wie ze zich aangetrokken mogen voelen, wat voor kunst ze moeten waarderen, of en naar wat voor massa-evenementen ze gaan, enzovoorts). Kort gezegd: de cultureel-maatschappelijke en politiek-economische ‘basis’ waarop je kapitalistische (maar ook andere) vormen van klassenmaatschappelijke uitbuiting kunt bouwen. 

Met kapitalisme doel ik op een maatschappijvorm waarvoor geldt dat kapitaalvergaring en -circulatie een dominante invloed hebben op hoe de maatschappij materieel, sociaal en ideologisch is georganiseerd.9 Heel veel Marxisten en communisten hanteren in de praktijk echter veel vagere definities van ‘het kapitalisme’. Dit blijkt vooral uit wat ze zeggen over ‘kapitalisme in neergang’, of over een naderend ‘eind’ aan het kapitalisme, ‘monopoliekapitalisme’, ‘postkapitalisme’, ‘late stage capitalism’ en vergelijkbare terminologie. Want dan valt op dat ze die stellingen meestal onderbouwen onder verwijzing naar simpele feitjes zoals dat de winstgroei stagneert, omdat het staatsapparaat grote bedrijven subsidieert, omdat er sprake is van weinig ‘echte’ innovatie, enzovoorts. En hoewel dat zeker problemen zal opleveren voor bepaalde kapitalisten, zie ik dat niet leiden tot een eind aan de waardevorm, exploitatie en privaat bezit van de productiemiddelen – anders gezegd: tot een eind aan ‘het kapitalisme’.

Het in stand houden en verspreiden van klassenmaatschappijen is dan ook een ander doel dan het in stand houden van ‘het kapitalisme’. En die doelen wringen ook deels met elkaar, waarbij bij conflicten niet van te voren vaststaat welk belang zal winnen, hoewel specifiek in tijden van systeemcrisis, maar ook op de langere termijn, het verder verspreiden en verankeren van klassenverhoudingen meestal zwaarder lijkt te wegen dan maximalisatie van winstmarges, het ‘klein houden van de overheid’ en gerelateerde rechtse stokpaardjes.

Er zijn veel voorbeelden die illustreren dat nauw gedefinieerde ‘kapitalistische’ belangen ook voor kapitalisten niet doorslaggevend zijn. Laat ik twee voorbeelden bespreken uit grofweg dezelfde periode.

Als eerste voorbeeld, overweeg hoe in Amerika witte vrouwen na de Tweede Wereldoorlog zijn gedwongen om niet te werken (op zijn laatst zodra ze hun eerste kind kregen). Dit gebeurde omdat de heersende klasse, plus een stevig deel van witte mannelijke arbeiders, het een goed idee vond om (witte) vrouwen financieel afhankelijk te maken van hun man, door het hen heel lastig te maken om zelf geld te verdienen. Getrouwde witte mannelijke arbeiders ontvingen tegelijk een hoger, zogenaamd “gezinsloon”, waarvan zij hun vrouw en kinderen moesten onderhouden.10 Deze regeling gold overigens uitsluitend voor witte mannelijke arbeiders – zwarte mannen kregen, naast dat ze überhaupt minder kregen “want zwart”, ook geen “gezinsloon” uitbetaald, en zwarte vrouwen werd het veel minder lastig gemaakt om in fabrieken te werken. Zo werd de arbeidersklasse op meerdere manieren tegen elkaar opgezet en uitgespeeld: man tegen vrouw, wit tegen niet-wit, waarbij vooral witte mannen in hun privélevens grote voordelen ervoeren, doordat hun vrouwen in principe altijd thuis waren om voor hen, het huis en de kinderen te zorgen, en doordat zij vanwege hun opgelegde rol als “broodwinner” veel macht over “hun” vrouw en kinderen hadden. Maar dit gebeurde ondanks dat er na de oorlog een grote vraag was naar arbeidskracht, en ondanks dat de schaarste daarvan (en daarmee de onderhandelingspositie van mannelijke arbeiders) het voor de werkenden makkelijker maakte om betere arbeidsomstandigheden en lonen af te dwingen, wat uiteraard in het financiële nadeel van de kapitalisten was (die er om andere redenen in meegingen).

Een tweede voorbeeld, dat nog ingrijpender (en dus veelzeggender) was, betreft de manier waarop de Amerikaanse heersende klasse tussen grofweg 1917 en begin jaren 70 veel economische, en in mindere mate politieke, concessies deed aan georganiseerde arbeiders om klassenoverheersing in stand te houden. Dit gebeurde op manieren die verdeeldheid van de klasse versterkte, bijvoorbeeld door racistisch beleid in te voeren, door kolonialisme, en door twee enorme nationalistische wereldoorlogen te voeren. Ook stonden zij na de Tweede Wereldoorlog de opbouw van een uitgebreide verzorgingsstaat en stelsel van publieke voorzieningen toe in West-Europa en Japan. Dit ondanks dat het destijds voor Amerikaanse kapitalisten ontegenzeggelijk voordeliger was geweest om de Europese landen arm en zwak te houden (zoals ze met bijna de volledige rest van de wereld wel hebben gedaan onder verwijzing naar ‘dominotheorie’, enzovoorts). Maar omdat zij vreesden voor een succesvolle machtsgreep door communisten, hadden zij (middel)langetermijnredenen om dat niet te doen, en konden zij dit ook doen zonder dat ‘het kapitalisme’ instortte (in tegendeel). 11

Omdat de moderne staat zoveel doet, is het vandaag de dag een stuk lastiger om te experimenteren met andere sociale verhoudingen, en om (concurrerende) alternatieve structuren op te bouwen. Ook hebben deze ontwikkelingen de wens aan een revolutie verkleind, omdat de burgerlijke staat in principe open lijkt te staan voor het oppakken van publieke taken (zolang er maar geld aan kan worden verdiend). Daarnaast legde dat oppakken van al die nieuwe taken de basis voor een kapitalistische bloeiperiode van ongekende duur en omvang, waarbij de hoge lonen en groei wel mede mogelijk waren vanwege de massale vernietiging en sterfte die was veroorzaakt door het voeren van twee Wereldoorlogen.12

Dit moeten beheren van die nieuwe verzorgingsstaat dwong de burgerij er vervolgens toe om te experimenteren en te leren omgaan met een takenpakket en belastinginkomsten van tot dusver ongekende omvang. Hierbij was het voor hen van groot belang om te zorgen dat de nieuwe publieke en nonprofitsectoren het principe van klassenmaatschappelijke overheersing niet fundamenteel zouden ondergraven, en bij voorkeur versterkten.13

Dit alles was zeer gunstig voor zowel kapitalisten als voor het draagvlak voor klassenmaatschappelijke overheersing. De publiek gefinancierde projecten en diensten produceren gezochte gebruikswaarden, en daarmee dankbaarheid en draagvlak, banen, werk, mogelijkheden voor corruptie en persoonlijke verrijking, economische groei, enzovoorts. Ze betroffen voor een groot deel investeringen en innovaties op het gebied van energie, communicatie, onderwijs en transport. Op middellange termijn verlaagden die de overheadkosten voor bedrijven, en konden complete nieuwe industrieën, verdienmodellen en afzetgebieden ontstaan of worden bereikt, terwijl bestaande verdienmodellen winstgevender werden. Goedkoop studeren faciliteerde daling van de scholingskosten voor bedrijven; het maakte nieuwe bedrijfstakken zoals marketing, populaire massamedia en ‘vermaak’ mogelijk; het faciliteerde de groei van ondersteunende industrieën (zoals educatieve en academische drukkerijen, bijscholingsinstituten, ghostwriting, enz.); en niet in de laatste plaats de schepping van hele nieuwe managementlagen, die konden worden bemenst door de nieuwe ‘hogeropgeleiden’, die werd gesocialiseerd om veel voordelen te verwachten van hun status als ‘afgestudeerde’.

(Om hieraan gerelateerde redenen is het ook een vergissing om te hopen op een tijd dat ‘iedereen geproletariseerd is’, want zo werken (kapitalistische) klassenmaatschappijen simpelweg niet. Deels omdat kapitalisten telkens reorganiseren en managementlagen toevoegen om tweespalt te zaaien, deels omdat er door technologische en sociale verandering constant nieuwe mogelijkheden ontstaan voor specifieke arbeiders om een beter of zelfs (klein)burgerlijk bestaan op te bouwen doordat zij schaars (gehouden) werk doen. Zo kunnen programmeurs in het algemeen (vanwege schaarste) hoge lonen eisen ondanks dat ze totaal niet georganiseerd zijn in vakbonden, waarbij een subset ‘consultant’ of ZZPer wordt, en een ander deel vanwege (toegang tot) startkapitaal en handig kiezen van de niche waarin ze opereren, eigenaar zijn van een bedrijf dat wordt uitgekocht, waarna ze kapitalist(je) worden, allemaal omdat ze in staat waren het juiste soort (schaarse) product of dienst te leveren of produceren.)

Kortom, het optuigen van verzorgingsstaten en het vergroten van de rol van de staat kwam de economische groei en de algehele robuustheid van kapitalistische samenlevingen enorm ten goede. Klassenoverheersing kon worden gehandhaafd of versterkt door die (im)materiële verworvenheden aan te bieden op klasseverdelende en klassenmaatschappijverankerende manieren. En hoewel de heersende klasse in deze periode zeker heeft ingeboet aan directe controle over het staatsapparaat, en risico heeft gelopen om haar macht compleet te verliezen, is dat laatste nooit gebeurd. Dit is het resultaat van een politiek van klassencollaboratie en reformisme binnen de arbeidersbeweging, die ervoor koos om steeds meer taken te laten uitvoeren door de burgerlijke staat, zonder de burgerlijke staat te bestrijden. Sindsdien is het de kapitalisten natuurlijk ook gelukt om het merendeel van deze voorzieningen weer te privatiseren en te vermarkten. Kortom, door zich afhankelijk te maken van de burgerlijke staat groef de arbeidsbeweging haar eigen graf, en legde ze de basis voor het terugdraaien van die verworvenheden, terwijl de samenleving steeds verder werd geproletariseerd.

En ondanks dat kapitalisten dus op velerlei wijze hebben geprofiteerd van het uitbouwen van de staat, zijn velen van hen vandaag de dag nog steeds zeer negatief over de grote rol van de staat in de samenleving. Dit deels omdat ze last hebben gehad van wet- en regelgeving (onder andere op gebied van vervuiling, discriminatie, werkomstandigheden), maar vooral omdat ze principiële bezwaren hebben tegen het leveren van niet of nauwelijks gecommodificeerde gebruikswaarden buiten ‘de markt’ om. Daarnaast is het natuurlijk ook ideologische van belang om je te verzetten tegen het leveren van publieke voorzieningen die mensen in hun behoeften voorzien, want het bestaan daarvan geeft mensen maar ideeën over de kracht en werkbaarheid van niet-commerciële initiatieven, plus de mogelijkheid dat een staat die mensenlevens makkelijker maakt, in plaats van om bestaande machtsverhoudingen in stand te houden.

Terwijl deze anti-staat-retoriek constant wordt herhaald door de media en andere propagandaproducenten (zoals ‘denktanks’ en twitterende miljardairs), deelt de burgerlijke staat – zeker op nationaal niveau – meer steun dan ooit uit aan het (groot)kapitaal. Denk hierbij niet alleen aan directe financiële steun en onderhandse aanbestedingen, maar ook aan belastingkortingen, vrijstellingen en bewust falend of ondergefinancierd toezicht. Het grootkapitaal wordt ook geholpen door het bestaan van dat wet- en regelgevingsapparaat. Dit omdat er hoge overheadkosten komen kijken bij naleving daarvan. Hierdoor vormt dit in de praktijk een groot voordeel specifiek voor grote bedrijven (en secundair voor de consultants die het hiervoor vereiste werk uitvoeren) omdat zij die kosten vanwege hun omvang makkelijk kunnen dragen, ook als ze geen lagere belastingtarieven zouden weten te bedingen. 14

Met deze schets van de westerse geschiedenis van de afgelopen decennia wil ik uiteraard niet suggereren dat alles naar de wensen van de bezittende klasse is verlopen, want dat is geenszins het geval. Noch wil ik de waarde bagatelliseren van de materiële en immateriële gebruikswaarden die onze klasse in deze periode heeft verworven. Maar het lijkt me wel van belang om te onderkennen dat het grote problemen veroorzaakt om onszelf afhankelijk te (laten) maken van de burgerlijke staat die al deze taken uitvoert of controleert. We moeten juist duidelijk maken welke haken en ogen er zitten aan de manier waarop de burgerlijke staat haar taken uitvoert.15

Gezien al deze ontwikkelingen, en meewegende dat de kapitalistische productieverhoudingen dominanter zijn en meer mensenlevens raken dan ooit, terwijl ook de westerse staten met grote staatsbudgetten ‘kapitalistischer’ zijn dan ooit, denk ik niet dat je uit de toegenomen omvang van het staatsapparaat kunt afleiden dat (kapitalistische) klassenheerschappij in verval is. In plaats daarvan illustreert dat feit hoe succesvol de burgerij nieuwe markten heeft gecreëerd, op manieren die haar heerschappij verder heeft verankerd en gestabiliseerd, zonder dat dit ‘het kapitalisme’ in de weg zit (ook al zijn er gerust periodes geweest waarin kapitalisten iets lagere winsten voor lief moesten nemen, en waarin bepaalde grote bedrijven zijn ontmanteld en andere – grotendeels tijdelijk – zijn genationaliseerd).

Wat zijn alledaagse klassenverhoudingen concreet?

Nu hopelijk duidelijker is waar die maatschappelijke veranderingen uit voortkomen, en dat ze blijvend zijn, wil ik nu wat dieper ingaan op de aantrekkingskracht en voordelen van klassenmaatschappijen.

In algemene zin draaien klassenmaatschappelijke verhoudingen erom anderen te dwingen om werk voor je verrichten, tegen een zo laag mogelijke tegenprestatie, en voortdurend. Zulke systemen werken het best als iedereen die machtsverhoudingen – en hun eigen uitbuiting – accepteert, en er geen fysieke dwang nodig is (die de machtsrelatie blootlegt). Kortom, als mensen zijn gesocialiseerd om die relaties normaal te vinden, bijvoorbeeld doordat ze zijn opgegroeid in een wereld waarin loonarbeid of de onderschikking van vrouwen en kinderen aan mannen niet ter discussie staan, en waarin het overgrote merendeel van mensen hieraan meedoet, en zij constant meer of minder subtiele dwang gebruiken om anderen zover te krijgen hen te gehoorzamen. Dit begint vaak met een autoritaire ouder-kindrelatie, waarin primair vaders, maar meestal beide ouders ‘hun’ kinderen in veel opzichten behandelen als eigendom.

In kapitalistische samenlevingen is de primaire vorm van uitbuiting uiteraard het afromen van door anderen geproduceerde en gerealiseerde meerwaarde, mogelijk gemaakt door bezit van en/of controle over de productiemiddelen. Maar naast gebruikswaarden gerelateerd aan (het bezitten of kunnen afromen van) geldstromen en controle over sociaal geproduceerde goederen en diensten zijn er ook in kapitalistische klassenmaatschappijen nog vele andere gebruikswaarden die ertoe doen, en waarvoor werk moet worden verricht. Dit betekent dat lang niet alle sociaal wenselijke en noodzakelijke arbeid ‘sociale’, gecommodificeerde diensten- en goederenproductie is. En dat zal ook niet veranderen, onder meer omdat mensen niet willen dat ze alle voor hen van belang zijnde gebruikswaarden via ‘de markt’ (moeten) regelen, en omdat het ook niet mogelijk is al dit soort interacties te commodificeren.16

Eén van de consequenties van het bovenstaande is dat de heersende klasse er belang bij heeft om mensen te kunnen dwingen om hen ook van die andere gebruikswaarden te voorzien, waarbij zij ook hier een zo laag mogelijke tegenprestatie (of ‘prijs’) zullen willen betalen. En omdat het domein waarbinnen deze interacties zich afspelen buiten het ‘economische’ domein valt van (verloonde) sociale productie, namelijk op het niveau van interpersoonlijke interacties (binnen romantische relaties, tussen collega’s op het werk, enzovoorts), moet die dwang via andere, en minder directe wegen worden uitgeoefend dan mogelijk is via arbeidscontracten.17

Tegelijk geldt, omdat het hier gaat om persoonlijke gebruikswaarden en meer individuele interacties die spelen in de levens van alle mensen, dat ook arbeiders er baat bij hebben om die gebruikswaarden zonder of tegen een lage tegenprestatie te kunnen verkrijgen. En als zodanig kan elk middel dat hen daartoe in staat stelt worden beschouwd als – of omgezet in – een klassenmaatschappelijk voordeel dat bijdraagt aan de aantrekkingskracht van, en het draagvlak voor, het leven in een klassenmaatschappij, voor dat deel van de bevolking dat ervan profiteert dat zij anderen in dat opzicht kunnen uitbuiten. En hoe meer verschillende van dit soort kleine voordelen er zijn waar je binnen bepaalde contexten aanspraak op kunt maken, hoe meer mensen het normaal en/of wenselijk vinden dat de maatschappij in brede zin zo werkt.

Het verlagen van de ‘prijs’ van levering van die gebruikswaarden verloopt deels via socialisatie, die er bijvoorbeeld voor zorgt dat we sommige vormen van arbeid (huishoudelijk werk, zorg voor familie of kinderen, opvoeding) veel lager waarderen dan andere. Deels verloopt het via direct en indirect (institutioneel) geweld, dreigementen en opvoeding, bijvoorbeeld door mensen te leren denken dat anderen ‘tweederangsburgers’ zijn, en dat geweld, slavernij en uitbuiting geen probleem zijn, of niet tellen als zodanig.18 

Vanwege hoe al die vormen van discriminatie en achterstelling materieel en ideologisch worden genormaliseerd en aangeleerd – en vanwege hoe samenlevingen werken – zijn de voordelen die dit oplevert dus niet voorbehouden aan de heersende of bezittende klasse. Zij zijn vanwege hun machtsposities echter wel degenen die hier het meest en ernstigst misbruik van maken, en hier het meest baat bij hebben.19.

Laat ik dit alles illustreren met wat voorbeelden. 

Bedenk bijvoorbeeld hoe patriarchale waarden en verhoudingen mannen toestaan om van kinds af aan (‘hun’) vrouwen, moeders, zussen en kinderen zover te krijgen om dingen voor hen te doen binnen het huishouden of binnen de relatie zonder daar al te veel tegenover te hoeven zetten. Meestal is er geen ruimte om de relatie te heroverwegen als de anderen daarom vragen, en wordt er dwang ingezet om hen zover te krijgen te doen wat zij (of de andere ouder) willen. Of neem mantelzorg, waarbij zorg voor kinderen of naasten niet wordt gezien als werk, maar als iets dat je aan mensen met een ‘bloedband’ ‘verschuldigd bent’, terwijl het meestal onbetaald is, en waarbij het niet heel veel uitmaakt hoe goed de relatie verder is, zeker niet als het gaat om ‘je ouders’. Of, subtieler, bedenk hoe makkelijk mensen met patriarchale mores zijn op te stoken tegen anderen die niet willen meedoen aan het heteronormatieve, mononormatieve feestje waar tot zeer voor kort iedereen aan mee moest willen doen om geen fysiek geweld op zich gericht te krijgen, waarbij de staat je verbood om hiervan af te wijken, of in het beste geval weigerde je relatie te erkennen – met alle consequenties van dien voor jou en je partner(s).

Ook buiten de kaders van de familie en relaties zijn er legio voorbeelden te bedenken. Neem bijvoorbeeld nationaalchauvinisme en ‘patriottisme’, waardoor kapitalisten mensen zover krijgen in hun oorlogen te vechten, en waardoor ze miljoenen ‘gast’arbeiders naar Europa konden halen om vakbondsmacht te ondermijnen, en om makkelijker weg te komen met extreme uitbuiting. Want de nationale arbeidersklassen van de Europese landen zijn er allen compleet in gefaald om zich in samenwerking met die nieuwkomers te organiseren tegen de bazen, of zelfs maar om te via solidariteitsacties te strijden voor gelijke behandeling ongeacht huidskleur, geslacht, seksuele voorkeur, etniciteit, religie, enzovoorts zelfs maar op de agenda te zetten.

Dit laatste is iets dat kapitalisten keer op keer lukt omdat iedereen wordt opgevoed met ideeën zoals dat mensen met een andere culturele achtergrond (of gender, seksuele voorkeur, religie, etniciteit, enz) minderwaardig of slecht zijn want “anders”, en dat we geweld (enz.) mogen gebruiken tegen elk deel van de klasse dat afwijkt van ‘de norm’. Dit soort ‘culturele’ overtuigingen maken het veel lastiger om alle van loonarbeid afhankelijke mensen te verenigen.

Of neem een ander soort klassenmaatschappelijk voordeel, dat speelt op de werkplek, en dat voortkomt uit de manier waarop bedrijven en instanties zijn georganiseerd. Namelijk de manier waarop ook niet-bezittende managers het werk van ‘hun’ team mogen claimen bij onderhandelingen voor promoties, beloningen en prestatiebonussen (een fenomeen dat ten grondslag ligt aan vele ‘dilbert’-strips, en fenomenen als ‘omhoogfalen’). Hierbij gaat het om een meer indirecte vorm van exploitatie dan meerwaarde-afroming, omdat dit soort managers niet of nauwelijks invloed hebben op het bestaan van dit soort regelingen, maar zij wel profiteren van het feit dat zij andermans werk kunnen claimen. 

Daarnaast geldt in klassenmaatschappijen natuurlijk ook dat sommige loonarbeiders, vanwege het omdat ze schaars werk doen, en goed georganiseerd zijn, hogere salarissen ontvangen, en betere secundaire arbeidsvoorwaarden weten te regelen, en daarom toegang hebben tot semi-exclusieve gebruikswaarden zoals mooiere of bij de functie inbegrepen huisvesting, meer autonomie op de werkvloer, een kans op giften van dankbare hulpbehoevenden, mogelijkheden tot zelfverrijking, enzovoorts. Maar ook tot bewust ‘exclusieve’ organisaties, die hoge toegangseisen stellen zodat leden status kunnen ontlenen aan lidmaatschap of aanwezigheid, en om te zorgen dat andere leden alleen met elkaar – ‘de juiste soort mensen’ – in contact komen. Dat is natuurlijk een van de redenen waarom elitebijeenkomsten en -scholen vaak een extreem hoge toegangsprijs hebben: zo houd je het klootjesvolk buiten. 20 

Toegang tot dit soort meer alledaagse, niet-’economische’ materiële en immateriële gebruikswaarden lijkt me duidelijk een tastbaar (maar diffuus) onderdeel van een antwoord op de vraag wat iemands klassenpositie is. Of, anders gezegd, welke (im)materiële belangen zij hebben bij het voortbestaan van klassenmaatschappelijke verhoudingen. Daarbij gaat het dus om meer dan puur of iemand beschikt over ‘specialistische kennis, en/of eigen productiemiddelen.’ Want hoewel dat zeker relevante vragen zijn (zeker als je ‘beschikken over je eigen productiemiddelen’ welwillend uitlegt als ‘in staat meerwaarde af te romen’), is het simpelweg te eenzijdig en te sterk gefocust op meerwaarde als ‘de’ gebruikswaarde waar alles om draait.

Dat die formulering (‘beschikken over eigen productiemiddelen’) tekortschiet wordt mooi geïllustreerd door het bestaan van adjuncts (afgestudeerde academici zonder vaste aanstelling). Zij beschikken net zo goed over specialistische kennis en eigen productiemiddelen als ‘reguliere’ academici. Het werk dat ze doen is echter (vanwege de democratisering van toegang tot tertiair onderwijs) niet langer schaars, en adjuncts zijn te slecht georganiseerd om betere arbeidsvoorwaarden af te dwingen. Tegelijk blijven er wel vaste aanstellingen bestaan, met meer aanzien, privileges, betere beloning, enzovoorts, die zijn voorbehouden aan een kleine minderheid van academici (waarbij het bestaan van die posities mede functioneert als een soort lokaas).

Iets vergelijkbaars geldt voor sekswerkers, die strikt genomen natuurlijk net zo goed “hun eigen productiemiddelen bezitten”, maar waarvoor nog veel sterker geldt dat het werk wat ze doen niet schaars is, en dat ze niet in staat zijn meerwaarde af te romen, omdat de meesten het merendeel van hun inkomsten moeten afstaan aan een huisbaas of pooier, en ze zichzelf niet of nauwelijks kunnen (of mogen) beschermen of organiseren, omdat hun beroep in de meeste landen niet worden beschermd door de staat, die hun werk illegaliseert om hun achterstandspositie in stand te houden.

Wat hieruit volgt is dat het klassenmaatschappelijk karakter van een beroep een combinatie is van het geheel van iemands verhouding tot relevante productiemiddelen, de sector waar ze in werken, of er sprake is van schaarste en of die in stand kan worden gehouden (bijv. via een numerus fixus of accreditatie-eisen), welke wettelijke en (collectieve) contractuele rechten beroepen (of uitoefenaars) genieten, welke primaire/secundaire arbeidsvoorwaarden ze hebben afgedwongen (bijv. gegarandeerde huisvesting, hoge salariëring) en of ze vanwege hun baan beschikken over bepaalde maatschappelijke privileges of dat ze die kunnen regelen vanwege hun kennissenkring of professioneel netwerk, enzovoorts. En of en hoeveel macht of controle ze hebben over andere arbeiders, klanten/inwonenden en de organisatie waar ze voor werken. En hierbij doet het er ook toe dat hoewel ambtenaren en academici wel werken voor loon of salaris, zij niet dezelfde ‘uitbuitingservaring’ hebben als anderen, omdat ze geen meerwaarde produceren die kan worden afgeroomd. Maar dit is dus niet de enige vraag bij het bepalen hoe iemand zich verhoudt tot het principe van klassenmaatschappelijke overheersing, want daarvoor doet het er ook toe hoeveel moeite je moet doen om die andere gebruikswaarden te verkrijgen, en of je in de privésfeer wordt uitgebuit.

Dus als kameraad Macnair in zijn reactie stelt dat de meeste mensen geen “macht over anderen nastreven” (dwz, als doel op zich), dan ben ik het daar grotendeels mee eens, zeker voor zover hij hiermee doelt op een subjectief ervaren controledrang.21 Alleen lijkt dit me het punt missen dat het ook in de context van een kapitalistische klassenmaatschappij nog steeds functioneel kan zijn om bijvoorbeeld ook als je als patriarchale man niet direct wordt geraakt door legalisering van homeseksualiteit, bij te dragen aan de politieke en sociale marginalisatie van andere arbeiders. En daarnaast dat de meerderheid van alle arbeiders (als vaders of moeders, als overheidsambtenaar, enzovoorts) tenminste in bepaalde contexten voordeel hebben bij hoe klassenmaatschappijen werken, en dat we die niet zomaar kunnen wegwuiven als ‘secundair’.

Om al deze redenen zou ik zeggen dat er sprake is van meer dan wat Macnair ‘stilzwijgende acceptatie’ noemt van klassenoverheersing en -relaties door arbeiders. Mensen begrijpen intuïtief prima dat ze profiteren van het leven in een klassenmaatschappij. Wat velen (momenteel) niet begrijpen, is waarom ze hier tegen zouden moeten zijn. Waaruit volgt dat we alle vormen van exploitatie actief moeten bestrijden (en de kruisverbanden moeten uitleggen) om solidariteit te cultiveren, in plaats van onze pijlen bijna exclusief te richten op loonarbeid.

Hier eindigt deel deel één. In deel twee zal ik eerst ingaan op ‘meritocratie’, hegemonie, en het verband tussen de incorrecte analyse van ‘de pmk’ en links chauvinisme. Hierna zal ik verder ingaan op de implicaties mijn argument voor onze beweging en hoe we tewerk gaan. Bedankt voor het lezen.


Het Communistisch Platform verschaft kameraden uit alle hoeken van de socialistische beweging de mogelijkheid van communisme.nu gebruik te maken om discussie te voeren. Tenzij anders vermeld zijn gepubliceerde artikelen en brieven daarom niet per se representatief voor de opvattingen van het Communistisch Platform.

  1. V.I. Lenin, Imperialisme: het hoogste stadium van het kapitalisme (1917).
  2. E.O. Wright, Understanding Class (2015)
  3. https://www.dissentmagazine.org/online_articles/on-the-origins-of-the-professional-managerial-class-an-interview-with-barbara-ehrenreich
  4. https://weeklyworker.co.uk/worker/1343/american-blue-labour/
  5. https://weeklyworker.co.uk/worker/1348/appeals-of-class-society/
  6. https://weeklyworker.co.uk/worker/1350/centrality-of-class-mike-macnair-replies-to-foppe-/
  7. Zie o.a. Trotski (1914), “de oorlog en de internationale”; Lenin (1917) Imperialisme: het hoogste stadium van het kapitalisme; Trotski (1931), De verraden revolutie, H1.1, eerste paragraaf; Lukacs (1924), Lenin; a study on the unity of his thought, eind van H4; Mandel (1966), “The Marxist theory of Imperialism and its critics” in: Two Essays on Imperialism; Ticktin (1998), “The Nature of an Epoch of Declining Capitalism”, Critique
  8. Ik wil hierbij benadrukken dat het politiek compleet zinloos is om mensen die zulk werk doen te willen cancellen. We moeten het feit dat klassenmaatschappijen arbeiders tegen elkaar opzetten politiseren, en helder zijn over dat deze ontwikkelingen onderdeel zijn van dat waar we vanaf willen (inclusief in onze eigen organisaties). Alleen zo zullen we een deel van hen meekrijgen in de strijd voor een fundamenteel andere maatschappij.
  9. Hierbij volg ik David Harveys definitie uit de introductie van Seventeen contradictions and the end of capitalism.
  10. In Nederland heeft overigens een vergelijkbare regeling bestaan.
  11. Zie bijv. Rasmussen & Knutsen, Reforming to Survive (CUP, 2022).
  12. Bedenk hierbij dat er hierdoor een noodzaak was tot enorme wederopbouwprojecten, en ook de mogelijkheid was voor het opzetten van complete nieuwe industrieën, terwijl arbeid schaarser is dan voorheen, de overheid relatief hoge belastingen kon innen, omdat zij veel draagvlak genoot door die taken uit te voeren, enzovoorts.
  13. Pogingen om het staatsapparaat te vergroten zijn uiteraard van alle tijden, maar voorheen was hier weinig mogelijkheid toe vanwege de smalle sociale basis en bekrompenheid van een heersende klasse die arbeiders niks gunde. Als gevolg was de staat tot weinig meer bereid en in staat dan het voeren van oorlog, het creëren van markten (inclusief markten in mensen), en het via wet- en regelgeving verdedigen en versterken van de positie van de bezittende klasse. Dit veranderde pas rond de Tweede Wereldoorlog, omdat arbeiders vanwege dat ontstaan van een verzorgingsstaat en de stijging van de lonen in staat en bereid waren om een stevig deel van hun loon af te staan aan de staat die de bevolking in die nieuwe gebruikswaarden voorziet.
  14. En dit leidt op haar beurt weer – redelijk begrijpelijk – tot haat/wantrouwen vanuit het MKB en kleinburgers richting ‘de staat’.
  15. Zie voor twee gedetailleerde voorbeelden hiervan de film I, Daniel Blake, de houding van ambtenaren in de zogeheten “toeslagenaffaire,” of de punten die Jesse Frederik in dit artikel maakt over ‘de noodzaak tot heropvoeding’: https://decorrespondent.nl/11414/hoe-de-verzorgingsstaat-mensen-niet-langer-helpt-maar-in-de-problemen-brengt/686681066786-6ed9a00f
  16. Het eindpunt van die logica is Kants definitie van het huwelijk als contract voor wederzijds gebruik van elkaars genitaliën ter zelfbevrediging.
  17. Dat er sprake is van dwang kun je afleiden uit het feit dat men gebruikswaarden verkrijgt zonder dat er sprake is van gelijkwaardigheid, bereidheid iets terug te doen of nee te accepteren.
  18. Dit wordt aangeleerd door het verspreiden van racistische stereotypen, slavernij, patriarchale mores, opvoeders die kinderen aan- of ontmoedigen in hun interesses, rangordening van schooltypes; maar ook door het zien plaatsvinden van (straffeloos) geweld tegen leden van die groepen. Dit alles draagt bij aan het verdelen van de klasse, door mensen aan te moedigen te focussen op bijzaken, en sociale status daarmee te vermengen.
  19. Zie hoe types als Jeffrey Epstein hun geld verdienden met afpersing en hoe makkelijk ze daarmee wegkwamen, of hoe ‘sekstoerisme’ bijdraagt aan sociale fragmentatie van de klasse en versterking van de machtspositie van de bezittende klasse – vaak gefaciliteerd door oorlog en de introductie van kapitalistische productieverhoudingen, massale ontheemding, enzovoorts.
  20. Dit is een voorbeeld van wat in de literatuur ‘opportunity hoarding’ wordt genoemd, al wordt die bezigheid door academici exclusief in verband gebracht met leden van wat zij de ‘middenklasse’ noemen (die deels overlapt met ‘de pmk’) die zo zorgen dat hun kinderen een voorsprong kunnen krijgen op andere kinderen. Dat laatste is natuurlijk onzin, want zij doen slechts na wat de heersende klasse voordoet.
  21. Hoewel het dus tegelijk zo is dat een heleboel klassenmaatschappelijke ‘culturele strijd’ draait om het inperken van de autonomie van anderen. Denk hierbij aan abortusrecht, beperking van je rechten om relaties aan te gaan met anderen van jouw keuze, denk aan homo- en andere vormen van haat, aan religieuze onderdrukking, enzovoorts.