‘Terug, in de zin van vooruit!’, een pleidooi voor principiële democratie
‘Terug, in de zin van vooruit!’, een pleidooi voor principiële democratie

‘Terug, in de zin van vooruit!’, een pleidooi voor principiële democratie

In dit artikel gaat Andries Stroper in op de desintegratie van de CPN en de opkomst van het Horizontaal Overleg Communisten en het Verbond van Communisten in Nederland. Hij ziet hierin gelijkenissen met de partijcrisis die de SP al een jaar in haar greep houdt.

“We moeten terug – terug, in de zin van vooruit!” Met die woorden sloot Tom Boekman, oud-Eerste Kamerlid van de Communistische Partij Nederland (CPN), zijn speech af. Zijn woorden vatten de kern samen van de startbijeenkomst van het Horizontaal Overleg Communisten (HOC), een pressiegroep binnen de CPN die ontstond in 1982. Deze pressiegroep probeerde de CPN tevergeefs terug te leiden naar de marxistisch-leninistische koers van de voorgaande decennia.

Het verhaal van het HOC kent gelijkenissen met die van de marxisten in de Socialistische Partij vandaag de dag, zoals de strijd voor democratisering van de partij en de reactie van bureaucraten die dit initiatief wilden doodslaan om hun eigen positie te verzekeren. Deze gelijkenissen zullen de rode draad vormen voor dit artikel.

Dit artikel dient twee doelen. Ten eerste wil ik informeren: te weinig mensen zijn bekend met het verhaal van het HOC, terwijl de ervaringen uit die periode juist zo relevant zijn voor de strijd die marxisten vandaag de dag in de SP voeren. Ten tweede wil ik ook de nodige kritiek uiten op de latere ontwikkelingen van het HOC en de organisaties die haar opvolgden, en dan specifiek op hun bureaucratische interpretatie van het democratisch-centralisme. 

Deze kritiek is actueel, nu ook de marxisten in de SP op een tweesprong beland lijken te zijn waar de keuzes die ze nu gaan maken grote invloed zullen hebben op de ontwikkeling van de socialistische beweging in Nederland. Het is belangrijk dat we leren van het verleden van het HOC zodat we niet dezelfde fouten maken. 

De oorsprong

We gaan terug naar 1977. De CPN leed een dramatische verkiezingsnederlaag waarbij ze kromp van zeven naar slechts twee zetels. Voormalig partijvoorzitter Paul de Groot, op dat moment erelid van het partijbestuur, verweet de nederlaag aan de samenstelling van het CPN-leiderschap. Deze zou overwegend bestaan uit softe academici, studenten die niet geschikt waren voor de taak die voor ze lag. Hij plotte om het bestuur te vervangen met gestaalde partijkaders uit de havens en de zware industrie, maar hij slaagde daar niet in. De bekende Groningse communist Fré Meis, die in de jaren 70 ongekende populariteit genoot in communistische kringen, was door De Groot benaderd om het voorzitterschap van de CPN op zich te nemen. Meis weigerde echter, en het plan van De Groot faalde. Het partijbestuur besloot hem daarop zijn erelidmaatschap en daarmee zijn positie in het partijbestuur te ontnemen vanwege het zaaien van verdeeldheid in de partij.

Paul de Groot had decennialang een grote en vaak negatieve invloed uitgeoefend binnen de partij. Hij stond bekend om zijn opportunistische draaien, geschiedvervalsingen en de autoritaire grip die hij op de partij had. Hiervan bestaan enkele bekende voorbeelden. Zo riep De Groot na het einde van de Tweede Wereldoorlog op om de CPN te liquideren in een brede “Vrienden van De Waarheid”-beweging samen met niet-communistische groeperingen. Op deze manier probeerde hij de populariteit van de CPN-krant De Waarheid te benutten, die net na de oorlog korte tijd de meest gelezen krant van Nederland was. Hij werd hierom op de vingers getikt door Moskou, wat ertoe leidde dat hij omsloeg en juist fervent tegenstander werd van de liquidatie van de CPN. Vervolgens begon hij zijn concurrenten in de partij ervan te beschuldigen dat zij de partij wensten te liquideren in een coalitie met sociaaldemocraten, en daarom verraders van de beweging waren.

Ook het boekje De CPN in de oorlog uit 1958 is berucht. Hierin beweert De Groot dat een aantal prominente leden van de partij, niet ontoevallig zijn politieke tegenstanders, niet “echt” onderdeel van het verzet waren tijdens de oorlog, maar stiekem agenten van het Britse imperialisme of zelfs de nazi’s waren geweest. Dit beruchte boekje, met alle beschuldigingen die erin stonden, werd overigens in 1981 weer door de partij ingetrokken.

Met het wegvallen van De Groot in 1978 ontstond plots ruimte binnen de CPN voor een vrijere discussie dan voorheen. En met een vrijere discussie werd een partijbrede kritische evaluatie van de partijcultuur en -koers mogelijk. Helaas werd deze kans niet benut ten gunste van het marxisme in de partij, maar leidde het tot een groei van de reformistische vleugel. Op het 26e congres in januari 1978, een jaar na de historische verkiezingsnederlaag, kreeg deze reformistische stroming de overhand. “Vernieuwing” werd het toverwoord.

Deze vernieuwers wilden naar eigen zeggen de CPN bevrijden van haar dogmatiek en haar bewapenen met een gemoderniseerd socialisme dat aansloot op de nieuwe tijd. Ze richtten zich tegen de marxistisch-leninistische grondslag van de partij, tegen het voorhoede-principe, tegen het idee van een eenpartijstaat en tegen het democratisch centralisme. De vernieuwers zetten in op “progressieve machtsvorming” – een begrip dat neerkwam op het loslaten van de bovenstaande principes in ruil voor het winnen van brede coalities voor linkse onderwerpen als anti-racisme en feminisme.

Net als de eurocommunisten, die elders in de Europese communistische partijen aan invloed wonnen, lieten de vernieuwers het idee van de werkende klasse als basis van de strijd voor het socialisme los.1 Ook verwierpen ze de stelling dat de economie de basis vormt voor de maatschappelijke problematiek die het kapitalisme kenmerkt. De strijd voor een klasseloze samenleving verdween op de achtergrond en werd een “ideaal” dat niet in de weg moest zitten bij realistische, moderne en pragmatische politiek. In plaats daarvan moesten marxisten streven naar coalitievorming met andere linkse krachten.

Deze ontwikkeling consolideerde zich met het concept-beginselprogramma dat vanaf 1981 opgesteld werd door voormalig Tweede Kamerlid en partijvoorzitter Henk Hoekstra en aangenomen moest worden in 1984.2 Dit concept-beginselprogramma was geheel in lijn met de “vernieuwingsslag” van de CPN, en bevatte bijna geen revolutionaire eisen.

Overigens was het voorgaande beginselprogramma van de “oude” CPN ook niet bepaald revolutionair. Het in 1952 verschenen programma De weg naar een socialistisch Nederland bepleitte namelijk dat communisten zich aan de Nederlandse grondwet moesten houden, ze de parlementaire weg naar het communisme moesten bewandelen en het hield de optie voor een monarch in haar beoogde ‘volksstaat’ open. Het nieuwe beginselprogramma uit 1984 wist zich echter nog verder te onderscheiden door een beweging weg van de klassenstrijd en marxistisch-leninistisch jargon. 

Horizontaal Overleg Communisten

Op 1 juli 1982 besloten zo’n honderd Amsterdamse communisten op een CPN-districtsvergadering in actie te komen. Zij wilden de vernieuwers een halt toe roepen en de partij op een ander pad zetten, aangezien zij geloofden dat de nieuwe koers het einde van de partij zou worden. Zij probeerden een communiqué te publiceren in De Waarheid waarin zij wilden aankondigen dat zij zich rondom hun eigen voorstellen in de partij zouden organiseren. De redactie was echter slechts bereid om het in gecensureerde vorm te plaatsen, waardoor de namen van de HOC-voorbereidingsgroep niet bekend werden.

Hierover volgde een gesprek tussen de voorbereidingsgroep en het partijsecretariaat van de CPN, waarin deze laatsten uiteindelijk toezegden om aandacht te besteden aan hun oproep in de CPN-ledenkrant voor de eerste HOC-bijeenkomst op 25 september. Dit werd nagekomen, maar pas eind september!

Toen een advertentie in de ledenkrant in eerste instantie uitbleef zagen de organisatoren van het HOC zich genoodzaakt dan maar publiekelijk een advertentie in de krant te plaatsen. Hierin riepen ze CPN’ers op om 25 september naar het Krasnapolsky in Amsterdam te komen voor de HOC-startbijeenkomst. Zo’n zeshonderd partijleden gaven gehoor en werden op vertoon van hun partijboekje binnengelaten. In aanloop naar deze landelijke bijeenkomst werden lokale discussiebijeenkomsten georganiseerd en werd een ‘presidium’ in het leven geroepen om het HOC te overzien, bestaande uit leden uit alle CPN-districten.

Het doel van deze eerste bijeenkomst van het Horizontaal Overleg Communisten was tweeledig. Ten eerste wensten de organisatoren volgens de advertentie “een politiek klimaat, waarin alle leden weer aan de partijdiscussie kunnen meedoen” te scheppen. Daarnaast wilde men ook “de discussies in de voorbereiding van het komende partijcongres vanuit een klassenstandpunt te stimuleren, met name op de volgende punten: oriëntatie en organisatie van de partij; sociaal-economische strijd; vredesstrijd; vrouwenstrijd.”3

Opvallend is vooral het eerste punt, waarin wordt gepleit voor een verdieping van de democratische cultuur van de partij. De organisatoren schrijven in Voorwaarts, en niet vergeten over hoe een “bureaucratisch functionerend democratisch-centralisme” diepe sporen heeft nagelaten.4 Het “stalinistische” verleden van de partij had geleid tot een partijcultuur waarin leden vaak geen kritiek uiten, en waar deze ook niet zeer welkom is.5 “Enthousiasme en zelfopoffering golden als belangrijker dan betrokkenheid op grond van overtuiging…”, vervolgen de organisatoren. Deze zinnen zullen menig kritisch SP-lid bekend voorkomen.

De horizontalen en de vernieuwers waren het er over eens dat de partijorganisatie in een zorgwekkende toestand verkeerde. Beiden spraken over de noodzaak om de “beslissingsmacht” in de partij te democratiseren. De CPN kende de mogelijkheid om, onder censuur, in De Waarheid discussie te voeren, zoals we kunnen zien aan de vele discussiestukken die werden gepubliceerd in de partijkrant (iets wat de SP nog steeds niet aandurft). Ook dat het voor CPN-leden mogelijk was om zich horizontaal te organiseren is iets waar menig kritisch SP-lid jaloers op zal zijn, vooral sinds het recente verbod op het Marxistisch Forum door het partijbestuur.6 Er kon in de CPN echter gediscussieerd worden wat men wilde, het partijbestuur was vervolgens vrij om te doen wat ze zelf juist achtte. Dit zou volgens de HOC-organisatoren het gevolg zijn geweest van een spook uit het verleden: de “stalinistische organisatiestructuren”.

Zowel in de discussiestukken in De Waarheid als in de speeches op de landelijke bijeenkomst van het HOC zelf spraken de aanwezigen veelvuldig over het vraagstuk van de democratie in de partij. Zo stelde een lid uit Den Haag: “Wij benadrukken als marxisten en leninisten, dat wij niet naar de situatie van voor 1978 terug willen en dat wij te allen tijde dogmatiek en bureaucratie in de partij hebben bestreden en zullen blijven bestrijden.”7 Even verder brandt hetzelfde lid partijvoorzitter Hoekstra af wanneer deze in een interview beweert dat de vernieuwingen die in de partij zijn opgetreden, en welke hij heeft uitgewerkt in zijn voorgestelde concept-programma, nu al “onomkeerbaar” zijn. Twee jaar voordat het congres heeft kunnen stemmen over het aannemen van deze stukken. Ingaand op Hoekstra die beweert dat een “stap terug” niet meer mogelijk is schrijft ons Haagse lid: “Wat zou hij denken over een stap verder: democratische en revolutionaire machtsvorming voor een Nederlands socialisme zonder opportunisme van de zijde van zich noemende communisten?”8

Ook leden van het partijbestuur zoals Frans Aarts waren aanwezig op de bijeenkomst van het HOC. Deze CPN-bestuurder was naar eigen zeggen totaal niet gesteld op gestructureerde overleggen om of naast de partijorganisatie, want de discussie moet volgens hem in de organisatie plaatsvinden. Hij stelt echter ook dat hij doorheeft dat er een dominante stroming in de partij bestaat die de media gebruikt om een partijdiscussie uit te vechten – een middel waar de meeste leden geen toegang tot hebben – en die verder niet bereid is tot het aangaan van een inhoudelijke discussie. Het was voor Aarts voldoende reden om toch naar de HOC-bijeenkomst te komen om zijn steun te betuigen.

De ondemocratische partijcultuur van de CPN was niet het enige waar de horizontalen hun pijlen op richtten. Bovenal wilden zij dat het marxisme-leninisme weer de basis zou worden voor de partij. Hieronder verstonden zij onder andere dat het democratisch-centralisme weer leidend moest worden, dat de partij weer een voorhoederol moest aannemen, dat de Sovjet-Unie weer in aanzien hersteld moest worden in de partij en dat klasse weer centraal moest komen te staan.

De horizontalen hadden een arbeideristische kijk op de manier waarop klasse een rol moest spelen in de partij. Zo bepleitten ze dat “goederen producerende bedrijfsarbeid(st)ers de belangrijkste kracht” vormen om het kapitaal te breken.9 Fabrieks- en havenarbeiders waren van oudsher al de groepen in de CPN die op de meeste waardering konden rekenen, waar andere arbeiders zoals in het onderwijs of de zorg vaak op de tweede plek kwamen. En dat terwijl vanuit een marxistisch oogpunt alle arbeiders een revolutionaire rol spelen binnen het kapitalisme, niet alleen de arbeiders uit de zware industrie.

Twee andere punten waarop de horizontalen verschilden van de vernieuwers waren de vrouwenstrijd en de vredesstrijd. De horizontalen bepleitten dat in beide kwesties het belangrijk was hun eisen te verbinden aan hun marxistisch-leninistische principes.

In de strijd voor de vrede hield dat bijvoorbeeld in dat men steun moest geven aan de vredesinitiatieven van de Sovjet-Unie (inclusief de atoombewapening, wat volgens het HOC slechts een poging zou zijn om de oorlog af te schrikken).10

De vrouwenstrijd was voor de horizontalen belangrijk in de mate dat het een doel diende in de strijd tegen het kapitalisme, al erkenden ze ook dat er na de revolutie nog wel wat werk aan de winkel zou zijn met betrekking tot gendergelijkheid. De vernieuwers waren in deze en andere kwesties sneller bereid hun principes aan de kant te schuiven om maar bondgenootschappen te kunnen vormen met andere groeperingen.11

De kritiek die het meest gehoord werd over het HOC was dat ze dogmatische nostalgisten waren. Ze wilden volgens de vernieuwers terugkeren naar een verleden dat achterwege gelaten moest worden. Ze sloten niet meer aan op de nieuwe tijd, zoals de teruglopende ledencijfers en kiezers zouden aantonen. De horizontalen zouden zich enkel op fabrieksarbeiders willen richten en de vrouwenstrijd ridiculiseren. Ook stelden ze zich niet humaan genoeg op met betrekking tot de misdaden die begaan werden door de socialistische regeringen in het Oostblok. De vernieuwers stonden juist vaak solidair met vernieuwingsbewegingen in landen als Polen, die zich tegen de autoritaire regimes keerden en soms ook een terugkeer naar het kapitalisme voorstonden.

Een verslaggever van de partijbestuurgezinde (en dus vernieuwingsgezinde) partijkrant De Waarheid was aanwezig bij het eerste landelijke HOC-overleg. Hij sloot zijn behoorlijk gekleurde berichtgeving af met een anekdote over hoe aan het einde van de dag een gedicht werd voorgedragen over de strijd voor socialisme in Polen. De slotregel van dit gedicht was “De Leninwerf staakt”, een verwijzing naar de toenmalige protesten tegen de Sovjet-gezinde Poolse overheid in Gdansk. Hierop zou een luid tumult zijn losgebroken in de zaal en verliet een deel van de aanwezigen uit protest het Krasnapolsky. “”De CPN moet een klassepartij zijn”, heette het zaterdag in alle toonaarden. Maar de Leninwerf in Gdansk mocht niet staken”, vat de verslaggever samen.12

Het vaste weerwoord van de horizontalen was dat ook zij vernieuwing wilden en dat ook zij streefden naar coalitievorming. Maar dan wel door deze sociale bewegingen, zoals de vrouwenstrijd en de vredesstrijd, te verbinden met het marxisme-leninisme, en niet door hun principes overboord te gooien. De vernieuwing die de reformisten in de partij voor ogen hadden zou volgens de horizontalen in werkelijkheid vernieling zijn en leiden tot het verdwijnen van de CPN – een correcte voorspelling. Daarom moesten de vernieuwingen worden teruggedraaid en een nieuwe manier worden gevonden om de CPN weer op te bouwen. “Terug, in de zin van vooruit!”

Naast inhoudelijke kritiek op het HOC was er ook kritiek op hoe de horizontalen zich organiseerden. Zo schreef Hoekstra: “Van terechte kritiek moet gebruik gemaakt worden om het optreden van de partij te verbeteren. Waar het gaat om de politiek en de strategie van de partij is een geduldige en op overtuiging gerichte discussie noodzakelijk, die moet plaatsvinden langs de normale wegen via de afdelingen, conferenties naar het congres.”13 Deze poging om het HOC te delegitimeren omdat het buiten de bestaande partijstructuren zou plaatsvinden zien we opnieuw terug in de manier waar het SP-partijbestuur initiatieven als het Marxistisch Forum en het Communistisch Platform aanvalt. Het valt buiten de partijstructuren – binnen de partijstructuren is er uiteraard geen mogelijkheid voor een vrije, kritische discussie, laat staan factievorming.

In de twee jaar van 1982 tot 1984 zouden enkele partijprominenten zich aansluiten bij het HOC. De grootste hiervan was de beroemde Groningse stakingsleider Fré Meis. Het mocht echter niet baten, want in februari van 1984 op het buitengewoon congres van de CPN werd Hoekstra’s concept-beginselprogramma aangenomen en versterkte de positie van de vernieuwers nog meer. 

Verbond van Communisten in Nederland

Hierop besloten de horizontalen tot oprichting van het Verbond van Communisten in Nederland (VCN) over te gaan. Deze organisatie moest zowel de communisten die niet langer in de CPN wilden blijven betrekken, als leiden tot een beter georganiseerde oppositie binnen de CPN. 

Weer slaagden ze er echter niet in het tij te keren, en in 1985, op het 29e congres van de partij werden het marxisme-leninisme en het democratisch-centralisme dan voorgoed uit de partijbeginselen geschrapt. Rapporten van de BVD weten te melden dat de CPN-leiding een “rustig” congres wilde, en daarom controversiële punten zoals een herziening van de statuten van de agenda had geweerd.14 Voor het VCN reden om uit de partij te treden, wat ze in november van dat jaar deden met de oprichting van de nieuwe partij VCN, Partij van Communisten in Nederland. 

De lancering van het VCN ging niet van een leien dakje. Er ontstonden een aantal obstakels, die ik hieronder uiteenzet. Zo wilde de eerder genoemde partijprominent Fré Meis niet meegaan naar de nieuwe partij. Hij meende dat een communist niet wegloopt voor een gevecht, en bleef om binnen de partijstructuren van de CPN (tevergeefs) te strijden voor een andere koers.

Hij was hierin niet de enige – de werkgroep Marxisme en Klassenstrijd (M&K) ontstond in de CPN, een samenwerkingsverband van communisten die zich bleven inzetten binnen de CPN om de vernieuwingen terug te draaien. Ook het Enkhuizer Overleg (EO) ontstond uit oud-HOC’ers, die zich net als M&K niet aansloten bij het VCN omdat ze binnen de CPN nog mogelijkheden zagen. Het EO bestond uit orthodoxe marxist-leninisten die een einde wilden aan de “oeverloze discussies”, en van de CPN weer een strijdorganisatie wilden maken.15 Ze werden uiteindelijk ingekapseld door het CPN-partijbestuur, waarmee ze gemeen hadden dat beide groepen klaar waren met de intense discussies in de partij en weer actie wilden voeren.

De Tweede Kamerverkiezingen van 1986 met Laurens Meerten als lijsttrekker leverden het VCN (die bij oprichting zo’n duizend leden telde) ongeveer 4600 stemmen op, waarmee ze twee plekken onder de ludieke partij ‘Loesje’ eindigde met 12.000 stemmen. Een schrale troost was wellicht dat de hard aftakelende CPN ook slechts 57.000 stemmen kreeg, daarmee haar drie laatste zetels verloor en uit de Kamer verdween.

Internationale erkenning van de communistische beweging en de Sovjet-Unie als dé communistische partij in Nederland bleef uit. Dit leidde ertoe dat een deel van de duizend leden weer terugliep naar de CPN. De steun aan de Sovjet-Unie werkt ook al niet in het voordeel aangezien daar juist door Gorbatsjov vernieuwingen werden ingevoerd onder de noemers glasnost en perestroika. Deze vernieuwingen kwamen meer overeen met het beleid van de vernieuwers in de CPN dan met het marxisme-leninisme dat het VCN voorstond. Door de snelle ontwikkelingen in de SU zag het VCN zich soms genoodzaakt om standpunten die ze hadden ingenomen na enkele dagen alweer te wijzigen. Het deed de geloofwaardigheid van het VCN geen goed.16

Het VCN ging er prat op een “zuivere” communistische partij te zijn in de marxistisch-leninistische traditie, zonder reformistische afwijkingen. Ze stelde zich ten doel de maatschappelijke krachten te mobiliseren voor de totstandkoming van een communistische maatschappij. Ze baseerden zich op het democratisch-centralisme, het idee dat zij dé voorhoedepartij in Nederland vormden en ze betuigden hun steun aan de Sovjet-Unie. Maar wat er nou precies werd verstaan onder het marxisme-leninisme, dat was ook voor haar eigen leden onduidelijk. Zo schreef een bekende naam uit de communistische beweging, Jasper Schaaf, kandidaat-Kamerlid voor het VCN, in een VCN-document uit 1990: “[Marxisme-leninisme] is vrijwel nergens eenduidig omschreven en heeft meer gewerkt om de bokken van de schapen te scheiden dan om het wetenschappelijk socialisme te ontwikkelen.”17

In dezelfde tekst deelt Schaaf zijn zorgen dat het democratisch-centralisme “niet op actuele wijze” is ontwikkeld.18 “Met name wat betreft de partijdemocratie en de democratie in het algemeen zijn de discussies meestal op een tamelijk primitief niveau blijven steken.” Zijn advies: “Het democratisch-centralisme moet als begrip en als partijorganisatie ontwikkeld worden dan wel afgeschaft.” Hierin stond Schaaf niet alleen. Meerdere partijgenoten spraken hun zorgen uit over de rigide interpretatie van het democratisch-centralisme die na 1985 ontstond in het VCN, nadat ze ontstond als een juist relatief decentrale en federatieve organisatie.19

Ook externen stelden een democratisch tekort vast in het VCN. Rapporten van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD, de voorloper van de AIVD) uit 1988 berichten dat “”insiders”” in het VCN opmerkten dat de “zeer smalle” partijtop gekenmerkt werd door incompetentie, ruzies, machtsgrepen en zuiveringen. De achterban zou nauwelijks tot niet geraadpleegd worden waardoor deze zich niet betrokken voelden, wat op haar beurt weer leidde tot slechte opkomst bij partijvergaderingen.20

Het vermoeden dat er een democratisch tekort ontstond wordt versterkt door de VCN-brochure VCN en Manifest (in) de 90-er jaren (1990), waarin wordt gesproken over de noodzaak van een “sterke” en “homogene” partijleiding.21 De door het VCN-partijbestuur aangebrachte arcering geeft het belang aan dat het VCN hechtte aan een eenheid in opvattingen. En waar eenheid in opvattingen wordt afgedwongen, wordt diversiteit in opvattingen onderdrukt.

Dit is opvallend omdat de mensen die het VCN vormden slechts enkele jaren eerder nog zo’n focus hadden op het versterken van de partijdemocratie van de CPN. Er werd uitdrukkelijk geschreven dat het gedaan moest zijn met de stalinistische partijorganisatie, waarin de positie die je in de partij kon bereiken vooral afhing van welke mensen je kende. Ze organiseerden discussiebijeenkomsten waarbij het doel juist was om leden te betrekken bij de partijdemocratie.

Maar binnen vier jaar zouden dergelijke overtuigingen blijkbaar zijn ingehaald door een nieuwe realiteit, waarin leden zich niet betrokken voelden bij de besluitvorming en waar zuiveringen plaatsvonden. Zouden de democratische idealen zo makkelijk versplinterd zijn onder de druk waarmee het verenigen van de marxistisch-leninistische oppositie in een nieuwe partij gepaard ging?

Het ‘Manifestival’, een festival vernoemd naar de VCN-partijkrant Manifest, had volgens de BVD-rapporten een “mentale oppepper” moeten vormen voor de haperende partij. Maandenlang zou de partijtop morele druk hebben uitgeoefend op afdelingen om een goede opkomst te verzekeren en de partij een nieuw strijdbaar elan aan te meten. Ook waren afgevaardigden van de Palestijnse PLO, de Angolese MPLA, de Iraakse en Iraanse communistische partijen en de Sovjet-Unie uitgenodigd.

Ondanks al het voorbereidend werk viel de opkomst echter tegen. Er zouden slechts 250 festivalgangers op af zijn gekomen, waarvan zo’n “70% in de categorie 50- tot 70-jarigen”.22 De BVD-rapporten weten te vertellen dat het VCN-bestuur hierop met een financiële strop van 20.000 gulden bleef zitten, waar men elkaar de schuld van gaf.

Vergelijking met de SP

Er zijn duidelijke gelijkenissen tussen de strijd van het HOC in de CPN en die van marxisten in de SP. Beiden vonden plaats in een arbeiderspartij die voortkwam uit de stalinistische traditie. Zowel het HOC als marxisten in de SP ontwikkelden een kritiek op de gebrekkige partijdemocratie onder de oneerlijke omstandigheden waaronder zij hun minderheidsstandpunten probeerden te verkondigen. Zowel de CPN als de SP zetten bureaucratische middelen in om de discussie in de partij te saboteren en de partijdemocratie te belemmeren, of zelfs buiten werking te zetten.

Het HOC had het geluk dat leden van de CPN nog net iets meer democratische rechten kenden dan in de SP en ook de bureaucratische repressie minder was. Zo mochten CPN’ers discussiestukken publiceren in de partijkrant en werden congressen voorafgegaan door interne discussiebulletins, al werden inzendingen soms gecensureerd of geweigerd op dubieuze gronden. Ook hadden CPN’ers de mogelijkheid om zich (met moeite) horizontaal te organiseren in discussieplatformen als het HOC. SP’ers hebben geen partijkrant waarin georganiseerde discussie over de partij mogelijk is en horizontale discussieplatformen als het Marxistisch Forum worden verboden op straffe van royement.

In de CPN zag het HOC geen kans meer en men besloot uit te treden om met het VCN verder te gaan als onafhankelijke partij. In de SP lijken de marxisten en de jongeren (samen een groep van meer dan 1000 partijleden) door middel van een verregaande heksenjacht uit de partij geforceerd te worden. Deze daad is nog niet voltrokken. Ook is het nog niet bekend of deze heksenjacht consequent uitgevoerd zal worden of op basis van een selectie van ‘kopstukken’ in de hoop de rest onschadelijk te maken. Maar een scheuring lijkt inmiddels bijna onvermijdelijk.

Mocht het inderdaad tot de gevreesde scheuring komen, dan is het te hopen dat de marxisten in de SP een betere doorstart maken dan het VCN. Als SP-marxisten zullen we ervoor moeten zorgen dat een eventueel vervolgproject wél op een democratische basis wordt gevestigd. Maar hoe voorkom je dat je toch vervalt in een bureaucratische machtsstrijd?

Democratie: een kwestie van tactiek of principe?

We hebben gelezen dat van de democratische eisen van het HOC schijnbaar niet veel terecht kwam in het VCN. Een horizontaal overleg om leden te betrekken bij de partijdemocratie in de CPN werd in enkele jaren tijd een nieuw project met haar eigen zuiveringen, gebrekkige democratie en inactieve leden.

Hoe dit komt en hoe accuraat dit beeld uit de BVD-rapporten is, is niet geheel duidelijk. Dat komt vooral door een gebrek aan inzichtelijke documentatie. De archieven van het HOC en het VCN liggen bij de Nieuwe Communistische Partij Nederland (NCPN), de opvolger van het VCN. De NCPN is gecontacteerd om deze archieven te mogen inzien zodat ik ook het verhaal van het VCN zelf in dit artikel kon meenemen, maar er is helaas niet op ons verzoek gereageerd. 

Omdat de originele documenten dus geheim blijven, zullen we onze verdere analyse van de ontwikkeling van het VCN moeten baseren op de politiek van haar opvolger, de NCPN, aangezien dit waarschijnlijk het meest representatief is voor de politiek van het VCN. Zoals in een ander artikel al werd vastgesteld is het ietwat lastig om te engageren met ideeën van de NCPN, omdat ze als organisatie geen inzichtelijke beginselen hebben.23 Het partijprogramma, waarvan tot de publicatie van ‘Nieuwe Communisten’, oud opportunisme twee hoofdstukken online stond, lijkt sindsdien helaas offline gehaald. Er zijn wel interviews en artikelen waar we het een en ander uit kunnen halen.

Om te leren van het verleden willen we dus ontdekken hoe het HOC, dat zich regelmatig uitsprak voor een verbetering van de partijdemocratie, zich ontwikkelde tot het VCN, dat we kennen van BVD-rapporten over een gebrekkige partijdemocratie. We zoeken dus naar ontwikkelingen binnen deze groep communisten, van het HOC naar het VCN en verder. Iets wat dan onmiddellijk in het oog springt is hoe de erfgenamen van het HOC, een factie binnen de CPN, juist een grote afkeer van facties hadden.

Mogelijk zag het HOC haar strijd voor democratisering van de partij daarmee vooral als een tactische kwestie, en niet als principestrijd. Wanneer democratie een principe is van een organisatie, dan wordt het erkend als een essentieel onderdeel van haar strategie. In het geval van een socialistische organisatie houdt dat in dat een organisatie, in haar strijd om de werkende klasse te emanciperen, er alles aan doet om die klasse voor te bereiden op haar heerschappij. Dit houdt in dat de arbeiders inzicht hebben in en betrokken worden bij alle inhoudelijke discussies. Dat er instituten opgebouwd worden waarin de werkende klasse de macht heeft en zichzelf leert besturen. Democratie als principe houdt in dat socialisten hun vertrouwen geven aan de werkende klasse, en durven de teugels los te laten in hun politieke partijen. Transparantie, openbare discussie en factierecht zijn allemaal middelen die de werkende klasse helpen bij hun zelfemancipatie.

Wanneer democratie echter slechts als een tactische kwestie wordt opgevat, is er meestal sprake van socialisten die in een minderheidspositie zitten, een meerderheid willen worden, maar niet bereid zijn om aan de structuren van de partijdemocratie te sleutelen. Het organiseren van een factie is in dit scenario toelaatbaar omdat er “slechte” mensen in het partijbestuur zitten die de partij ten gronde richten en die vervangen moeten worden. Hiervoor wordt een horizontaal overleg opgetuigd, en zodra de factiestrijd is gewonnen en het partijbestuur gevuld wordt door de “eigen” mensen kan er weer hard worden opgetreden tegen alle facties die daarna opstaan.

Het vermoeden dat dit inderdaad het geval was bij het VCN wordt gesterkt door een interview met voormalig NCPN-lijsttrekker Alejandro de Mello uit januari 2021.24 In dit interview stelt Alejandro, die sinds 1986 betrokken was bij het VCN: “[Horizontaal Overleg Communisten] is een vreemde naam in het communisme, je hoort namelijk verticaal te overleggen en niet horizontaal.” 

Ook in een VCN-publicatie uit het jaar 1992 vinden we een dergelijke claim. In de VCN-basisscholing wordt gesteld dat horizontaal overleg of fractievorming “onverenigbaar” is met partijdiscipline omdat het onvermijdelijk zou leiden tot een verzwakking van de “kameraadschappelijke arbeid”. Wel is er behoefte aan een “sterke leiding”.25

Het is frappant dat de opvolgers van het HOC deze houding innemen, omdat het juist een horizontaal overleg was dat de marxist-leninisten in de CPN in staat stelde hun politiek te promoten. Zonder dit horizontale overleg was er geen sprake geweest van een VCN of een NCPN. Was dit dan een fout, en had men zich moeten laten beperken tot de verticale structuren van een partijbureaucratie die actief de interne democratie saboteerde?

Ook bij de Communistische Jongerenbeweging (CJB), opgericht in 2003 en gelieerd aan de NCPN, vinden we een dergelijke opvatting over partijdemocratie. Om met het positieve te beginnen: de jongeren spreken zich uit op hun website uit vóór een actieve interne democratie, waarbij leden aangemoedigd worden hun mening in te brengen: “Ook met het meerderheidsprincipe mag je een eigen mening hebben, moet je die zelfs hebben, en is het je plicht die in te brengen in de daarvoor bestemde organen van de CJB…”.26 In het vervolg op deze zin neemt de CJB dan weer stelling tegen horizontaal overleg: “…en niet om de standpunten van het collectief (na uitvoerige discussie) terzijde te leggen en alsnog volgens je eigen standpunt te handelen binnen in de CJB. Deze manier van breken van de eenheid noemen we fractievorming.” En fractievorming, dat is “kleinburgerlijk” volgens de CJB.

We zien hierin opnieuw de afkeer van f[r]actievorming die heerst binnen (de erfgenamen van) het VCN. Zelf stellen ze dat ze tegen factievorming zijn, omdat ze zich baseren op het democratisch-centralisme. In een ander artikel meent de CJB dat “[factievorming] wil zeggen dat verschillende groepen in de partij hun eigen gang gaan.”27 Factievorming is in deze interpretatie van het democratisch-centralisme anti-democratisch, omdat het volgens communisten in de traditie van het VCN zou inhouden dat iedereen vrij is om democratische besluiten te negeren en kan doen en laten wat men wil.

Ook het Communistisch Platform (CP), een drijvende kracht achter de marxistische vleugel van de SP, baseert zich op het democratisch-centralisme. In de lezing van het CP is factievorming, in combinatie met publicatierecht voor alle leden en interne transparantie, juist een democratisch recht. Een mechanisme dat politieke minderheden de mogelijkheid geeft om zich te organiseren rond hun opvatting, kameraden ervan te overtuigen en zo een meerderheid te worden. Factierecht geeft het kader van een organisatie de kans om een geluid voor een andere koers te laten horen, en maakt mogelijk dat leden op een georganiseerde en transparante manier met elkaar in discussie kunnen gaan. 

In deze opvatting van het democratisch-centralisme ligt er een grotere focus op de interne democratie van een organisatie. Democratie is dan niet langer een tactische kwestie, maar wordt verheven tot een principe. Er wordt veel aandacht besteed aan de mogelijkheid voor leden om zich intern rond hun opvattingen te organiseren, zoals de kameraden van het HOC in 1982 deden. “Maar dat is geen democratisch-centralisme”, zullen de tegenstanders van factievorming zeggen. Om dit te controleren werpen we een blik op het democratisch-centralisme in de marxistische theorie.

Democratisch-centralisme

De term “democratisch-centralisme” wordt voor het eerst aangehaald in de discussies binnen de Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP) tijdens de revolutie van 1905, die de macht van de tsaar inperkte. Door een succesvolle revolutionaire beweging vanuit de Russische arbeidersklasse volgden enkele jaren van relatieve politieke vrijheid, die de Russische marxisten de kans gaf om hun beklemmende ondergrondse positie te verlaten en openlijker te opereren. De mensjewistische factie van de RSDAP diende hierop tijdens een conferentie een motie in met de bedoeling om een grotere eenheid tussen zichzelf en de bolsjewieken te bewerkstelligen. In deze motie, die in de voetnoten in het Engels te vinden is, wordt voor het eerst expliciet democratisch-centralisme genoemd.28 De bolsjewistische factie van de RSDAP nam kort hierop een soortgelijke motie aan.29

De punten van deze motie liggen grotendeels op een lijn met de organisatorische principes die Lenin in 1902 in zijn werk Wat te doen? uiteenzette, waarin hij onder andere inging op de Sociaaldemocratische Partij Duitsland (SPD), wat in deze periode als een belangrijk voorbeeld gold voor de Russische marxisten.30 Hierom wordt de “uitvinding” van de principes van het democratisch-centralisme alsnog aan Lenin toegedicht, ook al heeft hij de term niet bedacht.

Het democratisch-centralisme zoals dat in deze periode (1906-07) wordt geïnterpreteerd legt vast dat alle partijleden mogen deelnemen aan partijverkiezingen, dat partijfunctionarissen transparant moeten zijn over hun handelen en te allen tijde herroepbaar zijn door het kader, en dat besluiten van de partij als collectief bindend zijn voor individuele leden.

Zoals zojuist werd aangegeven, werd de motie tot invoering van het democratisch-centralisme vrijwel gelijktijdig aangenomen door twee facties van dezelfde partij, de RSDAP. Facties waren in de vroege marxistische sociaaldemocratische arbeiderspartijen, zoals de RSDAP in Rusland, de SPD in Duitsland en de SDAP in Nederland volkomen geaccepteerd. Ze werden als instrumenten gebruikt om een politieke koers te organiseren binnen een partij – de factie die de grootste meerderheid voor haar voorstellen won op partijbijeenkomsten, bepaalde via het concept ‘eenheid in actie’ de koers voor de hele partij. Alle leden van de partij volgden deze besluiten op, maar de kleinere factie behield het recht zich uit te spreken voor een andere koers. Niet enkel intern en besloten, maar juist openbaar waar een zo groot mogelijk deel van de bevolking de discussie kon volgen.

Lenin benadrukt het belang hiervan in zijn artikel ‘De eerste stappen van burgerlijk verraad’ uit 1905: “Wij sociaaldemocraten beroepen ons op geheimzinnigheid richting de tsaar en zijn bloedhonden, terwijl we er alles aan doen om te zorgen dat het volk alles weet over onze partij, over de stromingen daarbinnen… dat het zelfs weet wat deze of gene afgevaardigde op een partijcongres te melden had.”31

Uit het standaardwerk Geschiedenis van de Russische communistische partij (bolsjewieken) van Vladimir Nevsky weten we dat het democratisch-centralisme door de bolsjewieken zelf werd gezien als een organisatorisch principe dat alleen kan bestaan wanneer de partij bovengronds opereert en dat de bolsjewieken er daarom enkel in de jaren 1906-’07 en 1920-’21 in slaagden deze principes te consequent hanteren. De reden hiervoor is dat “vrije discussie” en een “levendige uitwisseling van meningen” een vereiste zijn voor het democratisch-centralisme in de ogen van de bolsjewieken, en dat dit niet mogelijk was in tijden van politieke repressie of oorlog.

Na 1907 ging er een nieuwe periode in van ondergronds werk voor de Russische marxisten, waar ze zich pas uit wisten te vechten na de revoluties van 1917. Ook tijdens en na 1917 bleef er overigens een veelvoud aan facties georganiseerd binnen de rangen van de Russische communisten die ieder een eigen koers voor de partij voorstonden. Maar met het voortduren van de oorlog en het toenemen van externe druk op de jonge bolsjewistische regering, groeide ook de roep om een partij met “militaire discipline” in de specifieke omstandigheden van een acute burgeroorlog.32

In de lente van 1921, op het 10e congres van de Russische Communistische Partij, werd een motie aangenomen die facties binnen de partij verbood. Dit was een voortzetting van de groeiende tendens in de partij die om een gemilitariseerde partij met een sterke centrale autoriteit riep. De aanleiding voor deze roep waren natuurlijk de omstandigheden waarin de bolsjewieken zich bevonden – de Opstand van Kronstadt brak juist uit, met de bolsjewieken aan het roer van een geruïneerd en verdeeld land, belegerd door talloze vijanden aan alle kanten. Een sterke bureaucratie werd opgetuigd om het Rode Leger en andere veiligheidsdiensten te bevoorraden en aan te sturen, wat (wellicht noodgedwongen) ten koste ging van het democratische aspect van het democratisch-centralisme dat tot dan toe was aangehangen.

Wat we hebben kunnen zien was dat er in de twee periodes waarin volgens de bolsjewistische historicus Nevsky sprake was van democratisch-centralisme een grote nadruk werd gelegd op de democratische rechten van partijleden. Hierbij stond “eenheid in actie, vrijheid van discussie” voorop – maar onder deze vrijheid werd ook de vrijheid tot factievorming verstaan, zoals de geschiedenis van de bolsjewieken getuigt. Zelfs tijdens de revolutie. Pas met de bureaucratisering van de partij werd er een ban op facties ingevoerd waardoor marxisten niet meer de kans kregen zich te organiseren rondom hun minderheidsstandpunten. Het is deze bureaucratische interpretatie die geboren werd uit de omstandigheden van een (burger)oorlog die uiteindelijk geëxporteerd is naar communistische partijen in het buitenland via de Komintern, en nog steeds heerst in sommige organisaties. Dit zijn zowel de organisaties die zich nog beroepen op de Oostblok-gelieerde partijen, zoals in Nederland de NCPN en de CJB, als organisaties die zich hieruit verder hebben ontwikkeld, zoals de SP.

De lessen uit het verleden

In dit artikel hebben we gekeken naar de ervaringen van het Horizontaal Overleg Communisten. Hun verhaal lijkt op dat van de marxisten in de SP. Beiden zijn (of waren) linkse facties in hun partij en beiden nemen het op tegen een partijbureaucratie die met anti-democratische middelen zoals censuur haar uitdagers probeert te onderdrukken. Zowel het HOC als de marxisten vandaag de dag bestrijden dit met eisen voor democratisering van hun partij. De opvolgers van het HOC, het VCN, begonnen hun eigen partij op een relatief decentrale en federatieve basis. Maar spoedig ontstond de roep om een centralere organisatie om de slagkracht te vergroten. De invulling die daarbij werd gegeven aan het begrip democratisch-centralisme werd veel bekritiseerd door de eigen leden, en lijkt een deel van de aanleiding te zijn geweest voor interne machtsstrijd en een niet-betrokken kader.

Wat doorslaggevend is geweest voor deze ontwikkeling kunnen we niet met zekerheid vaststellen zonder toegang te krijgen tot de archieven. Wat opvalt is dat de erfgenamen van het HOC, het latere VCN en de NCPN, een afkeer van factievorming hadden. Ze bepleiten dat communisten zich louter verticaal organiseren en ze zich niet in het openbaar uitspreken tegen de partijlijn. Dit is opvallend omdat ze zelf afkomstig zijn uit een factie binnen de CPN, en ook het beginselverklaring van het VCN uit 1984 geen sprake was van een factieverbod.33 De meer bureaucratische interpretatie van het democratisch-centralisme waarbij facties verboden zijn, lijkt dominant geworden te zijn binnen het VCN in de 2e helft van de jaren 80. Dit werd destijds al bekritiseerd door een groep partijleden.34

Deze bureaucratische interpretatie van het democratisch-centralisme is in strijd met de theorie van het democratisch-centralisme zoals het werd oorspronkelijk werd ontwikkeld door de Russische marxisten. Wanneer een organisatie de kans heeft om bovengronds te werken en niet in een oorlog verwikkeld is, dan is het belangrijk dat de politieke discussie daar wordt gevoerd waar zoveel mogelijk arbeiders deze kunnen volgen, en moeten leden de vrijheid hebben zich te organiseren rond hun minderheidsopvattingen. Zolang iedereen zich houdt aan democratische afspraken, uiteraard.

Het is niet constructief om te doen alsof factierecht alle problemen van het VCN had opgelost en het tot een succesvolle organisatie had gemaakt. Factierecht is niet een wondermiddel dat al onze kwalen geneest, en bovendien is het verbod op facties binnen het VCN waarschijnlijk eerder een symptoom van een bureaucratische cultuur dan een oorzaak. Daarnaast hebben ook partijen met factierecht rijke geschiedenissen van scheuringen en partijconflicten.

Wel vormen factierecht, een absolute vrijheid van discussie en een partijcultuur waarin democratie een principiële kwestie is, de vereisten voor een gezonde partijdemocratie waarin het kader actief deelneemt. Wanneer leden betrokken worden bij een transparant beslissingsproces, gestimuleerd worden hun inbreng te geven, hun invloed herkennen in de besluiten en de kans krijgen hun stem te laten gelden wanneer zij een minderheidsstandpunt hebben, dan houdt dat leden geëngageerd.

Het tegenovergestelde is wat leidt tot een kader dat zich niet betrokken voelt en niet komt opdagen bij vergaderingen. Dit zagen we in het VCN, maar ook in de SP vandaag de dag. Een partij met 30.000 leden die slechts enkele honderden actievelingen telt. Algemene ledenvergaderingen in grote steden waar soms minder dan 20 mensen op afkomen. Toegewijd kader en zelfs afdelingsvoorzitters die uit protest weglopen omdat zij zich niet gehoord voelen en ook niet langer de mogelijkheid zien om daar verandering in te brengen. Iedereen die zich ondanks alles nog wél probeert in te zetten voor een democratisering van de partij en een principiële linkse koers, wordt nu de partij uitgewerkt. Ook in de SP gebeurt dat door een bureaucratische interpretatie van het democratisch-centralisme, al wordt deze term in de SP niet meer gebruikt. De SP spreekt enkel nog van haar “democratische structuren”, welke duidelijk geërfd zijn uit haar maoïstische verleden. Net als alle andere organisaties en partijen die zich baseren op het stalinistische partijmodel dat de Komintern in de jaren 20 wereldwijd verspreidde, heeft ook de SP als opvolger van de KEN-ml een bureaucratische interpretatie van partijdemocratie. Echt democratisch kun je het niet noemen.

Als er een les is die de marxisten in de SP willen meenemen uit de ervaringen van het HOC, laat dat dan het belang van democratie als principe zijn. Alleen met de vrijheid voor onze leden om zich horizontaal te organiseren en zich in alle vrijheid uit te spreken kunnen wij de fundamenten leggen voor een partij die opgewassen is voor de historische taak die ons wacht.


Het Communistisch Platform verschaft kameraden uit alle hoeken van de socialistische beweging de mogelijkheid van communisme.nu gebruik te maken om discussie te voeren. Tenzij anders vermeld zijn gepubliceerde artikelen en brieven daarom niet per se representatief voor de opvattingen van het Communistisch Platform.

  1. Foppe de Haan, ‘Over het wegkwijnen van links: gedachten bij Retreat from Class https://communisme.nu/artikelen/cultuur-en-partijbeweging/2021/03/05/over-het-wegkwijnen-van-links-gedachten-bij-retreat-from-class/
  2. CPN-programma Machtsvorming voor een Socialistisch Nederland https://dnpprepo.ub.rug.nl/9882/
  3. CPN Congres Discussiebulletin I, 1982
  4. HOC, ‘Voorwaarts… en niet vergeten, p. 3
  5. HOC, ‘Voorwaarts… en niet vergeten, p. 7
  6. Zie artikel van SP tegen de Heksenjacht https://sptegendeheksenjacht.nl/2021/09/26/jongeren-en-oppositie-niet-langer-welkom-bij-sp/
  7. CPN Congres Discussiebulletin I, 1982
  8. Idem.
  9. HOC, ‘Voorwaarts… en niet vergeten, p. 47
  10. Idem, p. 43
  11. Idem, p. 46
  12. CPN Congres Discussiebulletin II, 1982
  13. CPN Congres Discussiebulletin II, 1982
  14. Binnenlandse Veiligheidsdienst, 1e Kwartaaloverzicht 1985 https://www.inlichtingendiensten.nl/jaarkwartaalmaand/1985-1.pdf
  15. Idem.
  16. Binnenlandse Veiligheidsdienst, 4e Kwartaaloverzicht 1988 https://www.inlichtingendiensten.nl/jaarkwartaalmaand/1988-4.pdf
  17. VCN-Partijdiscussie (1990), p. 68
  18. Idem.
  19. Idem, p. 48
  20. Binnenlandse Veiligheidsdienst, 4e Kwartaaloverzicht 1988 https://www.inlichtingendiensten.nl/jaarkwartaalmaand/1988-4.pdf
  21. VCN en MANIFEST (in) de 90-er jaren (1989), p. 6
  22. Binnenlandse Veiligheidsdienst, 4e Kwartaaloverzicht 1988 https://www.inlichtingendiensten.nl/jaarkwartaalmaand/1988-4.pdf
  23. Rogier Specht, ‘Nieuwe communisten,’ oud opportunisme: de politiek van de NCPN https://communisme.nu/artikelen/2020/03/02/nieuwe-communisten-oud-opportunisme-de-politiek-van-de-ncpn/
  24. Interview Alejandro de Mello, via https://props.fhj.nl/nieuws/gefractioneerde-communistische-beweging-houdt-via-actieve-jongerenafdeling-hoop-op-de-toekomst/
  25. VCN, Basisscholing, 9.10
  26. CJB, Communisten in actie https://www.voorwaarts.net/communisten-in-actie/
  27. CJB, Een antwoord op het anticommunisme van links https://www.voorwaarts.net/een-antwoord-op-het-anticommunisme-van-links/
  28. Engelse vertaling van de Mensjewistische motie van 20 november 1905 (dank aan Ralph Carter Elwood) via https://johnriddell.com/2013/04/14/fortunes-of-a-formula-from-democratic-centralism-to-democratic-centralism/
  29. Idem.
  30. Lars T. Lih, Lenin Rediscovered http://ouleft.org/wp-content/uploads/lenin-rediscovered.pdf
  31. Lenin, The first steps of bourgeois betrayal https://www.marxists.org/archive/lenin/works/1905/jun/21.htm. Vertaling in tekst van Engels naar Nederlands door auteur
  32. 12e voorwaarde van de 21 voorwaarden.
  33. Voorwaarts… V.C.N. naar een communistische partij, p.5
  34. VCN, Partijdiscussie VCN