In het onderstaande artikel reageert Roos Woud op Tussen de Rode Sterren van Maria Heinlein. Het is een poging de argumenten van Heinlein te verdiepen en de politieke relevantie te vergroten door aan de hand van enkele bekende schrijvers en sociale wetenschappers stil te staan bij de vraag: kan fictie een daadwerkelijke bijdrage leveren aan de marxistische beweging in haar strijd voor een maatschappelijke omwenteling?

In dit stuk wil ik kort reageren op Tussen de Rode Sterren van Maria Heinlein. Hoewel ik als cultuurwetenschapper blij ben met een artikel over fictie en marxisme vanuit een cultureel perspectief, heb ik het een en ander op te merken met betrekking tot dit artikel. Deze opmerkingen zijn met name gericht op definities en conclusies die de schrijver verbindt aan bepaalde argumenten die ze aanhaalt. Zo mis ik diepgang en context in de argumentatie die Heinlein geeft omtrent de politieke relevantie van fictie en sciencefiction en denk ik dat ze haar politieke punt sterker neer had kunnen zetten. Waar de insteek en haar ideeën heel nuttig zijn, blijven deze teveel aan de oppervlakte. Desondanks geven de punten die ze maakt een goed inzicht in cultureel kapitalisme kritiek en zijn deze een zinnige bijdrage aan debat over de plaats van literatuur in de communistische beweging: waarom is sciencefiction überhaupt relevant voor onze politieke situatie? Dit artikel is dan ook bedoeld als een verdieping en niet een afwijzing van Heinleins artikel.

Heinlein schrijft in haar artikel over de rol die fictie, en met name sciencefiction, kan spelen in het voorstellen van alternatieve samenlevingen, buiten het kapitalisme. Ze haalt hierbij de term ‘kapitalistisch realisme’ van Mark Fisher aan, die beweerde dat het praktisch onmogelijk is voor kunst om een wereld te schetsen die een alternatief biedt op het kapitalisme. Heinlein beargumenteert aan de hand van drie voorbeelden dat er wel degelijk kunstenaars zijn die geprobeerd hebben dit ‘kapitalistisch realisme’ te doorbreken. Zo bespreekt ze een aflevering van de sciencefictionserie Star Trek, het boek Rode Ster van Alexander Bogdanov en het boek The Dispossessed van Ursula K. Le Guin. Uiteindelijk verbindt ze aan het bespreken van deze voorbeelden de conclusie dat het moeilijk is om een samenleving die radicaal anders is dan de onze voor te stellen, maar dat fictie, en met name science fiction, de fantasie van mensen prikkelt en hen zo te stimuleert wel kritisch te reflecteren op de kapitalistische samenleving, waardoor verandering uiteindelijk mogelijk is.

Sciencefiction: een definitie

Allereerst is een verdieping van de definitie van sciencefiction, en de koppeling ervan aan het kapitalisme, op zijn plaats. Darko Suvin, een formalistische theoreticus, definieerde sciencefiction als een genre waarin de schrijver focust op het tonen van een alternatieve wereld, die gebaseerd is op de wereld van de schrijver. Hierbij zijn de concepten vervreemding en kennis noodzakelijke elementen.1

Een verhaalwereld wordt gebaseerd op structuren van de eigen werkelijkheid van de schrijver. De verhaalwereld is echter toch altijd anders dan de echte wereld, door bepaalde technologische en/of wetenschappelijke aanpassingen. Door die structuren van de echte wereld van de schrijver, wordt er al een koppeling gemaakt met bepaalde politieke connotaties, die ook in deze echte wereld aanwezig zijn. Deze technologisch/wetenschappelijke aanpassingen zijn volgens Suvin noodzakelijk binnen sciencefiction. Hij stelt dat de verhaalwereld gebaseerd moet zijn op een ‘novum’, iets ‘nieuws’ en anders op technologisch gebied, waardoor de echte wereld en de verhaalwereld van elkaar afwijken.

Door deze afwijking ontstaat er een spanning tussen de verhaalwereld en de echte wereld, en deze zorgt voor de vervreemding bij de lezer die sciencefiction dus daadwerkelijk tot sciencefiction maakt. Deze cognitieve vervreemding heeft volgens Suvin altijd een plaats binnen sciencefiction omdat de verhaalwereld dus altijd spiegelt aan, maar door bepaalde technologische ontwikkelingen die niet stroken met de kennis die we hebben over technologie in de echte wereld, nooit gelijk is met de echte wereld.2

Sciencefiction en politiek

Heinlein beschrijft kort dat ze in zal gaan op het sociale aspect van sciencefiction en niet op “Zaken zoals buitenaards leven, (al dan niet realistische) ruimtevaart en vragen over wat de realiteit is.”3 Deze zaken zijn echter niet van elkaar los te zien, wanneer we Suvins definitie aanhouden. Ook is deze koppeling juist datgene dat sciencefiction politiek relevant maakt.

Dat de focus van Heinlein in het stuk vooral op het sociale aspect ligt is echter goed te begrijpen omdat dit ogenschijnlijk het meeste aansluit op het punt dat zij wil maken. De koppeling tussen het sociaal/politieke en het, kort gezegd, ‘technologische’ aspect, en dat dit sciencefiction juist tot sciencefiction maakt, is gemakkelijk over het hoofd te zien of gemakkelijk bewust aan de kant gelegd. Wat Heinlein wel scherp opmerkt is de problematisering van cultuurkritiek in bijvoorbeeld literatuur.

Zo haalt Heinlein Mark Fisher aan als het gaat om de link te leggen tussen een alomvattend politiek systeem: kapitalisme en sciencefiction. Wat Fisher schrijft sluit aan op Suvins theorie omtrent sciencefiction. Suvin problematiseert namelijk dat de vervreemding in sciencefiction de mogelijkheid heeft om radicaal andere werelden te scheppen, net zoals Fisher dit doet. Suvin stelt dat het kapitalisme met de opkomst van het postmodernisme alle mogelijke veranderingen in zich opslokte. Alle fictie en dergelijke zou vanaf dit moment geheel functioneren binnen de kaders van het kapitalisme.4

Zoals Heinlein schrijft, stelde Fisher in zijn boek Capitalist Realism (2009) dat de algemene opvatting niet alleen meer zou zijn dat het kapitalisme het enige, werkende, economische politieke systeem zou zijn, maar ook dat het tegenwoordig onmogelijk is om ons een ander systeem voor te stellen.5 Dit ‘kapitalistisch realisme’ als afbakening voor het denken van de mens door de neoliberale ideologie heeft volgens Fisher dan ook een grote invloed op kunst en cultuur, de theorieën van Fredric Jameson zijn hier goed aan te koppelen.

Jameson stelt namelijk aan de hand van Ernest Mandels definitie van laatkapitalisme (het derde stadium van het kapitalisme en de greep van kapitaal op zaken waar zij eerder geen grip op had, de nog verdere commodificering van de maatschappij), dat het postmodernisme de culturele uiting is van het laatkapitalisme.6 Dit betekent voor Jameson dat kunst bijna onmogelijk daadwerkelijk kritiek kan uiten op het kapitalisme, laat staan een alternatief hierop kan bieden. Jameson neemt echter wel een paradoxale houding aan omtrent sciencefiction, omdat hij dit ziet als een genre dat wel degelijk belangrijk is voor het uiten van maatschappijkritiek. Hoewel hij het onmogelijk acht dat sciencefiction alternatieven of utopieën kan tonen, stelt hij dat het genre wel ruimte biedt voor kritische reflecties op het kapitalisme, en dat dit de eerste stappen zijn in de richting van het ontmantelen van het kapitalisme.7

Ook Mark Bould geeft sciencefiction een speciale plek in de (al dan niet onmogelijke) cultuurkritiek, omdat een genre is dat vrijwel altijd reflecteert op de samenleving. Hij stelt namelijk dat juist door het gebruik van ‘nova’ en cognitieve vervreemding, sciencefiction vaker dan andere genres de kapitalistische structuren van onze maatschappij blootlegt en uitvergroot. Bould vindt dit ook een belangrijk aspect, omdat het ook ruimte biedt om pogingen te wagen om het ‘kapitalistisch realisme’ te doorbreken door kritische literatuur te schrijven die probeert antikapitalistisch te reflecteren.8

Dus wanneer Heinlein zegt dat er schrijvers en filmmakers zijn die pogingen gewaagd hebben om voor te stellen hoe een andere samenleving er dan uitziet, bedoelt zij dan dat er daadwerkelijk alternatieven getracht zijn te tonen, of dat er (in lijn met Bould) kritiek op ons huidige systeem geuit, of geprobeerd te uiten, wordt?

Voorbeelden en analyses

Om hier dieper op in te gaan wil ik Heinleins analyse van Star Trek aanhalen en kort ingaan op het benoemen van Bogdanovs Rode Ster. Ze geeft aan dat ze deze werken als voorbeelden ziet van literatuur en kunst die proberen een alternatieve wereld te scheppen, die een poging wagen het ‘kapitalistisch realisme’ te doorbreken. De insteek die ze biedt, het bekijken en naar voren schuiven van wat explicieter politieke sciencefiction, vind ik een goede ontwikkeling die ook tot inspiratie kan leiden. De argumentatie die echter achter deze stelling schuilgaat blijft aan de oppervlakte hangen, en maakt haar punt zwakker.

Allereerst denk ik dat het lastig is om de mogelijkheden, die al dan niet bestaan voor sciencefiction, om een andere wereld voor te stellen, toe te passen op Bogdanovs werk. Heinlein koppelt die mogelijkheid om een andere wereld voor te stellen dus aan Fishers ‘kapitalistisch realisme’. Ze benoemt Rode Ster als een voorbeeld van een werk dat een alternatief laat zien op het kapitalisme, als het ware een poging om Fishers zogenaamde ‘kapitalistisch realisme’ te doorbreken. Fisher heeft het echter expliciet over kunst in het laatkapitalisme, dus de periode vanaf de tweede wereldoorlog volgens Mandel, na de opkomst van het postmodernisme. Bogdanovs Rode Ster verscheen in 1908, geruime tijd vóór de periode waar Fisher het over heeft. Daarnaast was Bogdanov sinds 1903 een van de leidende figuren van de Bolsjewistische stroming binnen de Russische RSDAP, totdat hij hier in 1911 uitgewerkt is. Dit betekent dat hij in 1905 heeft gezien tijdens de eerste Russische revolutie dat systeemverandering een daadwerkelijk mogelijke zaak is. Negen jaar na het verschijnen van Rode Ster zou tijdens de Oktoberrevolutie het systeem in Rusland dan ook echt veranderen, maar het systeem dat er in Rusland heerste was zeker geen laatkapitalisme te noemen. De verdere commodificering van de maatschappij, waar de term laatkapitalisme vandaan komt, was toen nog niet ‘aan de hand’ op dezelfde manier als dat dit nu het geval is. Waar Heinlein Rode Ster dus neerzet als een poging tot het doorbreken van het ‘kapitalistisch realisme’, was er helemaal geen sprake van ‘kapitalistisch realisme’, in de definitie van Fisher, toen het werk geschreven werd. Wel kan er een hoopvolle boodschap uit de Rode Ster worden genomen. Het feit dat in de jonge Sovjet Unie geen ‘kapitalistisch realisme’ heerste, wijst erop dat deze ook in te toekomst weer doorbroken kan worden.

Vervolgens stelt Heinlein dat:

“Het grootste verschil tussen de Federatie en het communisme is dat de Federatie in Stark Trek niet tot stand komt door een revolutie waarin de grote meerderheid van de werkende mensen in opstand komt tegen de kleine groep kapitalisten die alles in handen hebben. Ondanks dat er, zoals aan het begin van dit artikel beschreven, er wel een opstand plaatsvindt, leidt deze tot een hervorming van het dan bestaande systeem. De stap naar revolutie en het compleet omverwerpen van het kapitalisme als geheel wordt net niet gemaakt. Desondanks, blijft Stark Trek een belangrijk werk wat laat zien hoe een samenleving zonder schaarste en privé-bezit eruit zou kunnen zien.”9

Er zouden dus parallellen met het kapitalisme geschetst worden in het ‘verleden’ van de filmische wereld van Star Trek. Het systeem waarin Star Trek zich afspeelt zou nu anders vormgegeven zijn door een opstand, maar dit was geen revolutie of omwenteling, dus de stap naar revolutie en het compleet omverwerpen van het kapitalisme is niet gebeurd. Kan er dan niet beargumenteerd worden dat Fisher en Jameson gelijk hadden in dit geval dat er zelfs met in grote lijnen een ander systeem neerzetten, alsnog binnen bepaalde kaders van het kapitalisme gedacht wordt? Ongewild of niet? En wat betekent dit dan voor de kritiek die de serie zou kunnen of willen bieden? Als er in fictie al geen radicaal ander systeem kan zijn, hoe kan dat in het echte leven wel? Desalniettemin ben ik het met Heinlein eens dat fictie en met name sciencefiction een belangrijke rol speelt in kritiek leveren op de maatschappij en het proberen te doorbreken van het kapitalistisch realisme.

Ik ben het eens met het idee dat sciencefiction als genre vrijwel altijd politiek geladen is omdat het een genre is dat altijd reflecteert op de echte maatschappij omdat het, Suvin aanhoudend, altijd deze maatschappij spiegelt, maar, door Suvins theorie van cognitieve vervreemding, ons hier ook altijd van vervreemd. Zoals Bould stelde, spiegelt sciencefiction bijvoorbeeld vaker dan andere genres de kapitalistische structuren van onze samenleving.10

In het stuk van Heinlein mist ook een uitleg over waarin sciencefiction verschilt van andere genres, en waarom dit genre dan bij uitstek geschikt is voor marxistische maatschappijkritiek. Heinlein heeft het over bepaalde functies van sciencefiction, zoals het verkennen van het heden. Ze stelt dat de buitenaardse wezens in Star Trek gebaseerd zijn op aspecten van mensen, die uitvergroot zijn om deze zo verder te verkennen. Ze heeft het specifiek over eigenschappen die herkenbaar zijn binnen het kapitalisme zoals hebzucht ( Ferengi), militarisme (Klingons en Cardassians) en bureaucratie (Romulanen). Heinlein stelt dat deze uitvergrotingen een manier zijn waarop sciencefiction het kapitalisme kan bekritiseren en tegelijkertijd een toekomstbeeld van een alternatieve wereld kan schetsen. Hiervoor stelde ze echter dat de radicaal andere samenleving uit Star Trek niet zo radicaal anders en antikapitalistisch is door het ontbreken van een daadwerkelijke breuk met het kapitalisme. Dat de serie dan een (goed) voorbeeld is van het tonen van een nieuwe, alternatieve wereld onder het socialisme, lijkt voor mij niet een erg steekhoudend argument. Wat wel degelijk interessant is, is dat uit deze uitleg blijkt dat het ‘novum’ gedeelte, het contact met buitenaardse wezens, een sciencefiction werk in staat kan stellen om bepaalde onderdelen van de kapitalistische structuur uit te vergroten, en deze zo nader te bekijken. De kritische mogelijkheden van sciencefiction, zelfs in de grotere en bekende werken zoals Star Trek, geeft Heinlein in die zin goed weer.

Conclusie

Ondanks de bovenstaande kritische woorden ben ik het tot op grote hoogte eens met Heinleins visie. Ik denk echter dat deze wat kort door de bocht gaat als het aankomt op maatschappijkritiek en dan met name de mogelijkheid tot het neerzetten van socialistische werelden in fictie. Ik denk niet dat dit de focus zou moeten zijn wanneer het gaat om de mogelijkheden van maatschappijkritiek door, met name, sciencefiction. Het kan namelijk heel inspirerend zijn om vanuit historisch perspectief een potentieel revolutionair genre te onderzoeken met het oog op hedendaagse maatschappelijke verandering.

Hoewel een discussie aan de hand van Suvin, Fisher, Jameson en Bould over de al dan niet mogelijke kritiek in fictie dan wel sciencefiction heel interessant is, is er een groter vraagstuk dat hierop aansluit dat mijns inziens nog relevanter is; namelijk of fictie en dan met name sciencefiction een bijdrage zou kunnen leveren aan de politiek marxistische beweging die daadwerkelijke verandering in de maatschappij teweeg kan brengen. Ik denk dat dit mogelijk is, maar ook alleen wanneer er een georganiseerde arbeidersbeweging is waarin kritische (of een poging tot kritische) fictie zich kan voortbewegen. Binnen de omstandigheden van een zwakke arbeidersbeweging staat literatuur op zichzelf. Hierdoor kan het veel minder vaak en minder goed een bijdrage leveren aan bijvoorbeeld deze arbeidersbeweging. Als een specifiek werk dan toch in staat blijkt te zijn een echt marxistisch, maatschappijkritisch, ‘kapitalistisch realisme’ doorbrekend narratief te bieden, hoeveel impact gaat dit individuele werk dan hebben? Op het moment dat er een sterke arbeidersbeweging is dan zou er een wisselwerking kunnen ontstaan, tussen het boek en de beweging, waardoor weer meer kritische werken de kop op kunnen steken, en nog belangrijker, waar de arbeidersbeweging hoop en misschien zelfs strategie uit kan putten.

In het kapitalisme zijn er namelijk wel degelijk objectieve tendensen naar organisatie van de arbeidersklasse en rondom vervreemding van het kapitalisme, en ook tendensen die de basis vormen voor communistische productie. Dus er zijn in de huidige maatschappij al daadwerkelijke tendensen die leiden tot maatschappijkritiek en die in zekere zin ook een beeld kunnen geven van hoe de nieuwe wereld eruit kan gaan zien. Daarnaast hebben we nu in het laatkapitalisme (er is te beargumenteren dat dit in de situatie hiervoor ook al het geval was) een situatie waarin bijvoorbeeld uitgevers heel veel macht hebben over het uitgeefproces, op een manier die het eerder niet had. Dit komt doordat de gehele cultuur en vrijwel elke vorm van culturele uitingen met de opkomst van het postmodernisme en laatkapitalisme opgeslokt zijn door kapitaal. Waar voorheen de uitgeefinstanties ook al onderdeel van de burgerlijke media waren, had de kunst en cultuur die hierin besproken werd in zekere zin meer autonomie. Die autonomie lijkt nu volledig verloren. Ook de (literaire) kritiek bevindt zich in eenzelfde positie. Om dit te kunnen doorbreken en (literaire) kritiek die écht kritisch is wel (weer) mogelijk te maken is een beweging nodig waarin gebouwd wordt aan ruimte voor deze vormen van kritiek. Deze beweging moet bestaan uit meer dan alleen boeken, films en (literaire) kritiek, maar juist ook uit de instituten waaruit deze voortkomen.

Naast een georganiseerde arbeidersbeweging is het dus ook nodig om een andere vorm van media op te bouwen tegenover de burgerlijke media. Media waarin échte maatschappijkritiek geleverd kan worden, kunnen dus resulteren in literaire werken die een productieve wisselwerking met de arbeidersbeweging kunnen creëren. Één boek of één film an sich kan de wereld niet veranderen, maar een boek of een film heeft wel de mogelijkheid om bij te dragen aan het veranderen van de wereld op het moment dat er een arbeidersbeweging bezig is met het veranderen van deze wereld. Als de sociale omstandigheden rijp zijn voor daadwerkelijk kapitalisme kritiek, maar de ideeën hiervoor niet bestaan, dan kan een schrijver bijdragen aan deze ideeën door middel van zijn (fictionele) literatuur.

  1. Darko Suvin, Positions and Presuppositions in Science Fiction (Basingstoke: Macmillan,1988), 37.
  2.   Gregory Renault, “Science Fiction as Cognitive Estrangement: Darko Suvin and the Marxist Critique of Mass Culture,” Discourse 2 (1980): 114.
  3. https://communisme.nu/brieven/2020/06/10/tussen-de-rode-sterren/
  4. Darko Suvin, Theses on Dystopia 2001, 2.
  5. Fisher, Capitalist Realism: Is There No Alternative?, 2
  6. Fredric Jameson, Postmodernism, or, the Cultural Logic of Late Capitalism (Durham: Duke University Press, 1991), 78.
  7. Edward James en Farah Mendlesohn. The Cambridge Companion to Science Fiction (Cambridge: Cambridge University Press, 2003), 121.
  8. Mark Bould en Rhys Williams, “SF NOW: Introduction.” Paradoxa, nr. 26 (2014) http://paradoxa.com/volumes/26/introduction
  9. https://communisme.nu/brieven/2020/06/10/tussen-de-rode-sterren/
  10. Mark Bould, ‘Introduction’ in Red Planets: Marxism and Science Fiction, ed. Mark Bould and China Mieville (Middletown: Wesleyan University Press, 2009), 4.