In dit artikel gaat Cornelis van Vliet in op het Trotskistische idee van het Overgangsprogramma, haar moderne uitvoeringen bij hedendaagse Trotskistische organisaties en de inherente gebreken die hiermee gepaard gaan. Tot slot doet Cornelis een aanzet voor een alternatieve kijk op de betekenis van het communistisch programma.

Als communisten is het aan ons de taak een weg vooruit te wijzen voor de arbeidersbeweging. Via analyses over de maatschappij komen we hierbij tot standpunten rondom verschillende strategische vraagstukken en een visie op waar we heen moeten. In deze zoektocht naar de weg vooruit is het belangrijk dat we lessen trekken uit de revolutionairen van het verleden, gezien hun ideeën (al dan niet vervormd) nog steeds een grote rol spelen in hedendaagse radicaal linkse politiek.

Het Communistisch Platform is bezig met een herschrijving van zijn programma, die op dit moment gestoeld is op een minimum-maximum basis. Om duidelijkheid te krijgen over op welke beginselen ons programma zich moet baseren is het nuttig een kritische blik te werpen op denkers die niet zo’n minimum-maximum basis aanhielden. Immers, zoals op communisme.nu al eerder is gesteld, is een sterke cultuur van kritiek en discussie de weg vooruit voor de arbeidersbeweging.

Een voorbeeld van zo’n denker is Leon Trotski. Als theoreticus, bolsjewiek en revolutionair heeft hij een noemenswaardige invloed gehad op de communistische beweging in Rusland en daarbuiten. Een aantal moderne organisaties in Nederland bedrijven nog steeds politiek in de “Trotskistische” traditie, zoals de Internationale Socialisten, Marxistische Studenten Utrecht en Socialistisch Alternatief.

Ondanks het falen van Trotski en zijn “fellow travelers” om veel politieke relevantie te winnen laat de Trotskistische traditie ons wel een collectie aan theoretische werken achter. Trotski zelf schreef inspirerende teksten over een grote verzameling aan onderwerpen, zoals zijn analyse van het fascisme en zijn kritiek op de Stalinistische buitenlandpolitiek.

Eén van de meest invloedrijke en belangrijke teksten van Trotski is die van “Het Overgangsprogramma”. Hierin zet Trotski een visie uiteen voor hoe communisten een programma voor zich moeten zien, aangepast aan de context van die tijd. De tekst heeft vandaag de dag nog steeds veel invloed op Trotskistische organisaties en revolutionair links. Mijn insteek met dit artikel is uiteen te zetten waar de tekst over gaat, wat er mis is met het Overgangsprogramma en hoe deze interpretatie nog steeds een negatieve invloed heeft op hedendaags (Trotskistisch) links.

Kapitalisme in verval

Het Overgangsprogramma kent zijn oorsprong als tekst in het jaar 1938. Door het harde werk van Trotski ontstond er toendertijd een kleine Trotskistische beweging in het Westen die verzet bleef bieden tegen Stalin. Tegelijkertijd werd echter de bestaande arbeidersbeweging gedomineerd door Stalinistische partijen en reformistische socialisten.

Trotski begint zijn tekst met een analyse van de huidige situatie. Het kapitalisme staat op het punt van verval en zal spoedig tot een einde komen. Ook staat er een nieuwe wereldoorlog voor de deur die de doodsteek zal zijn voor de bestaande economische en politieke machten. De tijd voor het socialisme is aangebroken en zelfs “overrijp”. Er is dus sprake van een politieke irrelevantie van Trotskisten, maar ook een spoedige crisis van het kapitalisme en daarmee de politieke relevantie van het socialisme.

Het is deze paradox die Trotski er toe beweegt om in zijn tekst een aantal strategische standpunten in te nemen. Allereerst breekt hij met het idee van het “minimum-maximumprogramma” wat grofweg de programmatische oriëntatie was van de oude Duitse (Marxistische) sociaaldemocratie en de Russische Bolsjewieken. Hierbij is het minimum gedeelte de eisen die haalbaar zijn onder het kapitalisme en de basis bieden voor de dictatuur van de proletariaat, terwijl het maximum gedeelte het socialisme-communisme is (het einddoel).

In tegenstelling tot het minimum-maximumprogramma zet hij hier een revolutionair alternatief tegenover. De val van het kapitalisme en de relevantie van het socialisme is hier, dus men moet zich programmatisch heroriënteren op eisen die deze ontwikkeling in de hand werken en deze transitie werkelijkheid maken.

Trotski maakt hier in de tekst een onderscheid tussen partiële (deel)eisen en overgangseisen. Deeleisen zijn economische strijdeisen zoals “loonstijgingen boven inflatie” of “gegarandeerde werkgelegenheid door publieke werken” die aangevoerd kunnen worden in de belangenstrijd van werkende mensen en aansluiten bij het huidige klassenbewustzijn.

Deze eisen kunnen echter niet door het systeem ingewilligd worden, stelt Trotski, gezien het kapitalisme in een staat van verval is. Dat betekent dat door de strijd voor de deeleisen de overgangseisen onmiddellijk op de agenda komen. Dit zijn de eisen die praktisch de machtsovername van de proletariaat inhouden, via werknemerscontrole en onteigening.
In tegenstelling tot het oude minimum-maximumprogramma is er hier dus sprake van een duidelijke programmatische breuk met het principe van “revolutionair geduld”. Communisten moeten niet door geduldig praktijkwerk een beweging en partij bouwen die de meerderheid van de bevolking wint voor het socialisme, want het socialisme staat al op de agenda. De concrete realiteit van een failliet kapitalisme betekent namelijk dat elke dag de noodzaak van het socialisme meer duidelijk wordt. Door normale mensen te organiseren in de strijd voor behoud van levensstandaarden, iets wat het stervende kapitalisme niet kan inwilligen, zullen zij zich realiseren dat een proletarische machtsovername via Sovjets en werknemerscontrole noodzaak is. Het systeem kan deze economische eisen immers niet verzekeren, wat betekent dat de enige oplossing een einde aan het systeem is!

Dit betekent praktisch dat de kleine Trotskistische groepen ondanks hun politieke irrelevantie nog steeds een positie kunnen winnen. Door het organiseren van mensen voor directe economische eisen, die vervolgens binnen het stervende kapitalisme niet ingewilligd kunnen worden, zullen de massa’s zich de noodzaak realiseren van een socialistische revolutie. De uiteindelijke confrontatie en crisis van het kapitalisme die eraan komt is het moment dat de kleine Trotskistische groepen, met een sterke theoretische basis en revolutionaire visie, boven komen drijven. Zij zullen dan, vrij van sociaaldemocratische en stalinistische afwijkingen, de leiders van de revolutie worden.

Theoretisch verval

De problemen met Trotski zijn Overgangsprogramma en de bijbehorende conclusies zijn velerlei. Allereerst te beginnen met de fouten in zijn voorspellingen.

Trotski werd in 1940 vermoord, dus heeft niet kunnen zien hoe zijn voorspelling af zou lopen. In tegenstelling tot wat hij had verwacht bleek het kapitalisme niet in verval te zijn, ook na de Tweede Wereldoorlog en tot op de dag van vandaag is het kapitalisme oppermachtig. Dit betekent dat de conclusies van Trotski en zijn analyse van het kapitalisme uitgaan van een veel minder weerbaar kapitalisme dan de werkelijkheid laat zien, het kapitalisme is immers ondanks alles nog steeds dominant en lijkt maar niet in te storten.

Naast de voorspellingen zitten de grootste problemen van het Overgangsprogramma in de conclusies over strategie en programma. De aannames en conclusies van het stuk zitten hierbij vol met illusies in spontaniteit.

Allereerst is de aanname dat economische strijd zal leiden naar revolutionaire conclusies ronduit illusionair. Er is geen reden waarom de strijd voor betere levensstandaarden zichzelf automatisch zal vertalen in grote massa’s die zich bewust zijn van de noodzaak van socialisme. Zulk klassenbewustzijn komt niet alleen organisch tot stand, maar voornamelijk door de geduldige inspanningen van communisten die gedurende een lange periode zich inspannen om een meerderheid van de werkende klasse te winnen voor hun ideeën. Een programma wat enkel gebouwd is op de verwachting dat eisen vanzelf een radicaliserende werking zullen hebben is gedoemd vast te blijven steken bij die strijdeisen. Zelfs al zou economische strijd zich gaan vertalen in een revolutionaire crisis betekent dat ook zeker niet de overwinning van de proletariaat.

De vorming van arbeidersraden, het starten van een algemene staking etc. zijn immers middelen die per definitie economisch van aard zijn, terwijl het vraagstuk van de revolutie een politiek vraagstuk is. Als er een revolutionaire crisis ontstaat, met daaruit volgend misschien zelfs een algemene staking, zullen het de best politiek georganiseerde krachten zijn die het overnemen. Het idee dat een kleine revolutionaire voorhoedepartij, zonder worteling in de massa’s, zich meester kan maken van een revolutionaire crisis is hierbij ronduit lachwekkend. In de zoektocht voor een politieke oplossing voor de crisis zal men altijd uitkomen bij de meest georganiseerde politieke groep, of zal er een terugval plaatsvinden op oude krachten.

Een goed voorbeeld om dit te illustreren is de Egyptische revolutie. Na de algemene staking was het niet links maar het Moslimbroederschap die de staatsmacht overnam en aan het langste eind trok. Zij waren immers de best georganiseerde groep met wortels in de massa’s die zo het politieke machtsvacuüm konden vullen. Toen uiteindelijk het Moslimbroederschap afgezet werd gebeurde dat via de oude krachten (het leger).

Het probleem met het Overgangsprogramma is dan ook dat het een “shortcut” naar de revolutie bepleit. In plaats van de noodzakelijke partijbeweging op te bouwen die een meerderheid wint voor het socialisme, moeten de massa’s als het ware via een “truc” het socialisme ingeluisd worden. Zij zullen immers eerst de economische strijd ingeleid worden en daarna in fases (staking->comité->sovjet) door de Trotskistische voorhoede de weg naar het socialisme geleid worden. Deze visie op strategie heeft meer weg van de door Marx fel bekritiseerde Louis Blanqui, die dacht dat men door het initiatief van een verlichte minderheid tot het socialisme kon komen.

Een bijkomend effect van deze economistische visie op de weg vooruit is dat het belang van een programma praktisch afgeschaft wordt. Voor Marxisten is er een noodzaak om een politiek programma te hebben, waarin we onze analyse op de maatschappij, onze tactiek en onze minimale en maximale eisen voorleggen. Daarmee kunnen we vervolgens mensen voor ons winnen en het biedt ook een houvast voor de communistische organisatie en haar interne democratie. Met het Overgangsprogramma reduceert Trotski dit vraagstuk van politieke macht tot een aantal economische strijdeisen die aansluiten bij het huidige bewustzijn van mensen, waaruit dan “vanzelf” de noodzaak van het socialisme zou vloeien. De verdere politieke eisen van het Overgangsprogramma raken hierin ondergesneeuwd, gezien er geen realistische koppeling wordt geschetst van hoe we van simpele strijdeisen naar het socialisme komen. In deze zin is er een parallel met de “redelijke eisen” van de SP vandaag die op vergelijkbare manier proberen een link te leggen tussen schimmelwoningen en socialisme.

Deze afwezigheid van een koppeling tussen onmiddellijke eisen en het socialisme ontstaat ook omdat Trotski zich baseert op een misinterpretatie van het minimum-maximumprogram. In zijn ogen was het minimumprogramma simpelweg een voltooiing van de burgerlijke revolutie, dus moest deze verworpen worden. De tijd is immers rijp voor socialisme, dus de burgerlijke revolutie is verleden tijd. Een andere interpretatie van het minimumprogramma is echter dat dit de basis is voor de dictatuur van de proletariaat. Als klasse heb je een antwoord nodig op het politieke machtsvraagstuk en de condities waarop een communistische partij – een partij dus waarin de meerderheid van de arbeidersklasse bewust politiek georganiseerd is, of in ieder geval passieve steun verleent – de macht over zal nemen. Tegelijkertijd heb je voor het opbouwen van je beweging strijdeisen nodig en een duidelijke stellingname op alle thema’s die onze klasse aangaan.

Deze elementen komen samen in het minimumprogramma, wat een programma is voor wat zo’n arbeidersregering onmiddelijk zou doorvoeren wanneer deze aan de macht zou komen en hoe de machtsovername gerealiseerd wordt. Na deze machtsovername kan er gewerkt worden aan het maximumgedeelte, namelijk het overstijgen van het kapitalisme en het realiseren van socialisme. Je hebt zo een duidelijke link tussen je directe politieke programma (de machtsovername van werkende mensen) en en je einddoel (socialisme), in plaats van een vaag verband tussen strijdeisen en overgangseisen.

Tot slot is er ook wat af te dingen op zijn fetisjisme van arbeidersraden. Het radensysteem van uitgebouwde stakingscomités wordt gezien als dé manier hoe de staatsmacht vormgegeven kan worden na de revolutie. Dit is begrijpelijk, gezien Trotski een belangrijke rol had bij de Russische Revolutie waar deze arbeidersraden een belangrijke rol speelden.

Echter kunnen deze raden geen realistische basis vormen voor een staat. De arbeidersraden zijn zo ingericht dat het democratische element alleen actief is wanneer mensen permanent politiek bezig en gemobiliseerd zijn. Als echter deze mobilisatie afneemt, ligt de macht voornamelijk bij de uitvoerende comités belast met de dagelijkse gang van zaken. We zagen in de Russische Revolutie hoe dit in de praktijk neerkwam op een opkomende bureaucratie vrij van democratische controle, wat nog eens verergerd werd door de burgeroorlog en bijkomende militarisering. Alleen politieke, verkozen organen die (vrijwel) permanent in sessie zijn kunnen de basis bieden voor staatsmacht, anders wordt opnieuw teruggegrepen op bestaande krachten en hiërarchieën. Een revolutie gebaseerd op “spontane” vormen van directe democratie, arbeidersraden en dergelijke zal al snel geen antwoord hebben op het vraagstuk van de politieke macht, en terugvallen op oude vormen van autoriteit. Het antwoord op dit vraagstuk is, in de lijn van Kautsky en het Communistische Platform, de democratische republiek.

Het Overgangsprogramma vandaag de dag

Om te snappen waar het Overgangsprogramma de fout ingaat kunnen we ook kijken naar de belabberde ideologische en organisatorische staat van hedendaags (Trotskistisch) links.

Allereerst kan je dat zien aan de ronduit fatalistische verwachtingen over kapitalisme. Alhoewel sommige Trotskisten in de jaren ’50 erkenden dat zijn uitspraken over het “verval” van het kapitalisme niet uit waren gekomen, blijven veel moderne Trotskisten en andere groepen op links vast zitten in dit denken. Kapitalistische crises, de ineenstorting van het systeem en een revolutionair moment liggen volgens dit clubje Trotskistische sektes altijd om de hoek. Hiermee onderschatten ze fundamenteel de weerbaarheid van de kapitalistische orde. In 2013 bijvoorbeeld stelde Revolutie, de Nederlandse sectie van IMT, dat het kapitalisme “geen bestaansrecht” meer heeft en dat de wereldrevolutie nabij was.1 Dat dat vervolgens niet gebeurde was geen reden voor zelfkritiek, nee, in hun meest recentelijke corona-gerelateerde publicatie zeggen ze dat deze crisis opnieuw het einde van het kapitalisme zal betekenen.2 Zo vervallen analyses op links in een eindeloze reproductie van dogma’s; de doodsteek van het kapitalisme is er nu echt! Dat het vervolgens alsnog niet gebeurt is nooit een falsificatie van hun denken, wat dit soort Marxisme onwetenschappelijk maakt.

Dit brengt mij tot mijn tweede punt; het effect van het Overgangsprogramma op strategie. Zoals ik al eerder stelde ontkent Trotski het belang van het minimum-maximumprogramma, en überhaupt dat van een programma breder dan een kleine verzameling strijd- en overgangseisen. Dit laat zich in de praktijk merken bij bestaande Trotskistische organisaties.

De Nederlandse sectie van de IMT en het Socialistisch Alternatief hebben als “programma” alleen wat economistische strijdeisen.3 4 De Internationale Socialisten hebben zelfs geen programma. Dit betekent in de praktijk dat de lijn van de organisatie is wat de betreffende partijleiders willen dat het is; een dictatuur van beroepsactivisten.

Het hebben van een door de leden bepaald politiek programma biedt immers een kans voor discussie, democratische controle en duidelijkheid. Zonder het vastleggen van de algemene strategie, de gedeelde uitgangspunten en de politieke visie op uiteenlopende thema’s staat het de partijkliek vrij om zelf te bepalen waar de organisatie naartoe gaat. Combineer dit met vaak bureaucratische interpretaties van democratisch centralisme en je krijgt een partij waarin elke kritiek op een koerswijziging of het aandragen van alternatieve visies doodgeslagen wordt met verwijzingen naar wat Trotski werken.

De gevolgen hiervan zijn duidelijk. Bij elk serieus meningsverschil wordt er gesplitst en enig serieus debat over verschillen in meningen over vraagstukken wordt niet gehouden. Het enige waar wel ruimte voor over blijft is het schrijven van krantjes waarvan de inhoud al maanden van tevoren te voorspellen valt (het zijn immers altijd dezelfde dogma’s en inhoudsloze voorspellingen) of het opportunistisch aansluiten bij elke nieuwe sociale beweging die te infiltreren valt.

Hedendaagse Trotskistische clubjes houden zichzelf dan ook vooral bezig met wat randactivisme. De zoveelste demonstratie wordt weer aangehaald als moment om wat zieltjes te winnen en IS staat erom bekend om frontjes op te tuigen om mensen binnen te halen op hete thema’s. Trotski zijn nadruk op het voeren van strijdeisen die aansluiten bij mensen hun eigen bewustzijn wordt zo aangehaald om opportunistisch achter sociale bewegingen aan te lopen, die proberen te kapen of te infiltreren.

In het geval van de IMT wordt de “shortcut” manier van kijken naar de revolutie het meest duidelijk. Men moet niet bezig zijn met het bouwen van een partijbeweging of het actief winnen van de bestaande arbeidersbeweging voor je communistische programma. Wat hun visie is is dat van de revolutionaire sekte; een kleine, theoretisch pure organisatie die als de tijd van revolutie eindelijk aangebroken is (deze keer wel goed voorspeld) naar voren kan springen als de leider van deze spontane golf. Met het geheel sektarisch negeren van enige bestaande beweging als gevolg.

Het karakter van veel hedendaagse Trotskistische organisaties is niet heel anders. Wereldwijd opgesplitst in duizend verschillende sektarische clubjes wachten ze op de komende revolutionaire golf of sluiten ze zich opportunistisch aan bij bestaande sociale bewegingen. Grotere Trotskistische organisaties als het Socialistisch Alternatief in Amerika of “People before Profit” in Ierland zijn vervallen in parlementair coalitionisme en het vrijwel kritiekloos volgen van sociaaldemocraten.

De antwoorden voor ons als communisten liggen daarom ook niet in het Overgangsprogramma of in de theoretische en organisatorische kadavers van hedendaags Trotskisme. Onze weg naar het socialisme is niet te bereiken via een shortcut, maar alleen via het opbouwen van een communistische partij die sterke wortels heeft in de bestaande arbeidersbeweging (de SP en de vakbonden) en de arbeidersklasse. Hierbij hebben we een minimum-maximumprogramma nodig, dat een uitgebreide visie bevat op onze analyse, strategie, eisen en einddoel. Ik roep alle Trotskisten in Nederland die deze visie delen zich bij ons aan te sluiten, of in hun organisaties de strijd aan te gaan voor een betere politiek. De weg naar een goede programmatische basis en een communistische partij beginnen met een kritische evaluatie van de dogma’s van het verleden en onze analyses voor de toekomst!