Zonder smet

snee3501

Ron Blom kijkt naar de geschiedenis van het Trotskisme in Nederland, in dit eerste stuk van zijn lezing op de Socialisme Dag in Breda.

Ik zal beginnen met iets te vertellen over het tot stand komen van het door iedereen als goed leesbaar geprezen boek ‘Een banier waar geen smet op rust’. De geschiedenis van het trotskisme in Nederland, 1938 – heden1. Daarnaast zal ik ook kort in gaan op de afdeling van de SAP in Breda, ofschoon de voorloper IKB ook activiteiten organiseerde. Zo hield de IKB hier eind jaren zeventig scholingen waarop zo’n twintig bezoekers afkwamen. Aan de hand van de slotbeschouwing van ons boek zal ik mijn inleiding opbouwen. Daarbij is er ook nog ruim voldoende gelegenheid zijn om door middel van bijvoorbeeld vragen verder te discussiëren. Want ik ben van mening dat ook activisten binnen en rond de Socialistische Partij zouden kunnen leren van deze geschiedenis en wellicht toekomst.
We – ik en Bart van der Steen – hebben dit project opgepakt in de winter van 2011, nadat we ons andere boek Wij gingen onze eigen weg. Herinneringen van revolutionaire socialisten in Nederland van 1930 tot 1950 hadden gepubliceerd. Deze samenwerking was goed bevallen en we hebben hier dan ook enkele jaren aan gewerkt naast ons reguliere werk.
We hebben geput uit diverse archieven, rapporten van de inlichtingendiensten, memoires en ook uit een groot aantal interviews die we hebben kunnen houden met betrokkenen. In de titel spreken we van De geschiedenis en Trotskismes: interpretaties en verschillende stromingen (Socialistische Arbeiders Partij, Internationale Socialisten, Offensief/Socialistisch Alternatief, Vonk, etc.) Als we de geschiedenis van het trotskisme in Nederland overzien, valt een aantal zaken direct op. In de eerste plaats is het wellicht beter om over ‘trotskismes’ in meervoud te spreken, zoals de Franse marxist Daniël Bensaïd (Vierde Internationale Verenigd Secretariaat) en de Britse marxist Duncan Hallas (International Socialist Tendency) voorstellen2. Want hoewel de verschillende groepen een zelfde oorsprong hebben, hebben zij zich inmiddels in uiteenlopende richtingen ontwikkeld. Ook internationaal bestaat er in feite geen verband meer dat aanspraak kan maken als enige de ware Vierde Internationale te zijn.

Wortels Nederlands trotskisme: ‘Sneevlietbeweging’

De wortels van het Nederlandse trotskisme liggen zoals gezegd in de vooroorlogse Sneevlietbeweging. Henk Sneevliet was de leider van de antistalinistische Revolutionair-Socialistische (Arbeiders) Partij (RSP/RSAP) en tevens voorzitter van het radicale vakverbond het Nationaal Arbeidssecretariaat (NAS). Zonder twijfel was zij de meest geslaagde revolutionair-socialistische beweging in Nederland, op der periode van de Communistische Partij vlak na de Eerste Wereldoorlog na. De RSP/RSAP telde in de jaren dertig zo’n duizend leden, had gemeenteraadsleden in een aantal grote steden en beschikte zelfs enige tijd over een Tweede Kamerlid.
Hoewel Sneevliet aanvankelijk goede banden onderhield met Trotski, namen de onderlinge conflicten later in de jaren dertig toe. Een van de grote twistpunten was de focus op het NAS. Trotski vond die beweging te klein en was van mening dat Sneevliet en de zijnen zich moesten richten op het beïnvloeden van het veel grotere sociaaldemocratisch vakverbond. Sneevliet liet zich daar weinig aan gelegen liggen, en had daar groot gelijk in, omdat er voor de revolutionair-socialisten geen enkele ruimte was binnen het NVV. Eind jaren veertig zouden zich in Nederland desondanks opnieuw zulk soort meningsverschillen voordoen.
Vanaf dat moment stapelden de conflicten zich op. Sneevliet zag weinig in Trotski’s plan om in 1938 een Vierde Internationale op te richten. Hij vond dat plan voorbarig, omdat de verschillende trotskistische groepen in de diverse landen nog veel te marginaal waren. Sneevliets geestverwant de schrijver Victor Serge schreef in 1942 over die discussie: ‘Net als ik hield hij [Sneevliet] van en bewonderde hij Leon Trotsky, maar onze gevoelens waren gemengd met irritatie, een groeiende muiterij tegen zijn autoritaire manieren. … We waren het erover eens dat je geen nieuwe Internationale kan stichten zonder eerst twee of drie echte partijen of groepen in twee of drie belangrijke landen te hebben3.’
Uiteindelijk leidden de meningsverschillen tot een breuk, die mede veroorzaakt werd door Trotski’s pogingen om mensen uit de jongerenbeweging van de RSAP tegen Sneevliet op te zetten. Aan Serge schreef Sneevliet daarover: ‘Zonder iets te begrijpen van onze situatie, wil de Oude Man ons dictaten opleggen. Hij moedigt drie of vier blinde fanatiekelingen uit Rotterdam [Gerrit de Wilde en Herman Peters] die theorieën op een typemachine rammen aan om de partij te scheuren; het is pathetisch en dom.’ De door Herman Peters en Gerrit de Wilde opgerichte Groep van Bolsjewiki-Leninisten (GBL) had als doel ‘het bouwen van een kader … dat in staat is de massabeweging in de revolutie te begrijpen en de stuwende kracht daarvan te worden’. Dat eerste is haar ten dele gelukt – de GBL vormde al snel een kleine maar hechte groep van toegewijde jongeren – maar een stuwende kracht werd zij niet. En van het overnemen van de leiding van de arbeidersbeweging waarover Trotski sprak in zijn Overgangsprogramma, kwam evenmin iets terecht.
De GBL hield in 1940 op te bestaan en in 1942 ontstond er een nieuwe trotskistische organisatie: het Comité van Revolutionaire Marxisten (CRM). Het doel van deze verzetsgroep – waar veel van de bovengenoemde jongeren elkaar weer vonden – was een stuk bescheidener. Auteur Wim Bot concludeerde aan het einde van zijn studie naar de organisatie: ‘Het CRM probeerde vooral de eigen organisatie bijeen te houden en publicaties uit te geven.’ Die beide doelen heeft zij bereikt. Het CRM verloor vrijwel geen leden en werd ook niet vernietigd door de bezetter. Dat gold niet voor het Marx-Lenin-Luxemburg Front (MLL-Front) dat uit de Sneevliet-beweging was voortgekomen en in 1942 werd opgerold. Onder de zeven leiders die uiteindelijk werden gefusilleerd zaten vaders, schoonvaders en goede vrienden van de trotskistische jongeren.
Het CRM werd na de oorlog omgedoopt tot Revolutionair Communistische Partij (RCP) en wist licht te profiteren van de radicalisering van de bevolking en het idee dat er een nieuw begin gemaakt moest worden. Het ledental steeg tot zo’n tweehonderd (de Binnenlandse Veiligheidsdienst/BVD schatte het aantal later zelfs op vierhonderd). Dat was echter niets in vergelijking met de groei die de communistische partij doormaakte. De hoop (niet in de laatste plaats van de in 1940 vermoorde Trotski zelf) op een soort herhaling van het scenario van de Eerste Wereldoorlog – die resulteerde in een (korte) periode van revolutionaire opgang – én op een herstel van de socialistische democratie in de Sovjet-Unie bleek op drijfzand gebaseerd. De pro-Moskou communistische beweging kon zich na de oorlog in belangrijke mate versterken door het opgebouwde krediet van het Nederlandse verzet en door het Rode Leger dat onder leiding van Stalin en met enorme verliezen de nazi’s wist terug te drijven tot aan Berlijn.
De CPN haalde bij de verkiezingen van 1946 tien procent van de stemmen. De RCP had zichzelf ten doel gesteld om uiteindelijk als revolutionaire arbeidersmassapartij de CPN voorbij te streven. Dat bleek voor deze kleine groep veel te hoog gegrepen. De tragiek voor de RCP was dat zij niet alleen tegen de sterk gegroeide CPN moest opboksen maar tegelijkertijd – voor een algemeen arbeidersgehoor – een tweeslachtige houding innam. Zo riep zij bij de verkiezingen van 1946 – waaraan ze zelf niet mee kon doen – op om op de stalinisten te stemmen. Natuurlijk onder voorwaarden en zonder illusies, maar voor velen moet het onduidelijk geweest zijn waarom men op een partij zou moeten stemmen die tegelijkertijd verfoeid werd. Als men al enige kennis nam van het bestaan c.q. de standpunten van de RCP.
Aan het begin van de jaren vijftig maakten de trotskisten de balans op van zeven jaar RCP en besloten vervolgens om hun partij op te heffen. In plaats daarvan zou men actief worden in de sociaaldemocratie. Dat besluit leidde tot heftige conflicten met de Rotterdamse afdeling, die uiteindelijk alleen verder ging. Deze richtte vervolgens haar krachten op het lokaal sterke Onafhankelijk Verbond van Bedrijfsorganisaties en, enige tijd later, ook op de Rotterdamse Pacifistisch Socialistische Partij (PSP), waar zij een zekere invloed verwierf. […]
Na de opheffing van de RCP duurde het tot 1972 voordat er weer een zelfstandige trotskistische organisatie opgericht werd met als doel de opbouw van een eigen revolutionaire arbeiderspartij. Dat was de Internationale Kommunistenbond (IKB), later Socialistiese Arbeiderspartij (SAP) geheten. Zij heeft bijna vijfentwintig jaar gepoogd om door te breken als arbeidersmassapartij, maar in de jaren negentig werd die ambitie langzaam losgelaten en in plaats daarvan gekozen voor een rol als politiek netwerk.
Maar ook de andere stromingen zijn in Nederland tot nu toe marginaal gebleven. De SAP telde op haar hoogtepunt zo’n tweehonderd leden. Andere trotskistische groepen zijn daar zelden boven uitgestegen en waren vaak zelfs een stuk kleiner. Toen bijvoorbeeld de journalist Igor Cornelissen zich in 1960 aansloot, telde de sectie (Nederlandse afdeling) nog maar enkele tientallen leden. Desalniettemin besloot hij niet alleen lid te worden, maar ook een groot deel van zijn vrije tijd aan deze beweging te wijden. Dat is meteen het tweede punt: de leden van de diverse groepen waren bereid om zich veel opofferingen te getroosten ten behoeve van de opbouw van de beweging. Vanzelfsprekend was een groot deel van de activiteiten van de trotskisten er telkens op gericht hun marginale positie af te werpen. Waarom is dat dan tot nu toe nooit gelukt? Waarom zijn de trotskisten nooit doorgebroken? En waarom zijn mensen desondanks telkens weer actief geworden en/of gebleven in deze organisaties? Dit is een debat dat mede door ons boek langzamerhand wordt opgestart.
Met die laatste vraag hangt nog een andere belangrijke kwestie samen. Wat voor invloed heeft de beweging gehad; op de arbeidersbeweging, de Nederlandse politiek of de linkse scene? Hebben trotskisten een grotere rol gespeeld dan is af te meten aan hun geringe grootte? En zo ja, hoe blijvend is die invloed? En ten slotte, is er een toekomst mogelijk voor het trotskisme in de eenentwintigste eeuw, niet alleen in Nederland maar ook internationaal?

Voortdurende marginaliteit

In ons boek presenteren we enkele verklaringen voor de blijvende marginaliteit van de trotskistische groepen. Sommige daarvan zijn algemeen van aard. De Nederlandse trotskisten deden het niet veel beter of slechter dan groepen in de ons omringende landen. Nergens in Europa hebben trotskisten massaorganisaties weten op te bouwen, en dus ook in Vlaanderen en (West-)Duitsland bleven de trotskisten altijd een klein gezelschap. In Engeland wisten ze af en toe enige invloed te verwerven. […]
Vaak is er gewezen op de druk van buitenaf en de dominante positie van de andere socialistische stromingen. Zo konden de trotskisten zich moeilijk staande houden tegen de veel grotere, hen vanzelfsprekend vaak slecht gezinde, sociaaldemocratische en communistische organisaties. Ze werden geweerd uit de vakbonden – soms met hulp van de inlichtingendiensten – en zeker de communisten hadden weinig moeite hun dominantie ook op een minder vriendelijke manier geldend te maken. […]
Met name bij de communisten trad er in de jaren dertig een verruwing op. De terreur in de Sovjet-Unie nam ongekende vormen aan en verspreidde zich vandaar al snel naar de rest van Europa. Tijdens de Spaanse revolutie/burgeroorlog (1936-1939) ‘arresteerde’ en vermoordde de Sovjet-Russische geheime dienst (GPU) duizenden antistalinistische revolutionairen. […]
De kracht van de anderen is vaak gebruikt als verklaring voor de zwakte van de trotskisten. Want waarom zou je je bij een kleine splintergroep aansluiten, met mogelijk gevaar voor eigen lijf en leden, wanneer er veel sterkere en grotere organisaties zijn, met veel meer mogelijkheden? De eigen zwakte is vaak aangedragen als een factor die zichzelf in stand hield: omdat de trotskisten klein waren, trokken ze ook weinig mensen aan, waardoor zij klein bleven.
Toch zijn deze verklaringen op zichzelf niet afdoende. Ten eerste omdat ook de sociaaldemocraten en communisten bij tijd en wijle te kampen hadden met sterke tegenwerking: door andere politieke groeperingen, werkgevers of de overheid. Ten tweede is het anderen in bepaalde perioden wél gelukt om de dominante positie van de sociaaldemocraten en communisten aan te vechten. Zo wisten de communisten na de Eerste Wereldoorlog een deel van de oorspronkelijke aanhang van de sociaaldemocraten (en ook sociaal-anarchisten) voor zich te winnen. En de revolutionair-socialisten onder leiding van Henk Sneevliet konden in de jaren dertig een levensvatbare, antistalinistische beweging opbouwen, die zelfs een Kamerzetel veroverde. Ook de PSP wist zich tegenover sociaaldemocraten en communisten staande te houden. Ten slotte lukte het de ex-maoïstische SP in de jaren negentig om door te breken en de politieke ruimte links van de PvdA in te nemen, daar waar de CPN en de PSP inmiddels verdwenen waren.

De Russische kwestie

Een deel van de verklaring voor de marginaliteit heeft zeker te maken met de politiek en partijcultuur van de trotskisten. Want bij de trotskisten leidde de afbakening van sociaaldemocratie en stalinisme tot een sterke accentuering van het politieke programma. De trotskisten vormden een oppositiebeweging binnen links. Ze hadden na de Russische Revolutie als communisten gebroken met de sociaaldemocratie en in de jaren twintig weer met de officiële – gestaliniseerde – communistische beweging. […] Trotskisten haalden de communisten links in en definieerden zichzelf voor een groot deel middels die zaken waarover ze het niet eens waren met andere linkse groepen. Ze gaven antwoorden ‘op vragen die gewone mensen zichzelf niet stellen’.
Veel van die antwoorden waren beoordelingen van het stalinisme en regimes die zichzelf communistisch noemden. Het ging over de precieze datering van het verval (of degeneratie) van de Sovjet-Unie, het socialistisch gehalte van de Oostblokstaten en van Joegoslavië en China. En verder ging het over de vraag hoe de ‘kritische solidariteit’ met deze regimes – namelijk verdediging tegen agressie van buitenaf in de vorm van het imperialisme en voor democratisering – vorm moest krijgen en hoever men daarin moest gaan. In feite lopen deze discussies tot op de dag van vandaag door, bijvoorbeeld wanneer het gaat om de houding tegenover het zich socialistisch noemende Cuba en Venezuela. […] Juist kwesties als deze lieten andere links-oppositionele groepen als de PSP en SP (Peking!) op een bepaald moment links liggen – linkse bewegingen die echter wél doorbraken.
Voor de trotskisten waren deze discussies van zeer groot belang, met name omdat het de redding van de erfenis van de Russische Revolutie betrof. Door aan te tonen dat de revolutie pas later ontspoord was, probeerden zij te laten zien dat niet elke revolutie tot de Goelagkampen hoeft te leiden. Zij baseerden zich daarbij op de bolsjewistische ervaringen en op de eerste vier congressen van de Komintern, waarna volgens hen de stalinistische contrarevolutie zich definitief doorzette. Voor diegenen die in de Sovjet-Unie weinig nastrevenswaardigs zagen, waren zulke analyses echter nauwelijks van belang.
Tegelijkertijd vormden de antwoorden op die ‘alleen door trotskisten gestelde’ vragen vaak de inzet van hevige discussies en scheuringen. Nu hadden andere stromingen ook wel te maken met interne conflicten, maar zij wisten deze vaak weer te boven te komen. […]
Die scherpslijperij was deels het gevolg van de structureel oppositionele rol die de trotskisten innamen en het belang dat zij daardoor hechtten aan hun ideologisch profiel. Maar voor een deel was die neiging tot scheuren ook voorgeprogrammeerd in de trotskistische leer. De kern van het trotskisme wordt in feite gevormd door een explosief mengsel van paradoxale politieke stellingen die moeilijk te balanceren zijn. Aan de ene kant zijn trotskisten voorstanders van een leninistische, strak georganiseerde partij, maar tegelijkertijd benadrukken zij het belang van partijdemocratie. Aan de ene kant zijn zij felle antistalinisten, maar tegelijkertijd komen zij op voor de verdediging van de niet-meer-kapitalistische kenmerken van de Sovjet-Unie. Hun doel is enerzijds een eigen revolutionair-socialistische organisatie op te bouwen, maar anderzijds om in de bredere arbeidersbeweging contact te houden met de massa’s. Daartoe wil men ook in andere organisaties en bewegingen actief zijn c.q. deze helpen opbouwen. Veel conflicten gaan over de vraag waar precies de nadruk op gelegd moet worden, zonder deze uitgangspunten an sich ter discussie te stellen.
Deze conflicten ontwikkelden zich volgens een heel eigen dynamiek, die niet alleen kenmerkend was voor de trotskistische beweging, maar tegelijkertijd ook een deel van haar aantrekkingskracht zou kunnen verklaren.

Wordt vervolgd

 

Dit is een voor publicatie op internet bewerkte versie van Ron Blom’s lezing op de Socialisme Dag georganiseerd door SP Breda op 20 juni

  1. Dit boek is te bestellen door onder vermelding van naam en adres 25 euro over te maken naar: R.L. Blom te Amsterdam, IBAN: NL 43 INGB 0005961642
  2. Daniel Bensaïd, Strategies of Resistance. Who are the trotskyists (Resistance Books: London, 2009), 16; Duncan Hallas, ‘Trotskyism reassessed’ in International Socialism nr. 100 (1977). Online te vinden op: http://www.marxists.org/archive/hallas/works/1977/07/reassess.htm.
  3. ‘Victor Serge over Henk Sneevliet. Online te vinden op: http://wimbot.blogspot.nl/search?updated-min=2013-01-01T00:00:00-08:00&updated-max=2014-01-01T00:00:00-08:00&max-results=1.