“Je ne suis pas marxiste” – Michael Heinrich

karl_marx_by_morales899-d5oqkggMarx was niet op zoek naar een “Marxisme” als een identiteitsbepalende “waarheid”, stelt Michael Heinrich. Hij was eerder geinteresseerd in de kritische bezigheid van zekerheden ondermijnen.

Wie het graf van Karl Marx op de Highgate Cemetery te Londen bezoekt, treft een gigantisch voetstuk waarop een groots borstbeeld van Marx is getroont. Men moet tegen hem opkijken. Recht onder het borstbeeld staat in gouden letters “Workers of all lands unite” geschreven, en even verder, eveneens in goud, “Karl Marx”. Daaronder is binnen het voetstuk een kleine, simpele grafsteen, die zonder goud en praal noemt wie hier begraven liggen: naast Karl Marx, zijn vrouw Jenny, zijn kleinzoon Harry Longuet, en zijn dochters Eleanor en Helene Demuth, die het Marx huishouden enkele decennia leidde.

Marx had na het overlijden van zijn vrouw zelf deze eenvoudige grafsteen uitgekozen. Pronken was niet zijn ding. Hij vroeg nadrukkelijk om een stille begrafenis beperkt tot een besloten kring. Er waren elf mensen aanwezig. Friedrich Engels wist voor de plannen van de Duitse Sociaaldemocratische Partij om een monument ter ere van Marx te plaatsen op de begraafplaats een stokje te steken. Hij schreef August Bebel dat de familie hiertegen was, daar de eenvoudige grafsteen “in hun ogen zou worden ontheiligd als het door een monument vervangen werd”1.

Ongeveer zeventig jaar later was er niemand meer om Marx’ graf in bescherming te nemen. In opdracht van de Communist Party of Great Britain werd het huidige monument gemaakt en onthuld in 1956. Alleen de regulering van de begraafplaats weerhielden dat het nog groter werd. De Marxisten hadden zich tegen Marx gekeerd.

“Je ne suis pas marxiste”, zei Marx, geïrriteerd, tegen zijn schoonzoon Paul Lafargue, toen deze verslag deed van het doen en laten van de Franse “Marxisten”. Meerdere keren verspreidde Engels deze uitspraak, waaronder in brieven aan kranten ‒ ongetwijfeld voor openbaar gebruik. De afstand tussen Marx en de Marxisten is tevens uitgedrukt in andere opmerkingen. Toen hij in 1882 in Frankrijk verbleef schreef hij Engels dat “de ‘Marxistes’ en de ‘anti-Marxistes’” […] bij hun desbetreffende socialistische congressen te Roanne en St-Étienne” er “beiden hun uiterste best gedaan hebben om mijn verblijf in Frankrijk te verpesten”2.

Hoe dan ook streefde Marx niet naar “Marxisme”. Niet alleen dat; toen de Duitse econoom Adolph Wagner de eerste was die Marx’ theorie behandelde in zijn tekstboek en schreef over het “socialistische systeem” van Marx, noteerde deze, woedend, in de kantlijn dat hij nooit “een socialistisch systeem had opgericht”3. “Systemen” en wereldbeschouwingen waren nooit zijn pakkie-an. Tevergeefs zoekt men voor uitspraken waarin hij zichzelf neerzet als de grondlegger van een “isme”. Naast dat hij zichzelf zag als een “partij”man (waarmee hij geen specifieke organisatie bedoelde, maar eerder de algehele strijdkrachten die tegen het kapitalisme en voor sociale emancipatie streden) zag Marx zichzelf als een man van de wetenschap. Het Kapitaal, wat hij beschouwde als “het meest verschrikkelijke projectiel wat tot nu toe op de hoofden van de bourgeoisie (landeigenaren inbegrepen) is afgevuurd” 4, rekende hij tot een van de “wetenschappelijke pogingen tot revolutionaire hervorming van de wetenschap”5 De nadruk op “wetenschappelijk” is van Marx. En toen Marx in het voorwoord op het eerste deel van het Kapitaal schreef, “Ieder oordeel van wetenschappelijke kritiek is mij welkom” 6, was dit niet slechts retorisch bedoeld. Marx was zich volledig bewust van de tijdelijke aard en feilbaarheid van wetenschappelijke beweringen. “De omnibus dubitanum” – “alles moet in twijfel getrokken worden” – schreef hij als antwoord op een vragenlijst die zijn dochter hem overhandigd had. De enorme verzameling manuscripten die hij ongepubliceerd liet, en de tot op zekere hoogte aanzienlijke herzieningen van eerder gepubliceerde teksten bevestigen het feit dat hij zijn eigen werk niet van zulke twijfel ontzag. In de geschiedenis van het Marxisme, werd vaak op een andere manier met dit werk omgesprongen.

De populariseringen in Engels’ latere werken, bovenal zijn Anti-Dühring, vormen historisch gezien het beginpunt van de uitwerking van het “Marxisme”. Maar het is enigszins simplistisch om Engels tot “uitvinder” van het Marxisme te bombarderen, zoals de uitgeverij Propyläen deed toen ze de duitse vertaling van Tristram Hunt’s biografie van Engels de ondertitel “De Man die het Marxisme Uitvond” gaven. De oorspronkelijke Engelse versie heeft de meer toepasselijke titel “De Communist in de Geklede Jas [the Frock-Coated Communist” gaven. Pas onder de druk van Bebel en Liebknecht ging Engels in de zeventiger jaren van de 19e eeuw de confrontatie aan met de universitair docent Eugen Dühring, die in toenemende mate aan steun wist te winnen binnen de Duitse sociaaldemocratie. Aangezien Dühring beweerde dat hij een nieuw veelomvattend “systeem” van filosofie, geschiedkunde, economie, en natuurwetenschappen had samengesteld, moest Engels hem op al deze gebieden nagaan, maar niet zonder in het voorwoord te benadrukken dat het doel van zijn geschrift niet kan zijn “om in plaats van het ‘systeem’ van de heer Dühring een ander systeem te geven” 7. Maar deze aanwijzing was voor dovemansoren. Anti-Dühring werd het historische beginpunt van juist dat “systeem” dat bekend werd als het “Marxisme”. Haar eerste belangrijke vertegenwoordiger was Karl Kautsky. Tot de Eerste Wereldoorlog was ook Lenin hier zonder enige kritiek een volgeling van.

Daar waar Engels Dühring aanspraak op een “in laatste instantie definitieve waarheid” 8 belachelijk maakte, werd deze pretentie, en daarmee alle fantasieën van allesomvattendheid daarop gebaseert, genomen door vele Marxisten: “De leer van Marx is almachtig omdat ze juist is”. De afvlakkingen waarmee sociaaldemocratisch Marxisme geïnfesteerd was voor de eerste wereldoorlog werden voortgezet in het Marxisme-Leninisme wat tot de leer werd gemaakt in de Sovjet-Unie na het overlijden van Lenin.

Om duidelijk te zijn: het is niet mijn bedoeling om aan elke analytische en politieke prestatie van Kautsky, Lenin en vele andere Marxisten af te doen. Als men deze prestaties wilt beoordelen, moet men dit op individuele basis doen. Waar het mij om gaat zijn die filosofische vereenvoudigingen die worden neergezet als “Marxisme”, die samenstellingen van eenvoudig materialisme, burgerlijke opvattingen van vooruitgang en vulgair Hegeliaanse leer die word voorgelegd als “dialectisch materialisme” en “historisch materialisme” – begrippen waar men in de geschriften van Marx tevergeefs naar zoekt.

Nu zullen moderne, verlichte, ondogmatische Marxisten onmiddellijk het bezwaar maken dat persoonlijkheidscultes niet hun pakkie-an zijn, en dat het oude, dogmatische Marxisme dat ook niet is. Alleen hun eigen verlichte standpunt telt als “Marxisme”, alles wat onaangenaam is – van deterministische geschiedsopvattingen tot het terugbrengen van genderverhoudingen tot een “tegenstelling van ondergeschikt belang” tot de Stalinistische gulag – heeft niks van doen met het echte, ware Marxisme. Als men echter vraagt wat het ware Marxisme dan inhoudt, word het akelig stil, en dat is geen toeval. Als men invulling probeert te geven aan het begrip “Marxisme”, word men geconfronteerd met een dilemma. Als men het te veel invulling geeft wordt de bepaling te concreet en is het snel in strijd met nagekomen wetenschap. De leer van Lysenko is daar enkel een van de meest bekende voorbeelden van. Maar wanneer men alles op een vaag, algemeen niveau houdt, loopt men het gevaar dat wat overblijft op het niveau van banaliteiten blijft steken: alles wat bestaat is materieel, de geschiedenis ontwikkelt zich ten gevolge van tegenstellingen, etc.

Voor sommige Marxisten is het Georg Lukács die de Gordiaanse knoop doorhakte. Zelfs als individuele uitkomsten van de theorie van Marx onwaar bleken te zijn, beweerde Lukács, bleef zijn “methode” overeind staan: het handhaven van de “materialistische dialectiek” als onderzoeksmethode was zogenaamd de kern van het “orthodoxe Marxisme”. Buiten beschouwing gelaten dat er bar weinig overeenstemming is onder Marxisten wat deze dialectische methode waar men zo graag over spreekt inhoudt, is het ook niet echt een aanrader om zelfs als deze tot onjuiste uitkomsten komt aan een methode vast te blijven houden. Ik trek hier zeer zeker niet in twijfel dat er redelijke begrippen zijn van materialisme en dialectiek. Ik betwijfel echter of men hier de grondslagen voor een ontologie of een alomvattende methode uit kan halen.

Als men geen substantiële bepaling van het Marxisme kan bieden, blijft er altijd nog de mogelijkheid om het begrip enkel en alleen op beschrijvende wijze te gebruiken. Dus, een definitie van het begrip “Marxisme” is dat “Marxisme alle werkwijzen omvat die in de laatste 150 jaar positief, of in de zin van een continuïteit, refereren naar de geschriften van Karl Marx alswel de schrijvers en activisten die sindsdien refereerden naar de geschriften van Marx”. Een paar zinnen later spreekt men over de “aanvallen op het Marxisme door toedoen van Stalinisme en fascisme”. Blijkbaar wordt Stalinisme niet gerekent tot het Marxisme, hoewel het zonder twijfel positief refereerde naar “de geschriften van Karl Marx”, en de meeste tijdgenoten geen moment twijfelden dat Stalinisme deel uitmaakte van het Marxisme, waaronder toch voldoende kritische koppen, zoals Ernst Bloch. Wanneer men Stalinisme met terugwerkende kracht buitensluit van het Marxisme, in de beschrijvende zin van het woord, gaat men op eenzelfde manier te werk als Stalin, die ook poogde om zij die uit de gratie waren geraakt uit de geschiedschrijving en foto’s te wissen.

Het is deels aan Marx te wijten dat Marxisten moeite hebben vast te stellen wat Marxisme nu is. En toegegeven, hij heeft het ze niet makkelijk gemaakt. Zijn werk bevat niet alleen een aantal geschriften, maar ook talrijke manuscripten die tijdens zijn leven nooit zijn gepubliceerd. Alle fundamentele theoretische projecten die Marx nastreef bleven onafgemaakt. Ongepubliceerde manuscripten zoals de “Economisch-Filosofische Manuscripten” van 1844 of de omnibus uit 1845/46 bekend als “De Duitse Ideologie” zijn onafgemaakt en fragmentair. Veel van de gepubliceerde geschriften zijn bedoeld als voorlopige samenvattingen zoals het Communistisch Manifest uit 1848, of zijn onderdeel van onvoltooide projecten zoals het eerste boek van de Bijdrage tot de Kritiek op de Politieke Economie (1859) of het eerste deel van het Kapitaal. (1867/1872) Politieke analyses zoals de Achttiende Brumaire (1852) of De Burgeroorlog in Frankrijk (1871) behandelen uitgebreid het onderwerp in kwestie, maar de theorie van de staat en politiek waar Marx naar streefde worden alleen stilzwijgend en onvolledig aangeroerd. Marx liet niet maar een onafgemaakt project achter, hij liet een aantal onafgemaakte projecten achter. Het is geen wonder dat de discussie over deze projecten, hun reikwijdte, hun tekortkomingen, en hun verhouding met elk ander in debatten zoveel stof hebben doen opwaaien, en nog steeds doen.

Bovendien is Marx’ nalatenschap maar stukje bij beetje gepubliceerd (en word nog steeds gepubliceerd). Elke generatie lezers had met een ander oeuvre van Marx te maken, meermaals werd er in de 20e eeuw uitgeroepen dat we nu – eindelijk – de echte Marx konden leren kennen. De nagelaten geschriften waren echter vaak sterk gewijzigd door de desbetreffende redacteur voor publicatie. Dit was al het geval bij het tweede en derde deel van het Kapitaal gepubliceerd door Engels, en het is nog sterker het geval bij de Economisch-Filosofische Manuscripten en De Duitse Ideologie gepubliceerd in de jaren ’20 en ’30 van de 20e eeuw. De geschriften van Marx en Engels werden pas voor het eerst uitgebracht in z’n geheel en zonder zulke redactionele ingrepen in de tweede “Marx Engels Gesamtausgabe” (MEGA), gepubliceerd sinds 1975, maar op dit moment bestaat dat maar uit de helft.

De werken van Marx en Engels spelen echter maar een beperkte rol in de historische ontwikkeling van de verscheidene Marxismes. In een vroeg stadium waren mensen al tevreden met een aantal frappante formuleringen, zoals dat de geschiedenis altijd een “geschiedenis van klassenstrijd” was, of dat van “communisme” als “de werkelijke beweging die de huidige toestand opheft”. De context waarin Marx deze dingen zei, en hoe ze eventueel zouden kunnen zijn aangepast door verdere ontwikkelingen in Marx’ theorie – konden op minder interesse rekenen. Voor Marxisme was Marx geen interessante denker die constant bezig was te leren en zijn theoretische opvattingen te ontwikkelen, maar juist als iemand die definitieve waarheden produceerde – “Marxisme”.

Veel moderne, verlichte Marxisten nemen ook een zekere afstand van het nauwkeurig bezig zijn met Marx’ geschriften. Regelmatig word er de nadruk gelegd op dat we niet moeten willen dat we “filologie bedrijven”[Letterlijk: ‘liefde voor het woord’. Filologie wordt doorgaans gebruikt voor een bepaalde manier van omgaan met teksten uit het verleden9.-red], maar juist Marx politiek gebruiken. Het komt niet onregelmatig voor dat het distanciëren van filologie het onaangetast laten van iemand’s eigen opvatting van Marx’ theorie en Marxisme betekent. Als iemand bijvoorbeeld wijst met betrekking op het concept praxis in de Stellingen over Feuerbach, door velen opgevat als een kernbegrip binnen Marx’ theorie, naar de specifieke context binnen het debat met Feuerbach en de Jong-Hegelianen, wat de status van de Stellingen over Feuerbach als grondleggend document afpakt, of als iemand aanmerkt dat in het geval van het Communistisch Manifest, Marx zich pas na dit document daadwerkelijk met kapitalisme gaat bezighouden en zelfs sommige stellingen van het manifest afwijst, maakt hij niet veel vrienden. Hetzelfde is het geval als iemand opmerkt dat niet elke opmerking in het Kapitaal in steen is gebeiteld, dat er bijvoorbeeld aanwijzingen zijn dat Marx in de jaren ’70 van de 19e eeuw een kritischere kijk had op de “wet van de tendetiële daling van de winstvoet” geformuleerd in het manuscript van het derde deel van het Kapitaal uit 1864/65. Dit is dan allemaal beslist te veel aan “filologie”.

Opnieuw, om duidelijk te zijn: het feit dat de kritiek van kapitalisme niet volledig kan zijn als filologie is banaal. Feit is echter dat als iemand wenst te werken met de concepten van Marx, hij ze zich eerst kritisch moet toe-eigenen en niet enkel op een oppervlakkige tekstboek wijze, is net zo banaal. Maar vaker wel dan niet is het exact die toe-eigening die eraan ontbreekt.

Een laatste punt: onder kritische sociaal wetenschappers, en in het bijzonder de Assoziation für kritische Gesellschaftsforschung, word Michael Foucault een zekere mate populariteit toegekend. Enthousiast word er gerefereerd aan zijn analyses over de verhouding tussen kennis en macht. Marxisten – zelfs de moderne, ondogmatische – hebben echter enigszins moeite met het Marxisme zien als zo’n macht-kennis complex. Bij een congres georganiseerd door het AkG was Marxisme als een dominantiemiddel geen gespreksonderwerp.

Het werd besproken met betrekking op Marxisme in de DDR. Maar het is niet alleen het Stalinisme en de geschiedenis van de autoritaire communistische partijen dat tot dit onderwerp behoren, waar de geschiedenis van het Marxisme altijd ook een geschiedenis is geweest van uitsluiting en dominantie. In linkse groepen en seminaries aan Westerse universiteiten produceerde de veronderstelde zekerheden van het “Marxisme” ook meerdere afbakeningen tussen wat werd gezien als “nog steeds” of al “niet meer” Marxistisch, wat werd opgenomen en uitgesloten in vertogen en sociale bezigheden.

Hoe graag mensen dat ook willen denken, de microfysica van macht houdt niet op waar het (Westers) Marxisme begint. De “korte zomer van academisch Marxisme” (Elmar Altvater) die zich in de jaren ’70 in West-Duitse universiteiten afspeelden, en waar sommigen nog steeds naar terug verlangen, was voor een groot deel pseudo-bloei die rustte op het discursieve effect van macht. Om te laten zien dat je ‘cutting-edge’ was, wist men dat je – ongeacht het onderwerp – zo nu en dan een korte verwijzing naar “de contradictie tussen gebruikswaarde en ruilwaarde” in je verhaal moest gooien. Een hoop analyses van Marx’ theorie en daaropvolgende bijdrages die daarop voortborduurden zijn in deze periode opgesteld en het lezen waard, maar er is ook een hoop onzin.

Marx zelf zocht in ieder geval niet naar definitieve waarheden. Hij was veel meer geïnteresseerd in de kritische bezigheid van het ondermijnen van zekerheden om nieuwe ruimte te scheppen voor denken en actie – waarin het niet op voorhand duidelijk is wat het juiste resultaat zal zijn.

In tegenstelling tot het “Marxisme”, met haar identiteitsbepalende zekerheden, wat Marx afwees, heeft deze kritische, onvolledige Marx een immens stimulerend en subversief effect. Welke van zijn analyses en begrippen bruikbaar zijn, wat kan bijdragen aan het veranderen van de wereld, en wat niet, staat niet voor altijd vast. Men zal altijd constant moeten discussiëren en nieuwe oordelen vellen: “De omnibus dubitandum”.

 

Gebaseerd op originele vertaling op Libcom