Macht en invloed via democratie en zelforganisatie

Punt 11: Communisten zijn voor de uitbreiding van macht van de arbeidersklasse in alle gebieden van de maatschappij: werkvloer, arbeidersorganisaties en lokaal en nationaal bestuur, et cetera. Wij strijden voor elke hervorming die deze macht kan versterken. Democratie heeft ook een culturele dimensie: Het moet meer worden dan één keer per vier of vijf jaar een vakje invullen, veel meer. Het moet normaal worden – zeker binnen de context van de moderne instant communicatie – dat iedereen meedenkt en meebeslist over de werkplek, je woonomgeving, et cetera. Deze waarden van democratie en zelf-emancipatie moeten leiden tot een veelheid aan organisatie: van “rode” vakbonden tot coöperatieven en van ondersteuningsnetwerken tot recreatiecollectieven. Binnen deze beweging met een veelheid aan organisatievormen dient de communistische partij als politiek raamwerk die al deze organisaties verbindt in één strijd.

Thomas Chefsky

Uitingen van arbeiderscultuur zoals de 1 mei vieringen zijn middelen om de arbeidersklasse te verenigen in hun strijd tegen het kapitaal.

Uitingen van
arbeiderscultuur zoals
de 1 mei vieringen
zijn middelen om de
arbeidersklasse te
verenigen in hun strijd
tegen het kapitaal.

Even herhalen. Zoals we uit voorgaande artikels kunnen opmaken, is de arbeidersklasse een klasse die geen productiemiddelen bezit – vandaar de historische naam proletariaat: mensen zonder bezit. Met andere woorden: de arbeidersklasse is door haar scheiding van de productiemiddelen afhankelijk van een loon. Zij vertoont daardoor de objectieve tendens tot zelforganisatie om zich tegen de kapitalistische klasse te kunnen verdedigen door beter loon- en arbeidsvoorwaarden te bedingen1.

De vakvereniging functioneert anders dan in de eerste helft van de 19de eeuw niet per beroep of specialiteit (de vakbond van sigarenmakers, de vakbond van automobielarbeiders, de vakbond van wevers, enzovoort)2, toen de werkgever onder druk kon worden gezet door middel van het monopolie dat werknemers uitoefenden over hun vak, maar over heel de arbeidersklasse heen. Dat noopt de vakvereniging tot eenheid en solidariteit die verder gaat dan het vak of de lokaliteit.

Sinds de 20ste eeuw bestaat er ook een tendens tot nationale en internationale eenheid en solidariteit onder werknemers, hoewel zij door bureaucratische, nationalistische en regionalistische (België bijvoorbeeld) tendensen kan worden doorkruist en belemmerd. Het lot van een actie zoals een staking of betoging hangt niet langer alleen in de lokale of nationale weegschaal, maar hangt ook af van internationale dynamieken.

De arbeidersklasse dient zich te verenigen als klasse, dus ook op internationale schaal, en op democratische wijze. Die wijze gebeurt zonder onderscheid van religie, geslacht, afkomst of huidskleur, maar ook zonder onderscheid van arbeidsvoorwaarden. Het is schadelijk voor de arbeidersbeweging mochten werkloze schoolverlaters uitgespeeld worden tegen vijftigplussers die al wat sociale verwezenlijkingen hebben opgebouwd of dat werknemers uit kleine bedrijven met een lager loon worden opgezet tegen werknemers uit de grootindustrie waar gemiddeld hogere lonen de norm zijn.

Voorts duidt democratie op zelfbeschikking. Dus zonder inmenging van werkgevers of staat en door middel van controle over het vakbondsapparaat. Het is deze eenheid op democratische klassenbasis die het potentieel in zich draagt voor een alternatieve autoriteit. Mocht een massale stakingsgolf uitbreken of zelfs een revolutionaire crisis, dan kan de arbeidersbeweging dat potentieel benutten om haar eigen model op te werpen als antwoord op de vraag wie nu de macht in de samenleving heeft, wie nu de samenleving draaiende houdt. Een bureaucratisch geleide arbeidersorganisatie bijvoorbeeld zou al snel bureaucratische modellen naar voren schuiven.

Eenheid en solidariteit kunnen zich ook uitdrukken in andere arbeidersorganisaties zoals clubs (sportverenigingen, literaire organisaties, orkesten, enzovoort), diensten (kinderopvang, buurtkeukens, volkstuinen, …), coöperaties (zowel productiecoöperaties zoals bedrijven als verbruikerscoöperaties zoals distributeurs en winkels) en media. Al deze instellingen dragen bij tot de samenwerking en ondersteuning van werknemers en dus aan de positie van de hele arbeidersklasse in de samenleving.

Maar bovenal organiseert de arbeidersklasse zich in een partij. Een heuse arbeiderspartij die zo deelneemt aan de machtsstrijd op alle gelederen van de samenleving (lokaal, nationaal en internationaal; sociaal, economisch en politiek) is in staat om arbeiderskandidaten te presenteren voor allerhande verkiezingen. Zij kan de samenleving overtuigen en mobiliseren om op deze kandidaten te stemmen. Een sterk resultaat voor een arbeiderspartij vergroot het zelfvertrouwen en de zin voor solidariteit van de arbeidersklasse.

Naarmate de arbeidersorganisaties – en dan voornamelijk de arbeiderspartij en haar instellingen – sterker en algemeen verspreid worden, en naarmate zij een democratisch karakter hebben, neemt niet enkel het zelfvertrouwen van de klasse toe, maar ook het potentieel van de arbeidersklasse om op georganiseerde en systematische wijze politieke beslissingen te nemen.

Een stempel drukken op de samenleving

Communisten zijn voor de uitbreiding van macht van de arbeidersklasse in alle gebieden van de maatschappij: werkvloer, arbeidersorganisaties en lokaal en nationaal bestuur, et cetera. Wij strijden voor elke hervorming die deze macht kan versterken.

De uitbreiding van de macht en invloed van de arbeidersklasse over de samenleving is één van onze voornaamste onmiddellijke doelstellingen. Dat wil zeggen dat wij deze ontwikkeling zien als voorwaarde voor de revolutie, dat we deze stap binnen het raamwerk van de kapitalistische productieverhoudingen moeten zetten, willen we ooit tot een communistische samenleving komen. Dan rijst uiteraard wel de vraag: hoe komen we tot een dergelijke uitbreiding? Uit het voorgaande wordt duidelijk dat dit niet anders kan dan door middel van zelforganisatie. Algemene stakingen, massaprotesten en opstanden – hoewel ze in crisisperioden relatief vaak voorkomen – volstaan niet. Deze sociale ontploffingen van activiteit, zo je wil, verdwijnen even snel als zij gekomen zijn.

De trein van de revolutionaire arbeidersbeweging ligt al een tijd lang stil in niemandsland en heeft te kampen met verouderde tactieken. Het komt er op aan haar opnieuw te ontwikkelen en op gang te krijgen.

De trein van de revolutionaire arbeidersbeweging ligt al
een tijd lang stil in niemandsland en heeft te kampen met
verouderde tactieken. Het komt er op aan haar opnieuw te
ontwikkelen en op gang te krijgen.

In een voorgaand artikel hebben we gezien hoe kapitalistische productieverhoudingen tot sociale hervormingen kunnen leiden met als doel de verankering van de productieverhoudingen en de afhankelijkheid van de arbeidersbeweging aan de kapitalistische staat te bestendigen. We hebben ook gezien hoe de parlementaire actie van de arbeiderspartij ertoe kan bijdragen dat socialistische hervormingen via het parlement worden goedgekeurd, dat kapitalistische maatregelen worden ondermijnd, en/of buitenparlementaire organisaties politieke invloed krijgen.

Het einde van de Sovjet-Unie, de markthervormingen in China, de offensieve neoliberale politiek en de crisismaatregelen van de laatste jaren. Al deze factoren hebben ertoe bijgedragen dat de Europese arbeidersbeweging haar machtige maar defensieve positie uit de jaren zeventig en tachtig (bijvoorbeeld de mijnwerkersstaking in Groot-Brittannië) heeft opgegeven met als gevolg een algemene en wanordelijke terugtrekking of zelfs ineenstorting en ontbinding. Ook de radicaallinkse groeperingen hebben in de klappen gedeeld. Sommige organisaties zijn gegroeid, Maar algemeen genomen staan ze ver verwijderd van de invloedrijke posities die ze vóór 1990 hadden.

Wil de arbeidersklasse fundamentele hervormingen – hervormingen ten voordele van de hele klasse, de klassenstrijd en de alternatieve samenleving – dan moet de arbeidersklasse opnieuw voldoende gewicht in de schaal werpen. Pas als de arbeidersbeweging een onoverkomelijke machtsfactor is, kan zij de kapitalisten danig onder druk zetten dat zij hoe dan ook duurzame hervormingen moeten toestaan. Pas als de arbeidersklasse de klassenstrijd naar haar hand kan zetten (defensief of offensief), kan zij zich emanciperen van de burgerlijke staat.

We hebben gezien dat hervormingen nood hebben aan een sterke arbeidersbeweging om effectief te kunnen zijn. We hebben ook gezien hoe een arbeidersbeweging nood heeft aan fundamentele hervormingen om zich te ontwikkelen. Het lijkt een keuze tussen de kip of het ei. Waar beginnen we? Vele kleintjes maken één groot: het komt er vooral op aan kwalitatieve sprongen te maken in de kwantitatieve opbouw van hervormingen en organisaties. Met andere woorden: momentum creëren.

Momentum is pas mogelijk als de baan vrij is. Vandaar dat de arbeidersbeweging de nadruk dient te leggen op de afschaffing van alle belemmerende en repressieve maatregelen of bepalingen. Het is de vrijheid van arbeiders om zich te uiten en te organiseren, om zichzelf te emanciperen; het is de materiële mogelijkheid van arbeiders om aan politiek te kunnen doen, zonder al te veel zorgen na te kunnen denken, enzovoort, die de basis vormen  voor democratie. Democratie en politieke activiteit duiden op het leven in eigen handen nemen door arbeiders.

Cultuur als vangnet

Democratie heeft ook een culturele dimensie: Het moet meer worden dan één keer per vier of vijf jaar een vakje invullen, veel meer. Het moet normaal worden – zeker binnen de context van de moderne instant communicatie – dat iedereen meedenkt en meebeslist over de werkplek, je woonomgeving, et cetera. Deze waarden van democratie en zelf-emancipatie moeten leiden tot een veelheid aan organisatie: van “rode” vakbonden tot coöperatieven en van ondersteuningsnetwerken tot recreatiecollectieven.

De afhankelijkheidsrelatie van arbeiders aan kapitalisten en de staat laat zich uitdrukken in allerhande gebruiken, gewoonten en tradities die in de samenleving dominant zijn. Met andere woorden: een cultuur.

Delen van de marxistische linkerzijde vestigen hun hoop op zogeheten openingen in de objectieve situatie, dat zijn opportuniteiten voor radicalen om ingang te vinden in de voor hen anders zo ontoegankelijke samenleving. Door middel van zich escalerende massa-actie hopen ze die openingen nog eens te stimuleren. Het zijn als ware nauwe spelonken waartussen kleine groeperingen zich alsnog kunnen bewegen om invloed uit te oefenen (ondanks alle druk en repressie vanwege vakbondsbureaucratieën, de wetgeving, enzovoort); spelonken die ontstaan door barsten in de kapitalistische productieverhoudingen (crises bijvoorbeeld).

Aan de objectieve situatie kunnen zij zelf weinig veranderen, menen ze, maar als het systeem door crisis barsten vertoont, zullen zij zich eindelijk kunnen opwerpen als aantrekkelijk alternatief. Het probleem van deze opvatting is dat zij evengoed geldt voor extreemrechts en religieus extremisme. Tot nu toe zijn deze strekkingen de meest succesvolle in de strijd om de harten van geradicaliseerden. Onzekerheid, werkloosheid, oorlog, honger, … Zij kunnen evengoed een linkse als een rechtse draai voeden. Bovendien vormen deze factoren geen stabiele voorwaarde voor de ontwikkeling van een duurzame arbeidersbeweging.

Integendeel: de arbeidersbeweging boet vaak aan kracht en invloed in als gevolg van veel van deze factoren en de kapitalistische tegenstander is zich daarvan bewust. Bovendien zijn in de kapitalistische samenleving haast alle terreinen door de kapitalist en zijn bondgenoten bezet. “Openingen in de objectieve situatie” zullen niet de route zijn waarlangs de arbeidersbeweging zich in de toekomst een weg baant naar een andere samenleving. Deze opvatting blijft een uiting van de marginale positie van veel radicaallinkse groeperingen en individuen. We zullen de tegenstander ertoe moeten bewegen om zich op ons terrein te begeven.

Wat wil dat zeggen? Terreinen? Aangezien de kapitalistische maatschappij vorm krijgt op basis van de kapitalistische productieverhoudingen, zal dat initiatieven van de arbeidersbeweging vergen om stelselmatig posities te bezetten en te behouden. Kortom: we stellen ons als doel om op termijn delen van de samenleving op te eisen, ze naar ons zelfbeeld te schikken, en er een middel van te maken in de competitie met de kapitalistische idealen, waarden en methoden.

In dat streven krijgt cultuur een centrale rol weggelegd.

De kapitalistische cultuur dient als een vangnet: het is een resem complexe gewoonten die alle sferen van het leven doordringen. Zelfs al vervalt de maatschappij in crisis, oude ideeën en gebruiken blijven nazinderen en hebben een stabiliserend effect. Zelfs al leiden de verhoudingen in de samenleving tot verontwaardiging, gebruiken zorgen ervoor dat de beeldvorming is verstoord of dat we ons afkeren van de problemen. We hebben al geschrevne hoe het een taak van de arbeidersbeweging is eigen variant, een tegencultuur te cultiveren.

De alternatieve cultuur zal uiteraard behept zijn van kapitalistische invloeden, aangezien de kapitalistische verhoudingen niet van vandaag op morgen zullen verdwijnen. En een mens leeft niet van ideeën alleen. Het meest revolutionaire idee kan niet op tegen het feit dat mensen dag in dag uit moeten werken om een loon te verdienen. “Revolutie nu!” zal nooit genoeg mensen overtuigen de relatieve stabiliteit en veiligheid van het kapitalisme op te geven die nodig is om op tijd op het werk te komen en het dagelijks brood te verdienen. Alternatieve cultuur heeft dus met tegenstand te maken en met de menselijke behoeften waaraan ze moet voldoen. Welke alternatieve materiële realiteit kan de arbeidersbeweging scheppen om alternatieve ideeën over de maatschappij in te planten?

We hebben reeds gewezen op de verscheidenheid aan arbeidersorganisaties die mogelijk is. Sportclubs en filmzalen zijn één iets. Coöperatieve winkels, bars en cafeetjes zijn een ander iets. De distributiecoöperatie heeft dat voordeel over de club dat het de producenten en de consumenten deel laat uitmaken van het bestuur van het bedrijf en levensmiddelen aanbiedt. De leden van de samenleving dragen als het ware bij aan de distributie van de goederen die ze verbruiken. Maar de socialistische beweging kan nog een stap verder gaan: de productiecoöperatie.

In coöperatieve bedrijven waar werknemers produceren, beslissen alle producenten over de productie. Deze productie vormt de basis voor het distributiesysteem, dat de middelen levert voor de clubs, de vakverenigingen en de arbeiderspartij. De coöperatieve productie met andere woorden draagt bij aan de alternatieve cultuur van de arbeidersbeweging, aan haar zelfvoorziening en onafhankelijkheid.

Ze vormt eveneens een basis voor de omwenteling van de maatschappij. De coöperatieve productie is een voorloper van de socialistische (gesocialiseerde) productie waarbij niet individuen of een groep individuen maar de samenleving collectief beslist over de productie. Ze leert de leden van de beweging hoe de samenleving economische te beheren. Dit is cultuur in de eigenlijke zin van het woord: door productie de samenleving bewerken en beïnvloeden.

Een kijkje in de bandenfabriek van het TRADOC coöperatief. De arbeiders namen de fabriek over tijdens een staking tegen de sluiting ervan.

Een kijkje in de bandenfabriek van het TRADOC coöperatief. De arbeiders namen de fabriek over tijdens een staking tegen de sluiting ervan.

De partij als kompas om doorheen een zee van obstakels te navigeren

Binnen deze beweging met een veelheid aan organisatievormen dient de communistische partij als politiek raamwerk dat al deze organisaties verbindt in één strijd.

Opdat de alternatieve cultuur een duurzaam karakter zouden hebben en zichzelf zou versterken, zijn zowel zelforganisaties als democratische systeemhervormingen essentieel. Heel concreet: hoe controleren we bijvoorbeeld de politieke besluitvorming? Door een eigen partij op te zetten, aan verkiezingen deel te nemen, enzovoort. Maar hoe controleren we de leiding en vertegenwoordigers van de arbeiderspartij? Interne maatregelen volstaan niet, doordat zij, onder invloed van het potentieel informatiemonopolie van de leiding ernaar neigen in hun tegendeel uit te monden: de controle van de partijleiding over de leden van de partij.

Interne maatregelen volstaan eveneens niet doordat zij de arbeidersklasse als geheel niet in staat stellen de leiding van de partij te controleren. Partij betekent letterlijk “deel”, de communistische partij verenigt dus maar een deel van de maatschappij, haar communistisch bewuste deel. Dus hoewel zij de hele klasse verenigt, is niet iedereen lid van de partij. De controle van de arbeidersklasse over haar partijleiding en vertegenwoordigers is pas mogelijk door participatie van de hele samenleving aan politieke, sociale en economische besluitvorming en door de mogelijkheid in- en extern van mening te verschillen. Hoe groter deze democratische tendens in de hele samenleving, hoe vruchtbaarder pogingen een democratische arbeidersbeweging te ontwikkelen.

Een gebrek aan democratie – zowel in de organisaties als in de maatschappij – door de bureaucratische controle over de arbeidersklasse van bovenaf, is de grootste boosdoener bij de ontwikkeling van marxistische en anarchistische sekten. Deze ontwikkeling uit zich in de vorm van apolitieke en niet-principiële breuken in deze organisaties, de mogelijkheid tot misbruik, misbehandeling en uitbuiting van leden door zelfverklaarde leiders, en – als gevolg van de wederzijdse apathie bij de arbeidersklasse en deze groepen – de soms tragische mislukkingen bij leden van deze organisaties om democratische verandering te verwezenlijken door de strijd voor een beter programma aan te gaan.

Noten

1. De leden van de arbeidersklasse moeten werken ten dienste van andere klassen om in hun levensbehoeften te voorzien. (Fabrieksarbeid bij de kapitalist, administratie bij de kapitalistische staatsinstellingen, landarbeid bij de boer, dienstbode bij de welgestelde burger, enzovoort.)

2. Vandaar de Nederlandstalige bewoording “vakvereniging” of “vakbond”, of het Engels “trade union”.