Geef de SP haar hart terug

SP-hart

Zonder kloppend socialistisch hart is er geen toekomst voor de partij

Later dit jaar, in november, heeft de SP haar 20e partijcongres. De agenda is op het moment van schrijven vrijwel leeg, maar in ieder geval staat op het programma de verkiezing van een nieuw partijbestuur, iets wat twee jaar geleden (!) al had moeten gebeuren. Jos Alembic maakt in de aanloop naar dit congres van de gelegenheid gebruik om terug te blikken op het 9e congres, wat de geschiedenis inging als het congres waarop het huidige beginselprogramma van de partij werd aangenomen, Heel de mens.

Om het beginselprogramma te begrijpen kunnen we er op meerdere manieren naar kijken. Allereerst is er de structuur. Het programma bestaat uit drie delen: De introductie (“Op weg naar Brutopia?”), de basisprincipes (“Heel de mens”) en de programmatische hoofdlijnen (“Alternatieven voor ‘Brutopia’”). Het laatste stuk vormt dan weer de basis voor de meer specifiekere “verkiezingsprogramma’s” die elke paar jaar worden vervangen.

Nu dat SYRIZA een regering heeft gevormd in Griekenland is het geen overbodige luxe om eens stil te staan bij wat voor soort partij we willen en wat voor programma daarbij hoort. In dit artikel pleit ik voor het vervangen van Heel de mens, welke een programma is dat louter binnen de grenzen blijft van het parlementaire en kapitalistische systeem, door een programma dat een visie schetst voorbij het kapitalisme, voor de politieke machtsovername van de arbeidersklasse over de maatschappij en voor het bouwen van een communistische samenleving.

Geen visie

“Communisme” wordt precies één keer genoemd in de tekst en wel helemaal in het begin: “De tegenstelling tussen kapitalisme en communisme, die het grootste deel van de [20ste] eeuw beheerste, is vrijwel verdwenen. Het communisme, dat zich sedert 1917 als reëel bestaand politiek-economisch stelsel ontwikkelde en omstreeks 1950 over een op de drie wereldburgers regeerde, ging wereldwijd ten onder aan gebrek aan democratie, aan starheid, dirigisme en corruptie.” Deze historische oversimplificatie duidt de definitieve breuk aan van de SP met haar ongenoemde ‘Marxistisch-Leninistische’ verleden.

Dat dit ‘communisme’  als “reëel bestaand” wordt omschreven is overigens veelzeggend, het is immers een signaalwoord voor ‘reëel bestaand socialisme”, de term waarmee de Stalinistische regimes zichzelf omschreven. Er is geen kritiek op het Stalinisme, een product van een contrarevolutie binnen de contouren van de revolutie, een vorm van anti-communisme. Het hele pakket ‘communisme’ is dus afgesloten en daarmee is ook elke discussie om voorbij het kapitalisme te komen niet aan de orde in deze tekst. Voor de rest van het programma blijft men volledig binnen het raamwerk van kapitaal.

De basisprincipes zijn hierin duidelijk: “Door middel van een rationele en concrete analyse van het kapitalisme en de effecten ervan op mens een maatschappij zijn wij in staat onze strijd voor een betere wereld effectief te maken”. En elders: “We accepteren niet dat de economische wetten van het kapitalisme de marges bepalen waarbinnen de politiek mag opereren. Daarom zullen we strijd voeren om de huidige neoliberale trend te doorbreken”. Ok, dat klinkt wellicht wat radicaal, maar als je dat naast formuleringen legt als dat men problemen heeft met de “volledige vrijheid van kapitalistische ondernemingen” (pagina 5, mijn nadruk) en “kapitalisme, normloos en ongeremd” (pagina 6, mijn nadruk), kun je weinig anders tot de conclusie komen dat men geen einde wil maken aan het kapitalisme als sociaal systeem, maar enkel een einde wil maken aan de uitwassen ervan. Dat beeld wordt bevestigd door de definitie die wordt gegeven aan ‘socialisme’ op pagina 7 en 8: “De menselijke waardigheid, de gelijkwaardigheid en de solidariteit vormen samen met onze rationele analyse van de wereld de kern van het socialisme”. Dit lijken allemaal open deuren, maar het is zinnig om hier tekstueel bij stil te staan; wat voor partij had de partijleiding op het oog toen ze deze tekst in 1999 schreef?

De staat als grote gelijkmaker

In de programmatische hoofdlijnen wordt opgeroepen om de nutsbedrijven, openbaar vervoer en infrastructuur te nationaliseren. Ook zouden gezondheidszorg en onderwijs onder “direct toezicht van de overheid” moeten vallen (pagina 11). “Alleen de overheid kan gelijke toegang voor iedereen tot deze voorzieningen garanderen” is de redenering. In de eerste plaats is de vraag waarom we ons enkel op deze sectoren zouden moeten richten, maar op een fundamenteler niveau zet dit de staat weg als onpartijdige emancipator, de grote gelijkmaker. Dit op zichzelf duidt weer op een gebrekkige theorie over de staat. Marxisten zien de staat als sociaal-politieke uitdrukking van de heerschappij van kapitaal.

De schrijvers van Heel de mens duidelijk niet. En men heeft ook weinig andere keus. Immers, als je het kapitalisme als sociaal systeem accepteert, dan zit er weinig anders op dan binnen dat systeem er maar het beste van te maken. Daarmee is de basis gelegd voor een parlementaire weg naar dit ‘socialisme’, zoals de schrijvers dit voor ogen zien. Dit betekent op zijn beurt weer dat je coalities zal moeten sluiten en dus dat je je niet te radicaal kan opstellen. Progressieve belastingen, oké. Een revolutionaire omverwerping van de grondwettelijke orde, niet oké.

Daarmee vallen de schrijvers van dit manifest terug op een lange traditie van ‘staatssocialisten’. In de jaren 1860 al nam de Duitser Ferdinand Lassalle het voortouw in de eis om staatskredieten te verstrekken voor bedrijven die anders failliet zouden gaan, ook streefde hij naar de nationalisatie van grote sectoren van de economie en pleitte hij bijvoorbeeld voor staatsscholen in Bismarck’s Duitse rijk. Net als de SP vandaag zag Lassalle de staat als grote emancipator, een neutraal instituut dat voor de belangen van de werkende klasse kan worden aangewend.

Marx was het bijzonder oneens met deze strekking van socialistische politiek. De staat is juist een uitdrukking van onze huidige klassenmaatschappij, een die moet worden overwonnen onder een socialistische samenleving, zo stelde hij. Een van de redenen hiervoor is dat de staat, zoals we hem vandaag kennen, bijzonder verticaal is georganiseerd: Een uitgebreide bureaucratie, een professioneel leger, een politie-apparaat dat in de eerste plaats is gericht om de ‘orde’ te bewaren… Maar ook ‘meta-staat’-instituten zoals de (commerciële) massamedia en ‘supra-staat’-instituten zoals de internationale financiële markten en de internationale hiërarchie van deze staten… Precies georganiseerd in de belangen van een kleine elite en van de kapitalistische sociale relatie in het algemeen.

Marx, Engels en andere tijdgenoten stelde daarom politieke eisen die erop waren gericht de macht van de staat zoveel mogelijk te beperken, de macht van de samenleving (en daarmee de arbeidersklasse) te versterken en zo te werken aan een echte democratie: Afschaffing van het leger en de invoering van een militie, de universele scholing in het gebruik van wapens1; Invoering van volksjury’s, het kiezen van rechters; universele verkiezingen en permanent recht van herroeping, alle functionarissen te werk gesteld op basis van een gemiddeld arbeidersloon; etc. Dit zijn geen eisen die de SP vandaag de dag voert, noch kán voeren zolang niet wordt gebroken met haar visie van de staat als panacee voor alle sociale problemen.

Menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid en solidariteit

Willen we dus een samenleving bereiken die daadwerkelijk de drie basisprincipes kan verwezenlijken die de schrijvers van Heel de mens identificeren met ‘socialisme’, en daarmee een socialistische samenleving bewerkstelligt, dan moet het kapitalisme overwonnen worden en daarmee haar staatsvorm. Marx en Engels streefden naar een “democratische republiek” en dit betekent zoveel als de politieke suprematie van de werkende klasse over alle andere klassen in de samenleving. Willen we dit bereiken dan hebben we een ander soort programma nodig, welke vorm geeft aan een ander soort partij.

Een partij-als-beweging: Een massale beweging, in Nederland bestaande uit zeker honderdduizenden mensen (zo niet meer), die actief zijn op allerlei gebied. Op economisch vlak kun je denken aan kleine coöperatieven, maar ook aan een coöperatieve bank en natuurlijk vakbonden. Op sociaal vlak kun je denken aan educatieve collectieven, volksverzekeringen, eigen gezondheidszorg. Op cultureel vlak kun je denken aan gemeenschapshuizen, sociale verenigingen, sportclubs, volkstuinen, bars en restaurants… Een ‘samenleving binnen de samenleving’ die is verenigd rondom het programma dat streeft naar een ander soort samenleving en een partij die daaraan een politieke boodschap geeft, strategie bespreekt, tactieken uitvoert.

De SP vandaag is natuurlijk niet die partij, maar kan die partij wel worden. Het betekent in de eerste plaats dat we moeten breken met het idee dat we in coalities moeten zitten om ‘menselijk beleid’ uit te voeren. Coalitiedeelname betekent onvermijdelijk de uitvoering van neoliberaal beleid onder de huidige omstandigheden. De reden hiervoor ligt in de politieke context waarin we ons bevinden: Ons kiesstelsel welke coalities vrijwel verplicht; het conservatieve karakter van de bestaande constitutionele orde; en de internationale hiërarchie van staten.

Als socialisten zouden we enkel regeringsverantwoordelijkheid op ons mogen nemen op het moment dat we ons programma in zijn geheel kunnen uitvoeren, het programma voor het vestigen van een democratische republiek. Niet voor niets werd programma dan ook een ‘minimumprogramma’ genoemd: Het is de minimale basis waarop we regeringsverantwoordelijkheid nemen. Tot deze tijd blijven we een partij van principiële oppositie.

Welk programma?

Ik laat hiermee bewust grotendeels open wat er dan in zo’n programma zou moeten staan. Dat is voorbij de doelstelling van dit artikel. In mijn andere artikel in dit nummer doe ik de oproep om je te organiseren, als je inderdaad vindt dat de partij een andere richting op moet. Het ontwikkelen van een concreet programmatisch alternatief staat logischerwijs als één van de kerntaken binnen een dergelijk initiatief. Maar hoewel ik geen pasklaar antwoord geef, wil ik wel een zet doen in de richting waarvan ik denk dat we op moeten gaan.

Als minimale basis zou een programma drie principes moeten belichamen wil er sprake zijn van een programma dat zich überhaupt vestigt op de belangen van de arbeidersklasse: Democratie, internationalisme en de politieke onafhankelijkheid van de arbeidersklasse.

Democratie: De partij is op dit moment formeel democratisch te noemen, maar in de praktijk is ze erg verticaal georganiseerd, een reflectie van de staat eigenlijk. We hebben onze eigen bureaucratie en andere politieke visies worden geschuwd. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Die Linke in Duitsland kent de partij geen platformrecht, waardoor oppositionele stromingen geen ruimte krijgen om zich te ontwikkelen, laat staan de partij te winnen voor haar ideeën in debat. Deze ruimte, dit recht, zal dus bevochten moeten worden.

Op maatschappelijk niveau worden democratische eisen niet gesteld, buiten de zeer marginale2. Het democratisch vraagstuk is echter essentieel voor onze klasse. Wij zijn de overgrote meerderheid van de samenleving, toch is het belang van kapitaal wat de overhand heeft. Democratie kán daarom niet voornamelijk het invullen van een hokje zijn elke 4 of 5 jaar. Het moet iets levends zijn, het moet het einde betekenen van de dictatuur van kapitaal, het begin van de democratische republiek.

Internationalisme: Een aspect dat ik elders uitgebreider heb besproken. Het kapitalisme is een internationaal systeem. De SP lijkt dit gegeven nog steeds niet te hebben geïntegreerd in haar kijk op de samenleving, daarom ook haar nationale blik als het bijvoorbeeld gaat over Europa. Zonder de internationale dimensie mee te nemen kunnen we niet nadenken over realistische alternatieven. De meest minimale basis om te beginnen met een menselijke alternatief op het kapitalisme is Europa: Als we de Democratische Republiek van Europa kunnen vestigen, hebben we een goede basis om mee verder te werken en kunnen we als voorbeeld dienen voor de rest van de planeet. Hierom hebben we een Europese Socialistische Partij nodig.

SYRIZA’s regering toont op het moment aan wat de grenzen zijn als we niet op Europees niveau naar alternatieven zoeken. Ja, je kunt je sterk opstellen, je kunt tegen de trojka ingaan en de memorandums van de hand wijzen, maar groeiende isolatie en uitsluiting zijn de gevolgen, de prijs voor het niet hebben van een Europese krachtverhouding in ons voordeel.

Politieke onafhankelijkheid van de arbeidersklasse: De SP heeft terecht de nodige kritiek op het Poldermodel (hoewel de SP de laatste jaren opvallend stil is…), maar dit wordt weer ruimschoots teniet gedaan door de drang om te regeren en het eerder besproken idee dat de staat een onpartijdig instituut zou zijn. De realisatie dat we in een klassenmaatschappij leven is daarom een beginpunt, een idee dat opnieuw moet worden ‘geïnjecteerd’ in de cultuur en educatie van de partij. Onbegrip hierin, een verdoezeling of regelrechte ontkenning van de klassenmaatschappij, is precies wat de heersende klasse wil. Een onafhankelijke positie hierin claimen is precies wat wij nodig hebben om vooruit te komen.

Het huidige programma is nodig toe aan vernieuwing. De crisis heeft pijnlijk duidelijk gemaakt dat er geen weg terug is naar de oude verzorgingsstaat. De vraag is dan nu welke weg we verder gaan: Blijven we binnen de mogelijkheden van het systeem en glijden we steeds verder af naar een ‘PvdA 2.0’ of breken we met de kapitalistische logica en strijden we voor een programma dat daadwerkelijk kan streven naar menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid en solidariteit?

Noten en referenties

  1. Marx en Engels lieten zich hierbij inspireren door bestaande voorbeelden, zoals het tweede amendement van de Amerikaanse grondwet, welke luidt: “Aangezien een goed geregelde militie nodig is voor de veiligheid van een vrije staat, zal geen inbreuk worden gemaakt op het recht van het volk om wapens te bezitten en te dragen.” Vandaag de dag wordt vaak gewezen op het feit dat dit recht vaak wordt misbruikt en de basis vormt voor de vele moorden die elk jaar gebeuren met vuurwapens. Dit argument verklaart echter niet waarom een land als Zwitserland – die een echt militie systeem kent, en waar iedereen zijn dienstwapen in huis heeft en hiermee om de zoveel tijd ook moet oefenen – deze hoeveelheid moorden niet kent. Het zijn de sociale omstandigheden die een complexer beeld geven. Voor verdere achtergrond is dit Engelstalige artikel nuttig.
  2. Zo is men voor een correctief referendum en uitbreiding van de invloed van mensen op hun eigen omgeving – https://www.sp.nl/standpunt/democratie