De onderstaande ingezonden brief van Arie Koevoet is een aanklacht tegen de grijze redelijkheid van de SP, waarin de schrijver beargumenteert dat de kleinburgerlijkheid die de uitlatingen van de SP domineert een obstakel is voor het formuleren van een daadwerkelijk alternatief op het kapitalisme.

Terwijl het komende decennium zal schreeuwen om een partij die de heersende klasse eindelijk eens vanaf links het vuur aan de schenen zal leggen, blijft de SP steken in smaakloze kleinburgerlijkheid. Maar de kleinburgerlijke strategieën leiden de SP keer op keer op het pad naar verlies. Er wordt enerzijds geen daadwerkelijk antagonisme met de bestaande orde gevormd en steeds minder een authentiek linkse visie ontwikkeld.  Anderzijds kopieert de partij steeds vaker de taal van de petit bourgeoisie¸ terwijl de partij ook kleinburgers niet werkelijk inspireert, die keer op keer naar het autoritaire kapitalisme van rechts neigen.

Het resultaat is een partij die stuurloos allerlei groepjes probeert te verleiden, stellingen poneert waar niemand het mee oneens kan zijn, en een grijze, ongeïnspireerde visie schetst. De enige weg vooruit voor de SP, is het afschudden van de kleinburgerlijke vleugel en te herbronnen naar een authentieke socialistische visie, die haaks staat op de bestaande orde. Weg met het ‘redelijke’ polderjargon en omarm de historische strijd tegen het kapitalisme, waar de socialistische partij het voortouw in dient te nemen.

In het dagelijkse taalgebruik staat de kleinburger, de stand die van oudsher geen arbeider én geen onderdeel van de bourgeois was, de ‘middenstander’ ook wel genoemd, symbool voor een hang naar conformisme en conservatisme. Als er iets typisch is aan de positie van de petit bourgeoisie in de maatschappij is het dat zij openlijk conflict met de bourgeoisie vermijdt door de moraal van de bourgeoisie te imiteren.

Zo bezien is onze partij gekaapt door kleinburgerlijkheid. De kleinburgerlijke vleugel van de SP kopieert steeds explicieter de taal van de heersende klasse door in te spelen op de burgerlijke moraal van nationalisme, ondernemers en ‘redelijkheid’.  Karakteriserend voor die heersende kleinburgerlijkheid is het onlangs gepresenteerde ‘aanvalsplan voor de economie’. De pijlen worden vrij openlijk gericht op het met redelijkheid overtuigen van de kleine ondernemer.  In het met veel gewichtigdoenerij gepresenteerde nieuwe ‘aanvalsplan’ komt het woord ‘ondernemer’ 15 keer voor,  en de woorden ‘arbeid’ en ‘werker’ 4 keer. Er wordt gesproken over ‘democratisering van de economie’, ‘collectief problemen aanpakken’ en investeren in de publieke sector, maar inhoudelijke en concrete stappen naar een socialistische transformatie ontbreken volledig.

Bovendien worden er talkshows bijgewoond die populair zijn bij ondernemend Nederland, verschijnen er ‘zakelijk’ grijze posters van Lillian, en is alle taal erop gericht de partij te profileren als gewoon een partij die ‘gewoon redelijke eisen stelt’.  

Ook bij de aanpak van de wooncrisis heerst een kleinburgerlijk gebrek aan durf en verbeelding.  Terwijl er wordt gedaan alsof de SP iets spectaculairs heeft bedacht blijft de visie hangen in vrij onschuldige sociaaldemocratische aansporingen tot ‘aanpakken’, ‘de overheid’ en ‘investeren’. Een daadwerkelijk socialistische partij zou daarentegen niet bang moeten zijn voor openlijke tegenstand met de bourgeoisie. Ze zou openlijk kunnen verdedigen dat de socialisten aansturen op staatsmacht, waarmee zij onteigening wettelijk door kunnen zetten om de macht van het bezit te temmen in naam van de emancipatie van de arbeidersklasse.  Maar dat brengt reuring in de conformistische polder, en dat mag natuurlijk niet.

De tegenstelling tussen onze socialistische wortels en het kleinburgerlijke gebrek aan verbeelding zie je ook op andere plekken terug: waarom wordt er bijvoorbeeld gelobbyd voor een nationaal museum?[1] Notabene in het tijdperk van een wereldwijde nationalistische heropleving agendeert een socialistische partij, één van de twee meest linkse partij van ons parlement, een project dat gecommitteerd is aan de consolidering van nationalistisch bewustzijn als middel tegen de ‘individualisering’. 

Nog afgezien van het feit dat er helemaal geen praktische noodzaak is voor een dergelijk museum, met al genoeg musea die de rol van ‘nationaal museum’ kunnen vervullen, vraag je je af: waarom geen museum van het kapitalisme, zoals onlangs in Brussel bestond? Waarom geen museum van de arbeid, of van de sociale strijd? Waarom niet een museum vanuit de eigen socialistische visie op de mens en de maatschappij als antwoord op de veronderstelde individualisering?

Het probleem met het constant poneren van onze positie als ‘redelijk’ is dat het onduidelijk is wie beslist wat redelijk is en wat niet. Tot welk publiek richt de SP zich nu eigenlijk? Wie proberen we nou eigenlijk ervan te overtuigen dat we heus niet radicaal zijn, dat we integendeel gewoon brave burgers zijn die een onsje meer vragen?

Dat alles smaakt naar kleinburgerlijk smeeksocialisme, een socialisme dat telkens om een gunst moet vragen bij degenen die het geld verdelen. Een socialisme dat verdrinkt onder het eeuwige conformisme van het poldermodel. Telkens in de touwen, telkens weer de verbazing veinzen en de verontwaardiging opzwepen om op de goede wil van de nationale bourgeoisie in te spelen om het een of ander te herzien. Terwijl het doel van echte socialistische politiek is dat de rollen voorgoed omgekeerd zullen worden. Geen samenleving meer waarin we voor de zoveelste keer een beweging op touw moeten zetten omdat we niet willen dat de zwakkeren in de samenleving weer ‘de rekening moeten betalen’, maar een samenleving waarin het überhaupt ondenkbaar is dat er zoiets mag bestaan als ‘een rekening’ die te presenteren is.

In plaats daarvan kiest de kleinburgerlijke vleugel ervoor alle associatie met een openlijk conflict met de bestaande orde te vermijden. Zo spreekt de partij naar buiten toe altijd over een ‘sociale’ of ‘rechtvaardige samenleving’, nooit over een socialistische samenleving. Met het eerste kan vrijwel niemand het oneens zijn, met het tweede punt wel. 

 Het is te snappen waar die strategie vandaan komt. Het heeft veel moeite gekost om vanuit de radicale marge een plek in de mainstream te veroveren in de jaren nul.  Ook de wereld van het reëel bestaand socialisme is niet meer, en de SP houdt zich bewust verre van de associatie met deze geschiedenis.

Maar dat waren de jaren nul. Inmiddels groeit er een generatie op die niets anders gekend heeft dan het hyperkapitalisme en nu voor de tweede keer in hun jonge leven een economische crisis mee zal maken die, voor de tweede keer ‘groter zal zijn’ dan de Depressie uit de vorige eeuw. Een generatie dus die radicalere eisen aan de politiek zal stellen dan andere generaties.  Een generatie die, wil zij aan de constant dreigende precarisering ontsnappen, haar eigen taal moet vinden om überhaupt tegen het kapitalistische systeem in te leren denken.

De weg vooruit ligt in het afschudden van de kleinburgerlijkheid. De wereld is toe aan een SP die een moderne, eigenzinnige invulling geeft aan het socialisme en het daarbij niet schuwt om vijanden te maken. Een partij ook die de strijd aangaat met conformisme en kleinburgerlijke lafheid, houdingen die links al veel te lang schade hebben berokkend.

[1] https://www.sp.nl/nieuws/2020/02/nationaal-historisch-museum-moet-er-komen

Categorieën: Brieven