Richard Hoogstraten intervenieert in de discussie over de partijbeweging door een kritische analyse te leveren van de maoïstische massa-organisaties uit de jaren zestig en zeventig die nog altijd een inspiratie vormen voor sommige kameraden. 

Dit artikel is tot stand gekomen als onderdeel van de lopende discussie binnen het Communistisch Platform over de invulling van een van de hoekstenen van onze visie op de arbeidersbeweging – de partijbeweging. In deze discussie hebben een aantal kameraden zich afgevraagd wat nu eigenlijk de partijbeweging behelst en waarom deze een strategisch alternatief biedt op de huidige gang van zaken. Daarbij is een aantal keer gerefereerd aan historische gevallen. De Socialistische Partij, en andere, voornamelijk ex-maoïstische, bewegingen zouden tot op zekere hoogte organisaties in het leven hebben geroepen die een inspiratie zouden kunnen vormen voor een toekomstige partijbeweging. In dit artikel probeer ik te verkennen of er daadwerkelijk een les kan worden getrokken uit die verleden, en zo ja, wat deze dan zou behelzen.

Ten eerste moeten wat woorden vuil gemaakt worden aan de definitie van de partijbeweging. In zijn eerdere lezing, op deze website gepubliceerd als artikel, vereenzelvigt Jos Alembic de partijbeweging met een partijmodel waarin de focus op politiek debat en democratie hand in hand gaat met verenigingen voor dagelijkse activiteiten. Wat hieraan schuurt is dat de voorbeelden die hij voor de partijbeweging noemt niet overeenkomen met deze partijbeweging als partijmodel. Het Moslimbroederschap heeft inderdaad een groot netwerk van maatschappelijke organisaties waardoor het zijn ideologie verspreidt, maar wordt zeker niet gekenmerkt door een focus op politieke discussie en debat. Hetzelfde geldt tot op zekere hoogte voor de Black Panther Party die actief was in de Verenigde Staten in de jaren zestig. 

Daarom stel ik voor de partijbeweging te belichten als de strategische keuze voor het bouwen van een partijbeweging -waarin arbeiders zich verenigen in partij gelieerde organisaties die alle vlakken van het leven beslaan- hangt nauw samen met het principe van revolutionair geduld. Het principe van revolutionair geduld stelt dat openingen om het systeem te veranderen, de crises van het systeem, zich slechts periodiek voordoen en de revolutionaire beweging dus voor de uitdaging staat om in de tussentijd – de niet revolutionaire periode – een beweging op te bouwen die op het juiste moment in staat is om het machtsvacuüm te vullen. Vandaar de noodzaak voor het creëren van verenigingen die mensen met alledaagse activiteiten betrokken houden bij de partijpolitiek. 

Behalve het bij de les houden van de beweging in niet revolutionaire tijden, vervult de partijbeweging ook de taak van het verbreden van het socialistisch bewustzijn. Het, onze kameraden, bekende voorbeeld zijn Karl Kautskys cirkels van bewustzijn. Kautsky stelde in feite dat de partij de taak had om de socialistische ideeën in de verschillende lagen van de vakbeweging te verbreiden, beginnend bij de meest logische plaatsen zoals vakbonden, tot aan de semi-lompen proletarische laag van de arbeidersklasse. De partij vormde dus de ideologische nucleus van de beweging, zonder de wens die beweging in zichzelf op te slokken. In feite moest de bredere arbeidersbeweging dus versmelten met het socialisme. 

Het is gemakkelijk om voor te stellen hoe de kleine verenigingen in dit beeld vallen. Door de verschillende partijverenigingen, versmolt het socialisme met alledaagse activiteiten. Het was dus eigenlijk de meest verregaande verspreiding van de socialistische ideologie in de lagen van de arbeidersklasse. De vraag is dan of we een vergelijkbaar patroon, van verspreiding van de ideologie en het opbouwen van een alternatieve structuur kunnen terugzien in de maoïstische bewegingen van weleer. 

Kort moet gezegd worden dat documentatiemateriaal van deze bewegingen niet voorhanden ligt. Er zijn slechts een zeer gelimiteerd aantal studies gedaan naar de maoïstische front-organisaties in de jaren zestig en zeventig. Het Geheim van Oss [1], en het recent gepubliceerde boek van Bart van der Steen In Leiden moet het anders [2] zijn de meest inzichtelijke studies waarbij de front-organisaties van de SP onder de loep worden genomen. Zonder dit artikel te compliceren met een web aan referenties, wil ik noteren dat dit artikel vrijwel volledig gebaseerd is op materiaal uit deze twee boeken. Voor de betrokken lezer zou ook Mao in de polder [3] van grote belangstelling zijn. 

 

Functioneren van de massa-organisaties 

De massa-organisaties vormden in de jaren zeventig en tachtig de basis van de vroege Socialistische Partij. Alle afdelingen van de partij hadden ook vertakkingen van, of afzonderlijke lokale, massa-organisaties die in tegenstelling tot de eigen partij het lidmaatschap voor iedereen open stelden. Lange tijd waren de voorzitters van de massa-organisaties zelfs vertegenwoordigd in het landelijk bestuur van de SP. Veel acties en campagnes van de partij werden gevoerd door middel van deze organisaties. 

De massa-organisaties van de SP hadden meestal twee bezigheden: ten eerste vaste bezigheden die door vrijwilligers van de massa-organisatie werden geregeld op dagelijkse basis. Het is deze kant van de massa-organisatie die het dichtst bij de conceptie van een partijbeweging komt. Arbeiders werden op die manier op een permanente basis betrokken bij de organisatie. Ten tweede voerde de massa-organisaties campagnes waarvoor zij eigen front-organisaties opzetten. Dit waren tijdelijke verenigingen die een bepaald politiek doel voor ogen hadden. Eigenlijk zoals wij ze vandaag de dag nog steeds kennen van verschillende linkse organisaties. 

Een van de bekende massa-organisaties van de SP was Ons Medisch Centrum (OMC). Kaderleden van de SP werden expliciet gevraagd om een opleiding tot arts te volgen, om een ‘rooie docters vereniging’ op te kunnen zetten. Opvallend hierbij is al dat de partij dus niet zocht naar dokters met socialistische sympathieën, maar socialisten tot dokter maakte. In die zin verschilde de opzet van de SP dus al van bijvoorbeeld de brouwervereniging van de SPD. Er is geen sprake van het proberen uit te reiken naar de bredere lagen van de samenleving voor de vereniging. Tegelijkertijd bleek ook uit de praktijk dat er simpelweg weinig socialistische dokters bestonden; pogingen tot uitbreiding naar Nijmegen en Zoetermeer liepen moeizaam en verdere uitbreidingen bleven uit door een totaal gebrek aan animo. 

Enig succes voor de vereniging was er wel; honderden patiënten meldden zich aan. Sommige socialist, het grootste gedeelte niet. Op een gegeven moment werd de aanloop zo groot, dat de dokters de werkdruk niet meer konden bijhouden en het OMC gedwongen werd om een ledenstop in te stellen. Ooggetuigen beschreven dat het pand van de vereniging voor de arbeiders uit de wijk zelfs fungeerde als een soort buurtcentrum. Ook mensen die geen afspraak hadden kwamen in de wachtkamer bijkletsen. In deze zin kwam het OMC in de buurt van het ideaal van een partijbeweging. Het betrof een permanente organisatie met politieke insteek die een dagelijkse ontmoetingsplaats werd voor arbeiders. 

Een verdere bijdrage die de dokters van het OMC leverden aan het partijwezen waren reguliere bijdragen aan het partijblad de Tribune. In felle polemieken kaartten de SP dokters de misstanden in de zorg en op huisartsenposten aan en lieten zien hoe hun dagelijkse praktijk in verband stond met politieke kwesties. Ze schreven bijvoorbeeld een vernietigend artikel waarin zij collega artsen op de korrel namen dat zij te gemakkelijk medicijnen zouden voorschrijven, zonder eerst goed naar de patiënt te hebben geluisterd. Zo werd er een verbintenis gesteld tussen de kliniek, de partij(leden) en de patiënten. Daarbij kan nog opgemerkt worden dat de partijmedia een cruciale rol speelt in het tot stand brengen van deze verbinding. Het is een praktijkvoorbeeld van waarom de ‘partijkrant’ het centrale orgaan van een beweging moet vormen, ongeacht de vorm die die in de moderne tijd aanneemt. 

Daartegenover staat de grootschalige campagne die in 1977 werd georganiseerd door het OMC. Onder de vlag van de Vereniging Voorkomen is Beter (VVIB), pleitte de SP en het OMC voor een vernieuwing van de gezondheidszorg en de verplichtstelling van een jaarlijkse gezondheidstest. Het VVIB gold als een eigen (front) vereniging en verzamelde dus ook zelfstandig leden. Het onderscheid tussen het Medisch Centrum, de massa-organisatie en politieke campagne vervaagde.

De campagne werd hard bevochten. Vrijwilligers van alle afdelingen gingen langs de deuren met urinetesten die mensen thuis konden doen, en een inschrijfkaart van de VVIB. Uiteindelijk telde de vereniging 300.000 leden. Ter vergelijking, de grootste politieke partij, de PvdA, telde destijds ongeveer 110.000 leden. Ogenschijnlijk een groot succes dus; de SP was erin geslaagd een aanzienlijk segment van de bevolking in beweging te krijgen voor een politieke strijd. De partij verwachtte dan ook een doorbraak te beleven tijdens de tweede kamerverkiezingen van datzelfde jaar. Die gedachtegang is logisch, als je als partij een groot gedeelte van de klasse weet te mobiliseren, verwacht je dat de partij veel steun heeft en dat dus zou vertalen naar electorale winst. Het tegenovergestelde bleek echter waar. De SP behaalde niet meer dan 24.000 stemmen.

Daarop besloot de partij de front-organisatie te laten afsterven. Dat lijkt een logische beslissing, maar toont ook het misplaatste geloof dat de partij in de front-organisatie had gesteld. In plaats van, nogmaals, te pogen het OMC met meer vestigingen uit te breiden op basis van het VVIB,  of op een andere manier de campagne om te zetten naar permanente organisatie werd het simpelweg ontbonden. Wel werd uiteindelijk de jaarlijkse test ingevoerd en ook preventief onderzoek werd meer gebruikelijk. Desgevraagd noemen ook de dokters zelf dit als het grote succes van het OMC en hun campagne. De vereniging werd dus gezien als springplank voor het actievoeren en niet het politiek betrekken van arbeiders. Permanente organisatie was geen afweging. Een element van het eerstgenoemde zat er wel in, maar werd nooit volledig uitgewerkt. 

In Leiden speelde de Bond van Huurders en Woningzoekenden (BHW) in de vroege jaren zeventig een belangrijke rol in het dagelijkse partijwerk van de SP. Veel woningen verkeerde in slechte staat en de regering voerde een huurverhogingsbeleid voor vooroorlogse woningen, waarvan er veel in Leidse arbeiderswijken stonden. Uitstekend materiaal dus voor de SP om mensen op te organiseren. 

Als standaard werkwijze trok de BHW vervallen wijken in om daar te peilen of er genoeg animo was voor een buurtcomité. Bleek dit het geval, dan was de huurstaking het voornaamste wapen om de eisen te laten inwilligen. Door hele wijken te mobiliseren met huurstoppen en bijgaande petities wist de BHW verschillende zaken af te dwingen van de gemeente. Uiteindelijk won ze met de strategie zelfs een stop op huurverhogingen. Daarnaast maakte de BHW handig gebruik van haar netwerk om bezettingen te organiseren bij sociale huur kantoren om beter onderkomen te eisen voor gezinnen die in te krappe woningen zaten of dreigden dakloos te raken. Zo hielden twee gezinnen, met steun van de buurt, een dag en een halve nacht het kantoor van de sociale huur bezet totdat deze toegaf en ze nog de volgende dag een andere woning toewees. Als organisator van de verdediging van de onmiddellijke belangen van de werkende klasse deed de Bond dus prima dienst. 

Ook voerde de BHW campagne binnen woningbouwverenigingen. Als klap op de vuurpijl won de zij een meerderheid binnen de Eendracht, de grootste woningbouwvereniging in Leiden. Dit leidde overigens tot een spectaculaire krachtmeting waarbij het verenigingsbestuur werd ontboden bij de staatssecretaris met de dreiging de vereniging op te heffen als er geen einde zou komen aan de huurstop. Ook blokkeerde de politie de SP delegatie de toegang tot verdere vergaderingen van de Eendracht. Uiteindelijk boog de vereniging dan ook voor de druk van buitenaf en werd er een nieuw bestuur ingesteld dat de eisen van de gemeenteraad en minister inwilligde. Een kleurrijk voorbeeld van wat er gebeurt als klassenstrijd een kookpunt bereikt.   

Op het hoogtepunt telde de BHW 1000 leden in Leiden. Daarmee was het dus een significante organisatie op het gebied van huren in de stad. Gepaard met de naamsbekendheid van de succesvolle campagnes, verwachtte de Leidse SP een doorbraak in de gemeenteraadsverkiezingen van 1974. Maar net als bij de campagne van de VVIB, slaagde de SP er niet in om het succes van de massa-organisaties om te zetten in winst voor de partij. En net als bij de VVIB, was de onmiddellijke reactie op dit verlies om de BHW, en niet lang daarna ook alle andere massa-organisaties, op te heffen. 

 

Heimelijkheid en Bakuninisme

In de vroege SP werden de massa-organisaties vooral gezien als een middel om de moederpartij te sterken. Politieke campagnes werden gevoerd op basis van specifieke eisen rondom de front-organisaties, met het oog op het succes te oogsten voor de partij. Er was dus geen directe, openbare, politieke verbinding met de SP. Het werk van de massa-organisaties bestond dus vooral uit een heimelijke vorm van actievoeren, waarbij de partij het centrum van aansturing vormde. 

In deze zin vormen de massa-organisaties de omgekeerde van de Kautskyistische partijbeweging. De partijbeweging gaat uit van  een politieke partij die haar gewicht dankt aan de steun voor haar politieke programma, en die het socialisme door de samenleving spreidt en leden betrekt bij het partijleven door het uitbouwen van een netwerk van gelieerde organisaties. De partij wordt daardoor wel gesterkt door de gelieerde verenigingen, maar is niet van hen afhankelijk. Zij biedt zelf het gewicht dat de verenigingen in haar baan houdt, en bedrijft dus een openlijke politiek. 

Dat laatste reflecteert ook in de benamingen van traditionele partijbewegingsverenigingen. Er waren sociaaldemocratische nieuwsbladen, sociaaldemocratische fietsersbonden, sociaaldemocratische kroeghoudersverenigingen en zo verder. Dit in tegenstelling tot de massa-organisaties die relatief apolitieke namen aannamen zoals de ‘Bond voor Huurders en Woningzoekenden’. De kern hier is dat voor de partijbeweging de politiek dus een voorwaarde was voor het verenigingswerk. De massa-organisaties zetten deze formule op zijn kop en bombardeerden de verenigingen tot voorwaarde voor het bedrijven van politiek. 

Tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 1974, distantieerde de BHW zich expliciet van de SP.  Zij benadrukte naar buiten toe dat zij geen politieke organisatie was en zich niet voor politieke doeleinden liet gebruiken. Zelfs toen het uiteindelijk toch tot een stemadvies aan de leden op de SP kwam, werd afstand genomen van de partij. 

Het is hierom ook niet vreemd dat de Leidse Socialisten op het probleem stuitten dat zij de organisatiekracht van de verenigingen niet wisten te vertalen naar politieke winst. Nieuwe leden waren zich helemaal niet bewust dat zij intraden bij een socialistische vereniging, wat een doorstroom naar de partij niet noodzakelijk vanzelfsprekend maakte. Ook was het lastig voor de partij om winsten te claimen voor zichzelf omdat zij officieel niet verantwoordelijk voor of gelieerd waren aan de activiteit van de massa-organisaties. 

Het kwam in Leiden zelfs zo ver dat bij de Bond van Huurders en Woningzoekenden sommige huurders boos opstapten nadat zij actief waren geworden voor een actiecomité, en er op een gegeven moment achter kwamen dat de organisatie achter de schermen gerund werd door de SP. Mensen moesten dus doordringen tot de kerngroepen van de organisatie voordat ze erachter kwamen dat de vereniging eigenlijk op maoïstische leest geschoeid was. 

Een ander voorbeeld, het Geneeskunde voor het Volk, dat gelieerd is aan de Belgische Partij van de Arbeid, neemt nog een stap verder dan de Nederlandse voorbeelden. Zij heeft namelijk expliciet een eigen politiek platform waarin acht eisen rondom zorg worden georganiseerd. Daarmee worden dus nauwe politieke eisen gesteld, die zich niet aan een bredere politieke context binden. Op die manier is het gemakkelijk om sympathisanten bij de organisatie te betrekken, maar fungeren zij ook voornamelijk als politiek front; een bundeling van krachten van verschillende politieke stromingen. Het is dat ook niet verbazingwekkend dat de afstand van de organisatie ten opzichte van de Partij van de Arbeid door de jaren heen steeds groter is geworden. 

Na een bezoek aan de AMADA, voorloper van de hierboven genoemde PVDA, door SP’er Paul Pollman werd in Oss het belgische experiment gerepliceerd met het OMC; een door socialistische artsen geleide huisartsenpost die goedkope hulp verstrekte aan zorgbevoefdigden. De banden met de Socialistische Partij bleven informeel, en hoewel ze duidelijk waren voor degenen die er op letten, was er geen expliciete verbintenis. Het OMC voer zo een grotendeels onafhankelijke koers, en de verbintenis met de Osse SP werd met de jaren steeds minder hecht. Vandaag de dag bestaat het OMC nog steeds, maar heeft zich volledig ontdaan van de socialistische associatie. De partijorganisatie werd zo van uithangbord voor het succes van de socialistische beweging tot een doodgewone huisartsendienst. 

Het probleem dat zich hier voordoet is haast Bakuninistisch van karakter. Het gaat er vanuit dat het mobiliseren van de massa’s tot een radicalisering leidt die in laatste instantie een opening creëert voor een revolutionaire situatie. De partij opereert heimelijk op het niveau van basiseisen via front- of massa-organisaties, zoals wonen, bankreguleringen of klimaatmaatregelen met de hoop daarmee een brede massa te organiseren. Deze verwachting blijkt echter zelden waar te zijn. De mobilisering van brede lagen van de werkende klasse gaat meestal gepaard met een algemene radicalisering, waarvan de partijorganisatie toch al zou hebben gebaat, en deze bewegingen slaan zeer zelden spontaan om tot een revolutionaire situatie, juist doordat er geen leidend revolutionair geluid is opgebouwd. De activiteit van de ‘revolutionairen’ in hun front- en massa-organisaties is dan niets anders geweest dan het zorgvuldig opblazen van een zeepbel.  

Dat de Leidse SP er voor koos om de eigen massa-organisaties op te doeken was daarom correct, maar niet om de juiste reden. Voor de SP kwam het vooral neer op de mislukte poging de organisatie van de massa-organisaties om te zetten naar winst voor de politieke partij. Daarom besloten de kaderleden dat dergelijke satelliet organisaties een heilloze onderneming waren, en deze ten grave te dragen. De taak van de massa-organisaties had echter nooit moeten zijn om politieke relevantie te winnen voor de partij. Die had de partij zelf moeten winnen op basis van het openlijk propageren van haar politieke programma. De meest overtuigende reden voor het staken van de massa-organisaties zou dus zijn geweest dat de partij simpelweg nog niet klaar was voor het spreiden van haar vleugels in die zin, aangezien het haar ontbrak aan politieke gewicht. Was dat wel het geval geweest, dan hadden de massa-organisaties moeten zijn getransformeerd tot openlijk socialistische verenigingen. 

 

De oorspronkelijke partijbeweging 

Dat de massa-organisaties geen eenduidig voorbeeld vormen van een partijbeweging, mocht duidelijk zijn. Maar wat betekent dat dan voor de beweging? Moeten we directer teruggrijpen op de partijbewegingen van weleer – de oude SPD? 

Dit lijkt een voor de hand liggende oplossing voor het vraagstuk hoe een beweging tegenwoordig vormgegeven zou kunnen worden. Toch ligt het niet zo eenvoudig. We moeten immers constateren dat een groot gedeelte van de oude verenigingen niet langer bestaat en moeten ons dus ook afvragen hoe dit zo gekomen is. Lagen ideologische redenen aan de grondslag? Misschien juist achterliggende economische ontwikkelingen? Het is evident dat de oude beweging niet zomaar in het niets is opgelost. 

Een belangrijk voorbeeld hiervan betreft de consumptie coöperaties die lange tijd – samen met vakbonden en politieke partijen-  een van de hoekstenen van de arbeidersbeweging vormden. Deze verenigingen waren een soort warenhuizen waar alleen leden -tegen sterke kortingen, of soms zelfs op rantsoen- mochten winkelen. Deze consumptie coöperaties telden honderdduizenden leden door het hele land en waren vaak op expliciet socialistische leest geschoeid. Producten werden collectief, centraal ingekocht tegen lage prijzen en voor reproductiekosten doorverkocht aan de leden. Een model dat effectief klinkt, maar het na de Tweede Wereldoorlog moest afleggen tegenover de groeiende supermarktketens zoals Albert Heijn, die het coöperatieve model totaal hebben weggeconcurreerd. Logisch, want het enorme aggregeren van aanbod onder zulke supermarktketens betekende dat prijzen veel lager konden worden gesteld dan waar de coöperaties ooit op konden hopen. 

Dat betekent dat de coöperaties niet langer een sociale functie vervulden, ze werden simpelweg achterhaald door de markt. Dat sommige coöperaties het überhaupt zo lang uithielden, tot in de vroege jaren zestig, mag al een verrassing genoemd worden. Ze werden grotendeels in leven gehouden door hardnekkige ideologische leden, wat ook betekende dat tegen de tijd dat de coöperaties eindelijk met de druk die op hen geplaatst werd moesten meegeven, het ledenbestand uiterst vergrijst was. Als beweging was de coöperatie al in de jaren 50 ten dode opgeschreven. Ideologische afkalving is op zichzelf  niet noodzakelijk een goede reden voor het afsterven van deze tak van de beweging, gezien de populariteit van socialistische en communistische partijen een hoogtepunt bereikte aan het einde van de jaren zestig. Gebrek aan steun kan dus niet worden gecorreleerd aan het gebrek aan steun voor communistische ideeën, waardoor een economisch-structurele verklaring meer aannemelijk lijkt. 

Er is dus weinig zin in een poging om nieuwe consumptie coöperaties op te zetten naar het oude model. Levensmiddelen zijn tegenwoordig, voor het grootste gedeelte van de werkende bevolking, in overvloed beschikbaar tegen betrekkelijk lage prijzen. De kans dat de vakbeweging hieraan zou kunnen tippen is zeer gering te noemen. Dit geldt natuurlijk voor een aanzienlijk gedeelte van de oude partijbewegingsverenigingen. We kunnen gerust stellen dat wie vandaag de dag nog heil ziet in het oprichten van een socialistische fietsvereniging, in een tijd dat routes en recensies gemakkelijk kunnen worden opgezocht op het internet, en ook fietsen niet langer tot de luxe artikelen behoren, zich in een staat van totale desillusie bevindt. 

Een nuttig voorbeeld ter illustratie van een moderne beweging die worstelt met het vraagstuk hoe zich te verhouden met kapitalistische concurrentie is de vakbond. In het licht van een teruglopend ledenaantal, probeert de bond al ruim een decennium verschillende methoden uit om leden aan zich te binden en nieuwe redenen te verzinnen voor mensen om zich bij de bond aan te sluiten. Een van de resultaten is wat sommige kaderleden spottend de ‘sociale ANWB functie’ noemen. Door het aanbieden van kortingen op vakantiehuisjes, daguitjes en verzekeringen probeert de bond de aantrekkelijkheid van het lidmaatschap te vergroten. 

Probleem daarmee is dat de bond niet een unieke positie hierin heeft. Het sluiten van deals met kapitalistische bedrijven zoals verzekeringsmaatschappijen of vakantie-aanbieders vertrekt van dezelfde basis als elk ander bedrijf of vereniging. Dit betekent dat de meeste bedrijven een vergelijkbare, zo niet betere deal kunnen regelen voor hun werknemers. ‘De sociale ANWB’ functie van de vakbond werkt niet, omdat deze simpelweg sociaal overbodig is. De vraag blijft altijd wat de relevantie is van een functie. 

Wat we wel kunnen stellen is dat in de kern, de oude bewegingen sociale behoeften invulden waar die door de rest van de maatschappij werden nagelaten. Zo werden socialistische  kroegen opgericht om de arbeiders van de sterke drank van de bazen af te helpen, en een plek te bieden voor sociale bijeenkomsten, waar die daarvoor niet of nauwelijks bestonden. Ook vandaag bestaan er nog gaten in het sociale net. Sterker nog, de terugtrekkende verzorgingsstaat laat steeds meer gaten achter. In deze zin biedt het bewegingsmodel van een netwerk aan partijorganisaties dus nog steeds hoop. Onze taak heden ten dage is alleen om er een moderne invulling aan te geven. Welke misstanden ontstaan vandaag waar wij als partij uniek de middelen voor kunnen organiseren in het belang van de (lokale) gemeenschap? 

Het direct teruggrijpen op oude modellen lijkt dus met de regel een onproductieve bezigheid, maar de vraagstukken die de oorspronkelijke beweging in het leven riep blijven nog altijd aanwezig. Laat het verleden dan ook voornamelijk een inspiratie zijn, zonder onszelf de illusie te stellen dat het ons een routebeschrijving naar de macht of zelfs een succesvolle beweging biedt. 

 

Het politiek centrum als alternatief

Uit dit alles kunnen we een aantal belangrijke zaken destilleren. Waren de Maoistische massa-organisaties van de SP een voorbeeld voor de partijbeweging? Een aantal zaken wijzen erop dat het antwoord negatief is. De partijbeweging naar het model van Kautsky waarbij politiek en dagelijkse activiteit samen smelten vindt geen weerklank ik de massa-organisaties van de jaren zestig en zeventig. De organisaties distantieerden zich namelijk vaak expliciet van het socialisme of pretendeerden onafhankelijk te zijn van de SP. In die zin was er dus geen verbreiding van het socialistische bewustzijn. Daar komt ook bij dat de massa-organisaties vaak overliepen in front-organisaties, waardoor er slechts in beperkte mate sprake was van de permanente organisatie van arbeiders. Ook aan het tweede criterium van een partijbeweging wordt dus niet voldaan. 

Toch moet er ook op gewezen worden dat de aanzet naar die permanente organisatie wel aanwezig was. Zeker het OMC wist zich te ontpoppen tot een permanente ontmoetingsplek voor arbeiders en op slimme wijze de dagelijkse praktijk van de dokters met de partij te verbinden via het schrijven in de Tribune. Tot op zekere hoogte kan er dus wel gewezen worden op het feit dat dergelijke projecten wel degelijk mogelijk zijn, waarbij eenvoudige dagelijkse zaken zoals een huisartsenpost ingezet kunnen worden om de strijd voor het communisme op een hoger plan te tillen. 

Een van de grote struikelpunten van de massa-organisaties, en dus een belangrijke les voor het bouwen van een hedendaagse partijbeweging betreft het belang van een politiek centrum. De massa-organisaties neigden ernaar om groter en succesvoller te worden dan hun moederpartij. Daardoor scheurden ze uit de peripherie van de moederpartij of wisten behaalde successen niet om te zetten naar winst in steun voor de partij. Zeker houdt dit ook verband met het feit dat leden van de BHW zich überhaupt niet bewust waren dat zij in een maoïstische organisatie intraden. Het heimelijk doorsluizen van mensen van ‘apolitieke’ front- en massa-organisaties was duidelijk een mislukte onderneming. Voor het succes van de organisaties zou de partij zelfstandig in staat moeten zijn om grote hoeveelheden mensen te overtuigen van een marxistisch programma. 

Dit betekent dus ook dat het weinig zin heeft om aan de weg te timmeren van dagelijkse verenigingen, als er geen politiek centrum is. De taak waar wij nu voor staan als communisten is dus niet om te beginnen met het opbouwen van een partijbeweging, maar om te pleiten voor een partij op basis van een marxistisch programma. Alleen in de context van een centrale massapartij die zich belegt op een onafhankelijke klassenpositie, internationalisme en radicale democratie, wordt de strategie van revolutionair geduld en in het verlengde de partijbeweging een logische stap. We moeten de partijbeweging opwerpen als de alternatieve strategie op doelloos activisme van een communistische partij. Doen we dat niet, dan riskeren we de vergissingen van de jaren zestig te herhalen.

Noten 

[1] Kees Slager, Het geheim van Oss (2001).

[2] Bart van der Steen, In Leiden moet het anders (2019).

[3] Wouter Beekers, Mao in de Polder. Een historisch-sociologische benadering van het Nederlandse maoïsme 1964-1978 (2005).