In dit artikel vult Joris Mistbloem Emil Jacobs’ analyse aan, door verder te kijken hoe de SP er op afdelingsniveau voorstaat, en hoe de partij zich heeft ontwikkeld sinds de explosieve groei in 2006. Vervolgens probeert hij de vraag te beantwoorden waarom zoveel mensen weglopen. Hiervoor vergelijkt hij de partij zoals die nu functioneert met hoe zij zich gedroeg in de jaren 90 en vroege jaren 00, toen de SP het gesprek en de samenwerking met andere linkse organisaties en bewegingen juist opzocht. Vervolgens houdt hij een pleidooi voor het opnieuw opzoeken van die discussie en samenwerking, in combinatie met democratisering en een ruk naar links.

Wat voor partij wil de SP zijn? Wil het een massapartij zijn die de leiding geeft aan de socialistische beweging, of wil het een kleine centrumpartij worden, die, met een vergrijzend ledenbestand, steeds meer op een sterfhuisconstructie lijkt? Die vraag dringt zich op na de voor de partij en heel links desastreus verlopen Tweede Kamerverkiezingen. Iedereen struikelt nu over elkaar om een analyse te maken wat er is gebeurd en hoe het nu verder moet. In dit artikel lever ik mijn eigen bijdrage aan die discussie, en geef ik drie aanbevelingen die van de SP weer een massapartij kan maken. Het roer kan namelijk nog om.

Dat de verkiezingsuitslag voor de SP op 17 maart tegen zou vallen, was al langer te voorspellen. De verkiezingsuitslagen zitten al sinds het hoogtepunt in 2006 in een neergaande lijn. Emil Jacobs vatte de uitslagen sinds 2006 al eerder samen 1, dus dat zal ik niet over doen. Wat duidelijk is, is dat de uitslag van 17 maart in lijn is met de daling die zich vanaf 2007 heeft ingezet, en vergelijkbaar is met de uitslag van de Provinciale Statenverkiezingen van 2019. Wat dat betreft valt de uitslag zelfs nog mee, en had deze na het conflict met de jongerenorganisatie ROOD, een coronajaar met nauwelijks kritiek op het beleid van de regering en de staat van de zorg, en de aftakelende staat van de partij (zie verderop) ook zomaar slechts 6 of 7 zetels kunnen zijn, als de dalende lijn van de laatste 15 jaar zich ook de laatste 2 jaar had doorgezet. Wat de uitslag nog redelijk verbloemt, is dat de partij ook steeds minder populair wordt bij jongeren. De opkomst onder jongeren was dit jaar met 80% ongekend hoog. Hoewel de SP normaal gesproken baat heeft bij een hoge opkomst, schaadde dit de partij juist. Onder jongeren stemt namelijk vrijwel niemand meer op de SP. Als alleen 18-24 jarigen hadden gestemd, had de SP slechts 2 zetels behaald 2. Onder 18-34 jarigen scoorde de SP zelfs slechter dan 50Plus 3.

Belangrijker dan de verkiezingsuitslagen is de staat van de partij, waar de verkiezingen een uiting van zijn. Kijk bijvoorbeeld naar de ledenaantallen. Na een hoogtepunt in 2007 met ruim vijftigduizend leden, heeft in 14 jaar bijna 40% zich uitgeschreven en zijn er nog maar 32 duizend over 4. Dit heeft zijn weerslag op het aantal afdelingen, en het functioneren daarvan. Helaas is de partij hier niet erg transparant in en wordt het verloop van afdelingen niet jaarlijks gerapporteerd of publiekelijk bijgehouden. Er zijn echter wel meerdere campagnes gevoerd binnen de partij om het aantal afdelingen te doen stijgen. Eerst naar 150, vervolgens naar 200 en daarna zelfs 250. Met terugzoeken in partijraadverslagen valt er zo wel het een en ander aan elkaar te knopen. Zo waren er in september 2010 140 afdelingen 5, in juni 2012 150 6 en in november 2015 160 7. In juni 2016 bracht de commissie “Op naar 250 afdelingen” verslag uit 8 van een poging die groei door te zetten.

Al deze pogingen om nieuwe afdelingen op te richten konden de daling van de ledentallen niet keren. Van het hoogtepunt van 160 afdelingen zijn nu nog zo’n 135 over. Het aantal goed functionerende afdelingen ligt echter veel lager. Door de krimp hebben veel kleine en zelfs middelgrote afdelingen steeds meer moeite om genoeg bestuursleden en raadskandidaten voor de gemeenteraadsverkiezingen te vinden. Ruim een derde van de afdelingen lukt het niet om aan de statutaire plicht van ten minste vijf bestuursleden te voldoen. Hier zitten een hoop kleinere afdelingen bij, maar ook grotere afdelingen als Arnhem (4 bestuursleden), Leiden (4) en Wageningen (2). Het aantal goed functionerende afdelingen ligt daardoor eerder rond de 85. Hierdoor worden belangrijke taken zoals het in de afdeling bespreken van verkiezingsprogramma’s of kandidatenlijsten steeds moeilijker en moeten de overblijvers steeds meer doen. De partij wordt zo een steeds legere huls, met tientallen afdelingen die voornamelijk op papier bestaan.

Door het gebrek aan openheid en lerend vermogen van de partijleiding voelen steeds minder mensen zich thuis bij de partij. Door gebrek aan ruimte voor links gedachtengoed is de linkerkant van het Nederlandse politieke spectrum verder aan het versplinteren. Waar de SP lange tijd het alleenrecht had op antikapitalistisch links, zijn daar in 2002 de Partij voor de Dieren en in 2016 Bij1 bijgekomen. Door de inzet op zetelwinst en het verlangen naar regeringsdeelname liet de partij ruimte ontstaan aan haar linkerflank. Een hoop van de vertrekkende leden die voorheen actief waren voor de SP, zijn naar die twee partijen overgestapt, als ze niet volledig met politiek gestopt zijn.

Wat duidelijk is, is dat het zo niet langer gaat. Doorgaan op de huidige weg, met de bekende verklaringen waarom weer een verkiezing is verloren of weer een jaar met ledendaling is afgesloten, zal alleen maar de huidige lijn van die krimp voortzetten. Zo drijft de partij steeds verder af van haar begin als aspirerende massapartij die de ideologische leiding geeft aan de socialistische beweging in Nederland, naar een partij die een marginale vervult in het parlement, met steeds minder activiteiten daarbuiten. Een vertegenwoordiging in de Tweede Kamer van minder dan tien zetels zal eerder regel dan uitzondering worden, en het ledental zal blijven dalen. Door het vergrijzende ledenbestand zal het een sterfhuisconstructie worden die hetzelfde lot is beschoren als de CPN in het verleden en de NCPN nu. Op termijn ligt dan een fusie met PvdA en GroenLinks voor de hand, en is de ingezette sociaaldemocratische lijn voltooid.

Het kan echter ook anders. Door middel van een aantal fundamentele wijzigingen in de eigen houding, de interne organisatie en het ideologische verhaal, is dat tij te keren. Hiervoor doe ik een aantal aanbevelingen, die grofweg in drie categorieën onder te verdelen zijn: samenwerken met andere organisaties, democratisering in de partij en een programmatische en ideologische ruk naar links. Deze aanbevelingen zullen voor trouwe lezers van deze site niet nieuw zijn. Vanwege de actualiteiten is het echter nuttig om ze nog eens samen te vatten.

Samenwerken met andere organisaties

De SP heeft momenteel een vrij gesloten cultuur. Vrijwel alle debatten worden binnenskamers gevoerd, kritiek van leden buiten de partijstructuren om wordt niet getolereerd en reflecties van buiten worden nooit overgenomen. Van een aantal partijorganen wordt wel naar buiten toe gerapporteerd. Zo wordt het congres gelivestreamd en worden verslagen van partijraden dus op de site gepubliceerd. Suggesties vooraf wordt echter niks mee gedaan. Het heersende idee is dat de partijleden, en dan met name de partijleiding, de waarheid in pacht hebben en de vijand zich buiten bevindt. En die vijand kan natuurlijk nooit goede bedoelingen hebben bij het doen van suggesties, en te veel transparantie geeft de vijand maar te veel inzage in de strategie. Goedbedoelde adviezen van natuurlijke bondgenoten, zoals de vakbond of belangenorganisaties, worden daarom zelden overgenomen.

Dit was ooit anders. In de jaren 90, toen de SP in de Tweede Kamer doorbrak, werden juist meerdere organisaties binnengehaald, wat de socialistische beweging consolideerde. Ook werkte de SP veelvuldig samen met kunstenaars, linkse denkers en belangenorganisaties om input te verzamelen voor het beginselprogramma Heel de mens (1999). En begin jaren 2000 werkte de partij samen met een breed verbond van politieke partijen, organisaties en vakbonden in platform Keer het Tij 9, dat actievoerde tegen de eerste kabinetten Balkenende en in 2004 300.000 mensen op de been kreeg. Na deze successen was het voorbij met deze constructieve houding. Na het eigen electorale succes van 2006 (25 zetels) waren de partners niet meer nodig en werden deze afgestoten. Voortaan deed de partij zoveel mogelijk zelf. In plaats van samenwerken met de vakbond werd er zelfs nog even met het idee gespeeld een eigen vakbond op te richten.

Wil de partij weer de hoogtijdagen van flinke groei en massademonstraties beleven, dan zal het ook weer de deuren open moeten zetten en gesprekken en samenwerking aangaan met andere organisaties. Zo kunnen de eigen standpunten weer tegen het licht worden gehouden. Het herschrijven van het beginselprogramma, dat dit voorjaar begint en in oktober 2022 klaar moet zijn, is een perfecte aanleiding om hier weer serieus mee te beginnen. Dat vereist een flinke cultuuromslag. Partijleden dienen zich met open vizier te mengen in andere organisaties, en deze met oprechte bedoelingen te ondersteunen en daarin dus ook taken uit te voeren. Het voordeel voor deze partijleden is dat hun standpunten aan de rest van de arbeidersbeweging getoetst worden en ze een breed netwerk van activisten opbouwen. Voor deze organisaties is het voordeel dat zij meer menskracht krijgen om hun organisatie op te bouwen en dat zij eventueel infrastructurele ondersteuning van de partij kunnen krijgen. Zo worden beide zijdes er beter van en wordt er weer gebouwd aan een daadwerkelijke socialistische beweging.

Democratisering in de partij

Wil de partij programmatisch vernieuwen, antwoorden tot nieuwe uitdagingen zoals een pandemie ontwikkelen en de ledenleegloop stoppen, dan zal het ook de democratie in de partij moeten verbeteren. Over de huidige problematiek met die interne democratie is al een hoop geschreven 10 en zal ik hier niet herhalen. Het belangrijkste hierin is dat de partij de eigen leden weer serieus neemt, en ze niet enkel behandelt als flyeraars die vooral niet te lastig moeten zijn. Een partij bouw je samen. Bestuursleden dienen de leden te vertegenwoordigen en verantwoording af te leggen, in plaats van dat zij over de leden heen beslissen. Er bestaat binnen de partij echter een cultuur waarin bestuurders en medewerkers van de partij zich als een laag apart van de rest van de partij opereert. Als gevolg worden de meeste voorstellen gepresenteerd als voldongen feiten, die enkel nog door de partijraad of het congres kunnen worden goedgekeurd. In deze cultuur gaan een hoop kaderleden mee. Bij het afgelopen verkiezingscongres werd door de voorzitter van de programmacommissie Ronald van Raak met veel trots verteld dat er maar liefst 600 wijzigingsvoorstellen waren ingediend, en dat dat bewijst dat de SP de meest democratische partij is. Wat er niet bij werd gezegd is dat bij geen van die 600 wijzigingsvoorstellen tegen de lijn van de programmacommissie in is gestemd. Hoewel de marges verschilden, werden alle voorstellen aangenomen of verworpen zoals de commissie geadviseerd had.

Dat is geen cultuur waarin ruimte bestaat voor goed ideologisch debat. In de praktijk wordt de ideologische lijn al volledig bepaald in de commissies, en zijn congressen slechts een formaliteit. Het is daarom niet gek dat het programmatische zwaartepunt van de partij steeds meer bij de Tweede Kamerfractie is komen te liggen, gezien zij hele dagen met politiek bezig kunnen zijn en met regelmaat tussentijds standpunten moeten bepalen op thema’s waar de verkiezingsprogramma’s niet in voorzien. Hoewel begrijpelijk, zet dit de rest van de partij voor voldongen feiten en is het vrijwel onmogelijk om hier achteraf nog verandering in aan te brengen.

Een recent voorbeeld van deze manier van werken is het organisatorische congres van december 2019, dat een wijzigingsvoorstel aannam om samen met de FNV te strijden voor een minimumloon van 14 euro. In plaats van vanuit het partijbestuur samenwerking met de FNV te zoeken en zo uitvoering te geven aan het wijzigingsvoorstel, schreef Tweede Kamerlid Jasper van Dijk medio 2020 een eigen wetsvoorstel waarmee het minimumloon pas in 2028 op 14 euro zou komen te liggen, in plaats van al in 2022, wat de eis was van het ledenparlement van de FNV 11. Op deze manier trok de Tweede Kamerfractie de uitvoering van het wijzigingsvoorstel naar zich toe, in plaats van dit te doen in samenspraak met kaderleden die ook actief zijn in de vakbond. Een motie op de partijraad van september 2020 om alsnog aansluiting met de FNV te zoeken, zoals het congres bepaald had, haalde het niet. Door dit en soortgelijke incidenten hebben in de afgelopen jaren veel kaderleden hun lidmaatschap opgezegd.

De belangrijkste democratische hervorming die nodig is, is het recht op het vormen van facties, zoals rondom politieke standpunten of onderwerpen. Het woord “factie” heeft een zware lading waarbij bij sommigen al direct de nekharen overeind komen te staan. Het is echter niets meer dan een formalisering van hetgeen al constant gebeurt: het samenkomen en overleggen door gelijkgezinde mensen. Hoewel er statutair geen verbod op bestaat, is factievorming op dit moment in de praktijk taboe, behalve als het gedaan wordt door groepen gelieerd aan de partijleiding of de Tweede Kamerfractie. Dat schept een enorme willekeur. Wanneer iets precies te ver gaat voor de partijleiding is momenteel nergens duidelijk omschreven, laat staan gecommuniceerd naar leden en vastgelegd in statuten. Zijn vier mensen die samen in een kroeg over de partij praten — iets wat buiten de partijstructuren valt — en besluiten samen een motie in te dienen een factie? Of is dat pas als twintig mensen de hele kroeg afhuren om dat te doen? De grens van het door de partijleiding toelaatbare is volledig afhankelijk van wat de partijleiding op dat moment goed uitkomt. Parlementaire en activistische groepen zijn toegestaan 12, mede doordat het partijapparaat ermee is doordrenkt, maar groeperingen die fundamentele veranderingen in de partij willen en daardoor minder goed liggen, zoals Communistisch Platform, zijn niet gewenst.

Facties staan los van hoe de democratische structuren van de partij worden ingericht: binnen de huidige structuren zouden voorstellen die door facties zijn geschreven nog steeds eerst een meerderheid van een afdeling zien te overtuigen. Het is dus niet zo dat facties extra rechten krijgen die andere leden niet hebben. Wat het wel doet, is dat het bestaande politieke verschillen binnen de partij transparant maakt en formaliseert, omdat leden hun politieke standpunten dan niet meer hoeven te verhullen. Daarnaast biedt het meer ruimte voor ideologische discussies en verdieping, en biedt het ruimte voor de eerdergenoemde samenwerking met andere politieke organisaties. Kaderleden die zich graag bezighouden met klimaatbeleid, zouden zich bijvoorbeeld kunnen organiseren in een klimaatfactie, zich dan in de klimaatbeweging kunnen mengen, daar input voor kunnen verzamelen en voorstellen kunnen schrijven om deze vervolgens aan de rest van de partij te presenteren. Door factierecht wordt de wisselwerking bij het samenwerken met andere politieke organisaties dus versterkt. Dat is niet iets om bang voor te zijn, maar om te omarmen en te faciliteren.

Ideologisch naar links

Als de partij weer nieuwe en vooral jonge leden wil aantrekken, dan zal het zich moeten onderscheiden van het grote aantal partijen dat het politieke landschap momenteel bevat. Op dit moment gebeurt dat nauwelijks, en dat was met name deze verkiezingen te merken. Hoewel het op een aantal onderwerpen een goed verhaal heeft, worden deze met regelmaat niet goed of helemaal niet voor het voetlicht gebracht. Zo werd tijdens de grootste crisis in de zorg nauwelijks gebruikgemaakt van de eerdere campagne van een Nationaal Zorgfonds, of gesproken over de rol die eerdere bezuinigingen hebben gehad voor het huidige capaciteitsprobleem. Dit ondanks dat dit een uitgelezen kans leek voor een planmatige aanpak voor de inrichting van de zorg en de bestrijding van de coronacrisis. De Tweede Kamerfractie uitte afgelopen jaar nauwelijks kritiek op het regeringsbeleid om het draagvlak voor de bestrijding van corona geen schade aan te doen en vereenzelvigde zich zo met het ontoereikende beleid van de regering en de armoedige staat van de zorg die de partij al decennia bestrijdt.

Op andere onderwerpen komt de partij niet verder dan standpunten die sociaaldemocratische of zelfs liberale partijen tegenwoordig ook innemen. Het verweer van de partijleiding is dat die partijen niet te vertrouwen zijn om uitvoer aan deze standpunten te geven en je op het origineel moet stemmen, wil je deze standpunten ook daadwerkelijk gestalte zien krijgen. Hoewel daar een kern van waarheid in schuilt, had deze oproep het omgekeerde effect. Want hoezo zou je als kiezer op een partij stemmen die toch weer in de oppositie belandt als je ook op een partij kan stemmen met bewezen regeerervaring en deze standpunten ook verkondigt? En omgekeerd, als je op zoek was naar principiële linkse politiek, dan kon je beter bij Partij voor de Dieren en Bij1 terecht, met beide een radicaler programma dan de SP. In een verkiezing waarin elke partij naar links bewoog bleef de partij zelf stilstaan tot het niet meer van het midden te onderscheiden was.

Het heruitvinden van principieel socialistische politiek is dus noodzakelijk om je als partij te onderscheiden van de burgerlijke partijen, en om de deur naar links dicht te houden. Een garantie op electoraal succes op korte termijn is dat echter niet, maar dat dient ook niet het doel te zijn. Als socialistische partij dien je vooral zitting te nemen in een parlement om kritiek te uiten op het kapitalisme met het grote platform dat het parlement biedt en om de tekortkomingen en het institutioneel geweld van de liberale staat te ontmaskeren, denk bijvoorbeeld aan de toeslagenaffaire. Electorale winst is geen doel op zich, maar een graadmeter van de staat en politieke macht van de partij.

Ook regeren met kapitalistische partijen, wat het afgelopen jaar openlijk de inzet was van deze verkiezingen, moet geen doel zijn van een socialistische partij. Kapitalistische partijen zullen nooit veranderingen toestaan die de positie van de arbeidersklasse significant versterken. Daarnaast zal de partij in die positie genoodzaakt zijn om het kapitalisme te managen en medeplichtig worden aan de uitbuiting van de arbeidersklasse 13. Een socialistische partij heeft tot zij bijna een meerderheid heeft gewonnen dus niks in een regering van een liberale democratie te zoeken. In plaats daarvan dient er binnen het parlement een lijn van principiële oppositie te worden ingenomen en buiten het parlement aan politieke macht te worden gebouwd.

Hoe de SP een socialistische maatschappij in Nederland gaat verwezenlijken, zoals de statuten als doel stellen 14, dient weer een serieus onderwerp van discussie te worden, want het moge duidelijk zijn dat dit niet via de Tweede Kamer zal gebeuren. Ook om die reden is het herschrijven van het beginselprogramma een perfecte aanleiding om hier grondig over na te denken.

Conclusie

Dat de partij al lange tijd in verval is, is inmiddels voor iedereen duidelijk. Of dit het dieptepunt is, is nog te vroeg om te zeggen. Na het rampjaar 2019, met een halvering bij de Provinciale Statenverkiezingen en daardoor de Eerste Kamer, de exit uit het Europees Parlement en veel opgestapte kaderleden, leek het dieptepunt bereikt. Desondanks is de koers de afgelopen twee jaar niet veranderd, maar is men doorgegaan op dezelfde voet. Als dit zo doorgaat, is er geen enkele reden om te denken dat het verval dat zich na 2007 inzette niet zal doorzetten, met af en toe een kleine stagnatie of groei als het resultaat van een toevallig goed verlopen campagne of actie.

Dit tij valt op lange termijn te keren. Met de genoemde aanbevelingen kan de partij zich zowel binnen als naar buiten toe opnieuw uitvinden en zo weer ideologisch leiding geven aan de socialistische beweging in Nederland. Het roer kan en moet om. Het is echter zeer de vraag of er bij de huidige partijleiding genoeg zelfreflectie aanwezig is voor zulke fundamentele veranderingen in plaats van wat gerommel in de marges. De ervaring leert dat men liever de eigen baan veiligstelt dan dat men hun nek uitsteekt voor zulke grote veranderingen, want de eerste die zulke veranderingen voorstelt zal bij de rest van de partijleiding in ongenade vallen.

Van de partijleiding zullen we het dus waarschijnlijk niet moeten hebben. De veranderingen zullen van onderop aan de partijleiding moeten worden opgelegd. De evaluaties in de afdelingen en het aanstaande organisatorische congres, waar een nieuw partijbestuur wordt verkozen, zullen hiervoor aangegrepen moeten worden.


Het Communistisch Platform verschaft kameraden uit alle hoeken van de socialistische beweging de mogelijkheid van communisme.nu gebruik te maken om discussie te voeren. Tenzij anders vermeld zijn gepubliceerde artikelen en brieven daarom niet per se representatief voor de opvattingen van het Communistisch Platform.

  1. https://communisme.nu/artikelen/2021/03/18/het-einde-van-een-doodlopende-weg/
  2. https://nos.nl/op3/artikel/2373171-wat-als-alleen-jonge-mensen-hadden-gestemd.html
  3. https://nos.nl/collectie/13860/artikel/2373083-verkiezingen-in-cijfers-hoge-opkomst-onder-jongeren-en-zorg-belangrijkste-thema
  4. https://dnpp.nl/pp/sp/lt/perjaar
  5. https://www.sp.nl/nieuws/2010/09/verslag-partijraad-25-september-2010
  6. https://www.sp.nl/nieuws/2012/06/verslag-partijraad-23-juni-2012
  7. https://www.sp.nl/nieuws/2015/11/verslag-partijraad-zaterdag-21-november-2015
  8. https://www.sp.nl/nieuws/2016/06/verslag-partijraad-25-juni-2016
  9. https://nl.wikipedia.org/wiki/Keer_het_Tij
  10. Zie o.a. https://communisme.nu/artikelen/partij-en-programma/2019/05/22/de-strijd-om-de-partij-democratie/
  11. https://communisme.nu/brieven/2020/09/18/een-leefbaar-loon-voorbij-de-horizon/
  12. https://communisme.nu/artikelen/partij-en-programma/2019/08/13/het-socialistisch-credo/
  13. https://www.marxists.org/nederlands/kautsky/1909/macht/1.htm
  14. https://www.sp.nl/statuten