In dit ingezonden artikel recenseert Janne van den Bosch het boek Kom vrouwen, aangepakt! van Bart Lankester. Hierbij gaat ze vooral in op de politieke en historische context van het leven van Trien de Haan-Zwagerman en het belang dat boeken over personen als zij kunnen hebben voor de revolutionair-socialistische en emancipatoire beweging in Nederland. Ook bespreekt ze tekortkomingen van zowel de biografie als de revolutionair-socialistische beweging omtrent vrouwenemancipatie. 

Vrouwenemancipatie is onderdeel van het marxisme, dus onderdeel van de strijd voor een klasseloze samenleving. Helaas blijft dit onderwerp vaak onderbelicht, en zijn er relatief weinig vrouwen actief in de beweging. Dit zie je bijvoorbeeld terug bij de SP en de FNV, maar ook op de site van het Communistisch Platform. Om dit onderwerp wat meer onder de aandacht te brengen, zijn een aantal vrouwen, waaronder ik, een marxistisch-feministische leesgroep gestart. Het eerste boek dat we hebben gelezen is Kom vrouwen, aangepakt!.

Tijdens het lezen bespraken we de positie van de vrouw in de revolutionair-socialistische arbeidersbeweging, zowel toen als nu.

Het boek Kom vrouwen, aangepakt! met als ondertitel ‘de revolutie van socialiste Trien de Haan’, verscheen in 2017 1. Bart Lankester (1955) is historicus en raakte geïnteresseerd in het activistische en politieke leven van zijn (stief)oudtante, Trien de Haan-Zwagerman (1891-1986). Hij heeft zijn ervaring als historicus ingezet om aan de hand van allerhande bronnenmateriaal een profiel te schetsen van het leven van de revolutionair-socialiste. 

Het levenspad dat Trien bewandelde is interessant voor de lezer van nu, op zowel revolutionair-socialistisch vlak, als op het gebied van (vrouwen)emancipatie. Voor wie op een toegankelijk niveau meer te weten wil komen over de geschiedenis van de revolutionair-socialistische beweging, en andere vormen van politiek activisme uit die tijd, is dit boek een aanrader. Hetzelfde geldt voor vrouwen die betrokken zijn, of meer betrokken willen raken, bij de politieke strijd maar die zich op welke manier dan ook terughoudend voelen. 

Het boek is in de eerste plaats bedoeld als een biografie. In de eerste hoofdstukken bespreekt Lankester vooral de historische context van Trien haar leven, en vertelt hij het verhaal van haar jeugd. Hier komt natuurlijk ook het nodige psychologiseren bij kijken, wat een van de redenen was waarom ik het boek fijn en gemakkelijk weg vond lezen, alsof er een fictionele spanningsboog in zit. Tegelijk zorgt dit er wel voor dat het boek meerdere passages bevat die bijdragen aan een gefictionaliseerd of zelfs geïdealiseerd beeld van Trien. 

“vriendjes” politiek

Trien Zwagerman groeide op in West-Friesland, Noord-Holland. Ze werd volgens Lankester al op jonge leeftijd politiek bewust door haar armoedige omgeving, waardoor ze ook een sterk rechtvaardigheidsgevoel zou hebben ontwikkeld. Ook haar emancipatoire houding zou hieruit stammen. Triens redenen om politiek actief te worden, zet Lankester zo op een vrij psychologiserende manier neer, waarbij hij haar jeugd presenteert om haar latere politieke gedachtegoed te verklaren en verankeren. Maar hoewel Lankesters verhaal me niet verbaast, en de meeste punten me erg aannemelijk lijken, komen de eerste hoofdstukken iets te ‘verhalend’ op me over. Een biografie over het politieke leven van Trien de Haan-Zwagerman hoeft wat mij betreft niet te beginnen met een zielig oorsprongsverhaal, dit doet af aan de politieke inhoud die haar juist zo interessant maakt voor mij.

Na deze inleiding vertelt Lankester over het begin van Triens politieke leven. Het in armoede opgegroeide dorpsmeisje wordt verliefd op de politiek actieve Bart de Haan uit Friesland, een door Domela Nieuwenhuis en Pieter Jelles Troelstra geïnspireerde jongeman, die uit een politiek actief gezin van anarchisten en Stalinisten kwam. Trien Zwagerman en Bart de Haan trouwen, en zij wordt samen met Bart actief binnen de revolutionair-socialistische beweging. Deze bestond uit communistische dissidenten die uit de officieel communistische partijen waren gestapt, die niet noodzakelijk in Trotskistische bewegingen verder gingen en zo een eigen stroming ontwikkelden. Denk hierbij onder andere aan Henk Sneevliet, en de mede door hem opgerichte Revolutionair Socialistische Partij (RSP), de Revolutionair Socialistische Arbeiderspartij (RSAP), en het Marx-Lenin-Luxemburg-Front. Maar ook aan het Nationaal Arbeids Secretariaat (NAS) en de Revolutionair Socialistische Vrouwenbond en later de NAS Vrouwenbond. 2

Over Bart vertelt Lankester verder dat hij in 1905 actief werd binnen een linkervleugel van de SDAP. Lankester maakt helaas niet duidelijk welke linkervleugel hij bedoelt, want er zijn er meerdere, en de bronnen zijn er vaag over, zoals Ron Blom heeft uitgelegd in zijn boek over het communisme en radicaal socialisme in Friesland. 3 Barts politieke ontwikkeling, en de politieke kleur en ontwikkeling van zijn ouderlijk gezin komen uitgebreid aan bod, en deze informatie vormt een nuttige aanvulling op de eerdere hoofdstukken over Triens jeugd en politieke achtergrond, die beduidend minder politiek en meer persoonlijk van aard waren.

Lankester schrijft dat Trien sinds ze met Bart samen was graag meeging naar politieke bijeenkomsten, en dat ze via die weg ook zelf in de socialistische beweging actief werd. De terugkeer van Henk Sneevliet uit China in 1924 wordt door hem aangemerkt als belangrijke gebeurtenis. Trien, Bart en Henk waren destijds allen lid van de CPH, en de eersten kwamen vaak bij Henk en Henriëtte Roland-Holst over de vloer, waarbij die laatsten hun persoonlijke helden werden, en Sneevliets charisma en de welbespraaktheid een aanzienlijke rol zou hebben gespeeld in Triens politieke activiteit. 

Lankester geeft Trien hiermee een relatief kleine rol in haar eigen radicalisering. Want nagenoeg het enige dat het boek zegt over hoe en waarom Trien daadwerkelijk actief werd binnen de socialistische beweging is dus dat ze door haar jeugd een sterk emancipatoir en rechtvaardigheidsgevoel hebben gekregen, waarna ze een libertair socialist trouwde die actief werd voor de revolutionair-socialistische beweging, en ze beiden bevriend raakten met Sneevliet, die door zijn charisma en kennis een flinke indruk op haar achterliet. Kortom, alsof ze door de invloed van de mannen in haar omgeving, en niet het politieke gedachtegoed en haar omarming daarvan, actief is geworden in de beweging.

Toegegeven, dit past wel in de grote lijnen van het boek. Lankester schrijft veel over Trien als belangrijk vrouwelijk kopstuk, en haar strijd voor vrouwenemancipatie, ook binnen de socialistische beweging. Maar tegelijkertijd verklaart hij haar politieke vorming hoofdzakelijk door te wijzen naar de persoonlijke in plaats van de politieke relatie tussen haar en de mannen in haar omgeving.

Toen Sneevliet in 1924 voorzitter werd van het Nationaal Arbeids Secretariaat (NAS), raakten de banden tussen Sneevliet en de CPH meer gespannen. Dit omdat het NAS een ‘onafhankelijke bond’ was, die links zat van de Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) die aan de SDAP was gelieerd. De CPH vond dat het NAS in de NVV actief moest zijn, of dat de NAS-leden in de NVV zich in moesten zetten om deze sociaal-democratische bond te veranderen in een revolutionaire vakbond. Het NAS moest dan ook ontmanteld worden, aldus Moskou. Sneevliet weigerde dit, en om ontmanteling te voorkomen stapten Sneevliet en enkele andere NAS bestuurders in 1927 uit de CPH. Ook Trien verliet de CPH. En hoewel Bart nog sceptisch was ten aanzien van parlementaire politiek, steunde hij Sneevliet wel door actief te zijn als lid van de NAS.

De groep die met Sneevliet was afgesplitst noemde zichzelf revolutionair-socialistisch, en zij vond dat de communisten beter af waren buiten de Sovjet Unie dan daarbinnen. In 1929 richtte zij dan ook de Revolutionair-Socialistische Partij (RSP) op, een partij die zich kenmerkte door hun nauwe banden met het NAS, met een programma dat opriep tot het opheffen van de klassenmaatschappij, en tot het in gemeenschappelijke handen brengen van de productiemiddelen. Een ander typerend speerpunt van de RSP was de bevrijding van Nederlands-Indië. In dit kader steunden zij de muiterij op het schip “De Zeven Provinciën” in 1933, wat leidde tot het gevangenzetten van partijleider Sneevliet. Dit laatste werd overigens een belangrijk moment voor de RSP, want onder de leus “Uit de cel in de kamer!” behaalde Sneevliet namens de RSP in april 1933 een zetel in de Tweede Kamer, waarna hij in juli werd vrijgelaten om zitting te kunnen nemen in de Kamer.

Binnen de RSP hield Trien zich volgens Lankester vooral bezig met het betrekken van meer vrouwen bij de beweging. Lankester koppelt vrouwenemancipatie automatisch aan de arbeidersbeweging. Echter is wel van belang om te weten dat de vroege socialistische beweging nauwelijks aandacht besteedde aan vrouwenemancipatie, op basis van het argument dat zodra het proletariaat zou heersen, de ongelijkheid tussen man en vrouw zou verdwijnen. Dus als je je bezighield met vrouwenemancipatie, dan was dat zogenaamd burgerlijk en niet-socialistisch. Het zou lang duren voordat de socialistische beweging erkende dat vrouwenemancipatie ook binnen de beweging moest worden nagestreefd, maar in Triens tijd werden er meerdere vrouwenbonden opgericht. Vanuit de NAS, de CPH en andere organisaties gebeurde dit op revolutionair-socialistische basis, hoewel de eerste (1917-1921) en tweede (1927-ca 1935) al vrij snel instortten vanwege interne verdeeldheid. 

De eerste van deze organisaties, de (onafhankelijke) Revolutionair Socialistische Vrouwenbond of RSVB, werd tijdens de eerste wereldoorlog opgezet door Christina Koomans-Timmer, omdat die oorlog flinke schade aanrichtte. Er was veel armoede en de leefomstandigheden waren vaak schrijnend, wat zorgde voor revolutionair elan. Maar naarmate de economie aantrok, verdween veel van dit revolutionaire elan weer, en verzwakte de bond. Mede hierdoor bleef de RSV klein, rond de duizend leden, en viel ze in de jaren twintig uiteen in een communistische en een libertair-syndicalistische groep. Deze twee bonden vielen niet veel later ook geheel uit elkaar.

De Vrouwenkrant 

Christina en Henriëtte Roland Holst schreven voor het blad De voorbode, en stelden dat de opvoeding van groot belang was voor de ontwikkeling tot revolutionair socialist. Vrouwenemancipatie in de zin van gelijke burgerrechten en het kiesrecht kreeg in deze periode niet heel veel aandacht, en de nadruk leek te liggen op het ‘levensrecht’, dat wil zeggen het garanderen van een menswaardig bestaan, wat pas tot (volle) uiting zou kunnen komen onder het socialisme 4

Na deze eerste pogingen richtte de RSP in 1929 een ‘onafhankelijke’ vrouwenbond op, waar Trien een grote rol in zou spelen: de NAS Vrouwenbond. Het doel van deze ‘onafhankelijke’ vrouwenbond was ‘de ontwikkeling van de vrouw op grondslag van de RSP en NAS politiek’. De vrouwenbond wilde vrouwen betrekken door tijdens politieke scholingen te praten over actuele onderwerpen zoals armoede, werkloosheid, woekerhuren, fascisme en oorlog. Dit gebeurde onder andere in De Vrouwenkrant, die in 1932 werd opgericht.

Tegen fascisme en imperialisme

Ook was de bond actief binnen de antifascistische beweging. Zo sloot zij zich in 1932 aan bij het Landelijk Comité Anti-Fascisme (Anti-fo). Dit was een poging om links te verenigen in een eenheidsfront, waarbij deze organisatie werd gedomineerd door de revolutionair-socialisten van de NAS, de RSP en de Revolutionaire Jeugdbond. Anti-fo hanteerde overigens een zeer brede definitie van fascisme: de verwaarlozing door de regering van de werkende klasse was bijvoorbeeld ook fascisme. Door deze brede definitie te hanteren, probeerden zij de strijd tegen het fascisme te verbreden naar de strijd tegen het kapitalisme, om zo mensen die zich tegen fascisme verzetten te laten nadenken over het verband met de klassenstrijd. Zo stelde de NAS Vrouwenbond in reactie op nazi-propaganda die ging over hoe de vrouw achter het aanrecht thuishoorde, en hoe haar belangrijkste taak was om zonen te baren voor het vaderland, dat vrouwen hun zoons niet als kanonnenvoer moesten schenken aan de heersende klasse. Waarmee ook de link tussen pacifisme en de NAS Vrouwenbond en -beweging trouwens snel is gelegd.

Groei van de vrouwenbond

In steden met grote NAS afdelingen werd de vrouwenbond snel opgepikt, en ontstonden er lokale afdelingen. Maar ondanks dat er in de grote steden snel afdelingen uit de grond kwamen, bleven ze vrij klein, omdat vrouwen politiek minder actief waren, en minder vaak lid van een vakbond (ook omdat ze minder buitenshuis werkten). Trien probeerde in haar rol als landelijk bestuurslid, samen met de rest van de NAS vrouwenbond, vrouwen te organiseren om hen lid te krijgen van de bond. Helaas was zij slechts een van weinigen met een publieke, en politieke rol.

De vrouwenbond stak veel tijd in hun blad, De Vrouwenkrant. De nadruk van De Vrouwenkrant lag hierbij op het uitleggen hoe klassenstrijd en vrouwenemancipatie hand in hand gingen, en niet erbij of erna moest komen. De beste manier hiervoor zou volgens de bond zijn om als vrouw lid te worden van de revolutionair-socialistische beweging en je stem te laten horen.

Sneevliet en andere mannen uit de partijtop schreven ook regelmatig voor De Vrouwenkrant. Lankester stelt hierbij dat dit blijk gaf van dat de partijleiding de vrouwenorganisatie serieus nam en dat weinig vrouwen ervaring hadden met het schrijven van artikelen. Dit gedeelte van de biografie riep bij mij wel wat vragen op: Is het ‘vooruitstrevend’ dat de volledig mannelijke partijtop meeschreef in het vrouwenblad? Of is het feit dat er in deze tijd een serieus genomen vrouwenbond was op zichzelf al heel vooruitstrevend als stap voor het actief worden van vrouwen in de politieke beweging? Het is natuurlijk belangrijk zaken als deze in de bredere sociale context te bezien. Als een hedendaagse politieke organisatie een volledig mannelijk bestuur zou hebben dat af en toe zou schrijven voor de vrouwenkrant van de vrouwenorganisatie die binnen de politieke organisatie actief was om meer vrouwen te betrekken, zou ik dat zien als schrijnend en denigrerend; alsof vrouwen de facto minder geschoold of politiek actief zouden zijn, en blij zouden moeten zijn met de zogenaamd leerzame woorden neergepend door de hoge heren uit het bestuur. Maar het boek suggereert niet dat Trien en haar vrouwelijke kameraden dit aan het begin van de vorige eeuw zo ervoeren, en zelf lijkt het me sterk dat dit zo was. Desalniettemin was het voor de klasse een grote belemmering dat vrouwen uit het publieke leven werden weggehouden door hun status als aan de man ondergeschikte, en financieel van hen afhankelijke huismoeders. En dit droeg er sterk aan bij dat vrouwen maar zeer mondjesmaat politiek actief werden, waardoor er ook maar weinig vrouwen geschoold werden in de revolutionair-socialistische theorie.

De Vrouwenkrant riep haar lezers actief op om te vragen om uitleg wanneer ze iets niet begrepen, want alleen zo kon er geleerd worden. In de krant werd ‘economische rampspoed, en de daarbij horende werkloosheid, alcoholisme, woekerhuren en zelfmoord’, gekoppeld aan een analyse over waarom het kapitalisme dit voortbracht. En zoals gezegd werden ook oorlog en fascisme besproken, met als insteek dat je zonen konden worden weggeroepen om te dienen in het leger. De actualiteit werd dus vanuit revolutionair-socialistisch perspectief geanalyseerd, en beschreven op een manier die aansloot op de belevingswereld van de vrouw ‘van toen’, met als doel vrouwen actiever te krijgen binnen de klassenstrijd. 

Dit probleem is overigens ook vandaag nog actueel, zij het op een iets andere manier. Want hoewel vrouwen nu gelukkig een veel publieker leven leiden, en meer politiek geïnformeerd en geschoold zijn dan de gemiddelde vrouw van toen, zijn ze nog steeds vaak ondervertegenwoordigd in politieke organisaties, en is het nog steeds relatief lastig om vrouwen bij politiek te betrekken. Tegelijk is het ook binnen hedendaagse revolutionair linkse bewegingen helaas een gebruikelijk idee dat mensen die bezig zijn met vrouwenemancipatie, dit doen vanuit een burgerlijk kader door puur te strijden voor liberaal individualistische rechten en verworvenheden, wat helaas vaak ook het geval is. 

De uitdaging van onze tijd ligt er dan ook in om hier de oorzaken van te achterhalen, zodat vrouwen zich in staat en gemotiveerd voelen om onderdeel uit te maken van een revolutionaire arbeidersbeweging, en zich durven inzetten voor vrouwenemancipatie hierbinnen. Dit betekent dat we moeten kijken naar de gebrekkige organisatiegraad van vakbonden in het algemeen, maar ook naar zaken die nog steeds specifiek op vrouwen betrokken zijn zoals de taakverdeling rondom het huishouden of de opvoeding en kinderopvang. Want hoewel er veel is verbeterd voor vrouwen ten opzichte van mannen, is er nog steeds sprake van een kloof tussen het loon van vrouwen en mannen, en wordt het huishouden, het onderhouden van contact met familie, en de zorg voor de kinderen nog steeds voornamelijk gezien als vrouwenwerk. 

Burgerlijke (vrouwen)emancipatie?

Naast haar werk in politieke organisaties in de arbeidersbeweging heeft Trien ook een grote rol gehad binnen de Nieuw Malthusiaanse Bond (NMB), een organisatie die uit angst voor overbevolking streed voor geboortebeperking door middel van voorlichting en het uitdelen van anticonceptie. Deze organisatie is tijdens de tweede wereldoorlog overigens opgeheven, om daarna een doorstart te maken als de Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming (NVSH). Trien is een groot deel van haar leven betrokken geweest bij de NMB, vanaf ongeveer 1924, toen ze naar haar geboorteplaats terugverhuisde, tot ze in de jaren ‘60 door de ziekte van Bart niet langer actief kon zijn. Haar activisme binnen de NMB liep dus gelijk met haar verdere politieke activiteiten.

Haar activiteit binnen de NMB is noemenswaardig omdat de bond namelijk vanuit radicaal linkse kringen werd gezien als een kleinburgerlijke, liberale beweging, die anti-arbeider was. De bond richtte zich vooral op het terugdringen van de gezinsgrootte van arme gezinnen, om overbevolking, maar vooral ook verpaupering van de maatschappij te voorkomen.

Onder andere Lenin bekritiseerde het kleinburgerlijke karakter van de organisatie, die volgens hem alleen geschikt was voor individualistische liberale politiek. 5.

Trien zelf zag dit echter niet zo. Volgens Lankester kwam Triens interesse in de NMB voort uit haar geloof in het idee van vrouwenemancipatie door middel van toegang tot anticonceptie, zeker gezien haar socialistische gedachtengoed. Ze leek dit werk belangrijk te vinden niet omdat ze uit was op geboortebeperking, maar omdat ze de seksuele moraal wilde veranderen die mannen veel vrijer liet dan vrouwen, en omdat ze de emancipatoire waarde zag van zwangerschapsregeling. Dus niet de verpaupering van de samenleving door veel arme kinderen, maar de emancipatie van de vrouw door zeggenschap over het eigen lichaam. 

Helaas vertelt Lankester weinig over Triens houding ten aanzien van de NMB als geheel: of zij bijvoorbeeld net als Lenin vond dat de focus van de bond op uitsluitend deze deelproblemen of symptomen de strijd voor de politieke en economische emancipatie van vrouwen in de weg zat; en of ze heeft geprobeerd om de NMB om te vormen in een revolutionair-socialistische beweging. In haar werk voor de NAS vrouwenbond koppelde Trien haar socialistische gedachtengoed expliciet aan de emancipatie van de vrouw, wat voor haar samenhing met haar activiteit binnen de NBM. In De Vrouwenkrant werd gesproken over het belang van geboortebeperking en voorbehoedsmiddelen in het kader van de noodzaak tot bredere emancipatie van de vrouw, dus niet vanuit het kleinburgerlijke malthusiaanse idee dat de samenleving moet worden hervormd door arme ouders te stimuleren om minder kinderen te krijgen in een kapitalistische maatschappij.

Triens keuze om actief te zijn voor de NMB en revolutionair-socialisme is daarom interessant. 

Uit hoe Lankester Triens werkzaamheden binnen de NMB beschrijft lijkt het alsof er totaal geen frictie is tussen dit werk en haar revolutionair-socialistisch gedachtegoed, wat bijdraagt aan mijn indruk dat de hoofdpersoon wordt geïdealiseerd. Zelf denk ik dat het waardevol was geweest als Lankester meer aandacht had besteed aan de problematische verhoudingen tussen het burgerlijke karakter van de NMB en Triens revolutionair-socialistische overtuigingen. Het zou op z’n minst vreemd, maar ook interessant zijn als Trien kritiekloos actief was binnen de NMB, terwijl ze tegelijk – in de RSP/RSAP – strijdt voor de revolutie, en organisaties zoals de NMB verguist als kleinburgerlijk hobbyisme. 

Maar het is ook goed mogelijk dat Triens activiteit bij de NMB juist benadrukt wat ik in dit stuk al een aantal keer heb gezegd; dat vrouwenemancipatie binnen de revolutionair-socialistische beweging nog niet zo vanzelfsprekend was (of is). De biografie maakt goed duidelijk dat het moeilijk was om vrouwen te betrekken bij de verschillende revolutionaire (vrouwen)organisaties, en dat veel feministische initiatieven door de leiders van de arbeidersbeweging werden afgeschreven als kleinburgerlijk hobbyisme. Dat Trien naast haar werk in politieke organisaties misschien nog een aanvullende manier zocht om haar emancipatoire ideeën ten uitvoer te brengen, en dan uitkwam bij meer burgerlijke organisaties, pleit enerzijds voor de juistheid van het frame van ‘burgerlijk feminisme’, maar anderzijds legt het ook de problematische houding ten opzichte van vrouwenemancipatie in de revolutionair-socialistische beweging bloot. Des te meer reden om revolutionaire vrouwenemancipatie vandaag de dag scherper op de agenda te zetten, en in het verleden gemaakte fouten niet te herhalen.

Van RSP en vrouwenbond naar RSAP en MLL-Front 

Vroeg in 1935 fuseerden de RSP (1000 leden) en de Onafhankelijke Socialistische Partij, OSP (300 leden), tot de Revolutionair-Socialistische Arbeiderspartij (RSAP). De OSP was de in 1932 afgesplitste linkerflank van de SDAP. Het nieuwe bestuur bevatte slechts één vrouw, en wel Christina de Zeeuw, en niet Trien.

Christina was een bekend juriste in linkse kringen, en was de dochter van een Rotterdamse SDAP-wethouder. In het begin van haar politieke carrière was ze actief voor de SDAP, en later ging ze verder in de OSP, waardoor ze bij de RSAP terecht kwam. 

Lankester heeft deze bestuursverkiezing zo neergepend alsof Trien überhaupt de enige vrouw was in de organisaties die op zo’n positie terecht zou kunnen komen. Maar hoewel het vreemd is dat zij als rechterhand van Sneevliet niet in het bestuur van de RSAP kwam, kwam dat niet door haar geslacht als zodanig. Lankester suggereert namelijk dat er sprake was van een soort ‘onderlinge rivaliteit’ tussen de vrouwen, en dat Christina de Zeeuw in het partijbestuur zitting zou hebben omdat ze ‘innig contact’ had met de voorzitter van de OSP. Deze focus is enigszins typerend voor de biografie; enerzijds wordt scherp aangetoond hoe emancipatie binnen de beweging nodig was, anderzijds toont het ook aan dat het blijkbaar nog steeds erg nodig is, omdat vrouwen op bestuursposities blijkbaar interessanter zijn als er intrige en seks bij komt kijken.

Ook toen de RSAP tijdens de tweede wereldoorlog ondergronds ging, was vrouwelijk leiderschap nog de uitzondering op de regel. De ondergrondse RSAP gaat verder onder de naam het ‘MLL-front’, het Marx-Lenin-Luxemburg-front, waarbij het verhaal gaat dat door Triens toedoen Luxemburg uiteindelijk in de naam verscheen, om zo ook een vrouwelijke revolutionair te benoemen. Ze was de enige vrouw in het landelijke leiderschap, en was verantwoordelijk voor de organisatie in de noordelijke delen van Nederland, een taak waar ze al haar tijd in stak.

Begin 1942 werd de hele centrale leiding van het front gearresteerd, plus drie andere vrouwen die aan hen werden gekoppeld: Mien Sneevliet, de vrouw van Henk Sneevliet, Jannie Schriefer, de vrouw van Jan Schriefer (centrale leiding MLL-front) en Jeltje Witteveen, de dochter van Rein Witteveen (drukker van het MLL-front). In april werd de gehele mannelijke centrale leiding van het front schuldig bevonden aan het oprichten van een verboden partij en het verspreiden van anti-duits drukwerk. Zij werden op 9 april 1942 geëxecuteerd, hoewel een van hen dit niet afwachtte, en in zijn cel zelfmoord pleegde. 

Trien is aan de doodstraf ontkomen omdat, zoals het verhaal gaat, de mannen van de centrale leiding ingespeeld hadden op het seksisme van de bezetters, door te benadrukken dat Trien een vrouw was. Met succes, want de Duitsers besloten dat Trien niets met de centrale leiding te maken had, en zetten haar slechts met de andere vrouwen gevangen. 

Trien en de andere vrouwen werden naar kamp Ravensbrück gestuurd, een kamp bestemd voor grote groepen vrouwelijke gevangenen. Hier zaten onder andere veel Nederlandse politieke gevangenen die betrokken waren geweest bij de Februaristaking. Overigens bleven de politieke meningsverschillen tussen de Rusland gezinde CPN’ers en de MLL-front leden ook het kamp leven, wat tot uiting kwam in de discussies die in het kamp werden gevoerd door de politiek actieve vrouwen. De CPN’ers, die de politieke lijn vanuit Moskou volgden, verguisden de MLL-front leden, die een soort ‘tweefrontenoorlog’ voerden, omdat zij zich keerden tegen zowel het nazisme als het stalinisme — of een driefrontenoorlog als je het kapitalisme meerekent. Trien trok in tijdens haar gevangenschap veel op met Mien Sneevliet, tot ze in 1945 werden bevrijd.

Uit de oorlog, uit het hart?

Volgens Lankester heeft Trien zich na de oorlog redelijk afzijdig gehouden van partijpolitiek, hoewel ze op latere leeftijd nog wel lid werd van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP), en ze nauw betrokken was bij de anti-militaristische beweging van de gebroken geweertjes. 

Lankester beschrijft het leven van Trien na de oorlog vooral in de context van het anti-communistische beleid dat onder andere in Nederland werd gevoerd. Politiek gemotiveerde uitsluiting en achterstelling van mensen met communistische politiek was een veelvoorkomend probleem. Op die manier is een grote groep revolutionairen die tijdens de oorlog veel goeds hebben gedaan, na de oorlog medische en andere hulp geweigerd.

Trien kon bijvoorbeeld geen aanspraak maken op een potje voor verzetshelden, dat onder andere bedoeld was om zorg omtrent PTSS te betalen. Ze was volgens comité al vroeg in de oorlog gearresteerd, en zou te weinig hebben gedaan om hiervoor in aanmerking te komen. Deze argumentatie is ongeloofwaardig omdat de Buitengewone Pensioenraad, die hierover ging, werd voorgezeten door de antirevolutionair Jan Smallenbroek, terwijl de stichting in de jaren 1940-1945 veel contact had met de binnenlandse veiligheidsdienst (BVD), en ze dus prima wisten hoe ze had bijgedragen aan de verzetsbeweging.

Om dezelfde reden kon Trien niet bij haar geëmigreerde dochter in Australië op bezoek, of daarheen emigreren, want zij en Bart konden door de uitspraken van de BVD en later AIVD geen visa krijgen.

(Vrouwen)emancipatie en het socialisme hand in hand

Wat Lankester met het boek bovenal duidelijk maakt, is dat voor Trien de emancipatie van de vrouw en het socialisme hand in hand gingen, en dat ze er sterk van overtuigd was dat vrouwen altijd bezig moeten zijn met het betrekken van andere vrouwen in de beweging. Dit omdat het uiteindelijk gaat om de emancipatie van de hele klasse inclusief de vrouwen, en om de toekomst van ieders kinderen. De biografie laat daarmee een interessante combinatie van politieke activiteit zien, uit een tijd waarin politiek activisme door vrouwen totaal onvanzelfsprekend was. Daarmee presenteert hij een intrigerend en inspirerend persoon, zij het met soms wel erg veel nadruk op haar uitzonderingspositie. Daarnaast biedt de biografie een toegankelijk overzicht van een redelijk onderbelicht deel van de Nederlandse arbeidersbeweging: het revolutionair-socialisme, een interessante politieke stroming waarvan veel ideeën ook nu nog leven. De rol die Trien de Haan-Zwagerman speelde als prominent binnen verschillende organisaties is op zowel politiek als emancipatoir vlak interessant, want ze heeft zonder meer haar stempel gedrukt op beide aspecten van de revolutionair-socialistische en de emancipatiebeweging.

Het boek blijft echter wel een biografie en geen politiek/theoretisch/historisch naslagwerk, dus hoewel de historicus Lankester veel informatie uit primaire bronnen in het boek heeft verwerkt, is het vrij psychologiserend, en is het verhaal van Triens leven leidend. Hierdoor lijkt het dat vooral haar ‘vrouwelijkheid’ soms ingevuld wordt op een manier die niet te bewijzen valt, en die juist in lijkt te gaan tegen de manier waarop volgens Triens politieke werk naar vrouwen zou moeten worden gekeken. Desalniettemin zou ik het boek zeker aanraden, want het vormt een toegankelijk overzicht van ontwikkeling van revolutionair-socialistische stroming in Nederland in begin 20e eeuw in Nederland vanuit het leven van een interessant kopstuk. 

Van toen naar nu

Tijdens het bespreken van het boek met onze leesgroep hadden we het veel over hoe de socialistische beweging er nu uit ziet. Hoewel we een stuk verder zijn op het gebied van vrouwenemancipatie, waren er toch verscheidene herkenningspunten voor ons te zien in de biografie. 

Er zijn nog steeds relatief weinig vrouwen actief en de vrouwen die actief zijn lijken vaker stiller of verlegener dan onze mannelijke kameraden. Dit zie je bijvoorbeeld ook terug in hoe weinig artikelen op deze site geschreven zijn door een vrouw. Als leesgroep hebben we besloten om allereerst op onszelf te focussen, en te bekijken wat wij nodig achten om meer (vrouwen)emancipatie in de revolutionair-socialistische beweging te krijgen. 

We roepen alle vrouwen die (meer) betrokken willen zijn bij de politieke strijd dan ook op om zich aan te sluiten en van zich te laten horen. We denken als vrouwen onterecht nog te vaak dat anderen beter kunnen verwoorden wat wij willen zeggen.

Dat is helemaal niet het geval, wij zijn min of meer de helft van onze klasse en wij hebben evenveel zinnigs bij te dragen. 

Kom vrouwen, aangepakt!


Het Communistisch Platform verschaft kameraden uit alle hoeken van de socialistische beweging de mogelijkheid van communisme.nu gebruik te maken om discussie te voeren. Tenzij anders vermeld zijn gepubliceerde artikelen en brieven daarom niet per se representatief voor de opvattingen van het Communistisch Platform.

  1. Bart Lankester, Kom vrouwen, aangepakt, Amsterdam: Prometheus, 2017
  2. Omdat dit artikel gaat over een biografie van een vrouw wiens politieke activiteit voornamelijk plaatsvond tot iets na de tweede wereldoorlog, zullen organisaties die tot de revolutionair-socialistische stroming geschaard kunnen worden na deze tijd niet aan bod komen. Om toch een korte duiding te kunnen geven en de traditie in de huidige tijd te kunnen plaatsen zijn enkele ‘modernere’ organisaties in deze traditie Proletaries Links (PL)- binnen de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP), en de Socialistiese Arbeiderspartij (SAP).
  3. Een deel van de linkerzijde is relatief vroeg uit de SDAP gepest, ze zijn gesplitst en hebben de Sociaal Democratische Partij, SDP (voorlopers van de in 1917/1918 opgerichte Communistische Partij Holland, CPH) opgericht, een ander deel van de linkerzijde bestond uit het Revolutionair Socialistisch Verbond/de Revolutionair Socialistische Vereniging (RSV). De RSV zou het meest logisch zijn omdat De Haan iets later weg gaat uit de SDAP en sluit zich aan bij de libertair socialisten in de Vrije Beweging, die vooral buitenparlementaire politiek beoefenen. Ron Blom, In het spoor van Domela Nieuwenhuis, vroeg communisme en radicaal socialisme in Friesland 1907-1935, Noordboek, 2019
  4. https://socialhistory.org/bwsa/biografie/timmer
  5. Hij noemt de werkende klasse de vijand van het neomalthusianisme, niet omdat hij het niet eens is met eisen omtrent het recht op abortus en anticonceptie, maar omdat de eisen van de neomalthusianen enkel zouden leiden tot hypocriete wetten ingesteld door de heersende klasse, en niet tot (lichamelijke en medicinale) autonomie voor de werkende klasse. Sterker nog, het zou de heersende klasse meer macht geven over de individuele leden van de bevolking, en daarmee juist de emancipatie van de werkende klasse tegengaan. https://www.marxists.org/archive/lenin/works/1913/jun/29.htm