Gedrag, grappen, grenzen
Gedrag, grappen, grenzen

Gedrag, grappen, grenzen

De aanleiding van dit stuk is een discussie die in de RSP is ontstaan over Moedig voorwaarts, een blog (op het moment van schrijven zijn papieren publicatieplannen slechts nog dat) met satire vanuit een socialistische hoek dat door twee kameraden en mijzelf is opgezet. De schrijfsels op onze website leidden tot ‘officiële’ waarschuwingen vanuit het toenmalige RSP-bestuur aan mijn mederedacteurs, waarop een hectisch congres volgde. Nadat het jaarverslag van dat bestuur werd weggestemd, onder meer vanwege een gebrek aan reflectie op de handelswijze rond die waarschuwingen, en Moedig voorwaarts-redacteur JM ook werd verkozen in de hoofdredactie van partijblad Paraat, volgde een open brief aan ons adres. Vijfenzeventig RSP-leden (‘bijna honderd’, in de woorden van de initiatiefnemer, ‘ruim vijftig’ in de mijne) meenden dat JM en ik ons seksistisch hadden uitgelaten in ons schrijven voor Moedig voorwaarts (in grappen overigens, maar daarover later meer), en riepen het bestuur op tot ongedefinieerde doch ‘gepaste actie’.

Sindsdien zijn de woorden ‘Moedig voorwaarts’ (of afgekort ‘MV’) al zevenenzestig (jawel) keer gebezigd in de interne bulletins van de RSP en ROOD, terwijl de redactie zich zelf grotendeels afzijdig heeft gehouden. De discussie gaat onder meer over waar de grenzen liggen van uitingen door RSP-leden en of dat contextafhankelijk is, over de manier van discussie voeren en de inzet van ‘officiële’ waarschuwingen en open brieven als middel, en over de gedragscode van de RSP en de verhouding van bestuur en leden daartoe. Wat mij betreft zijn dit nuttige discussies om te voeren, zeker vanwege de krampachtige houding van veel leden hierin.

In deze discussie mis ik enige reflectie over wat die grenzen die overschreden worden precies zijn, waar ze vandaan komen, en wie ze bepaalt. Mijn doel in dit stuk is om kritisch te kijken naar hoe we ons tot deze grenzen moeten verhouden. Dit zijn vraagstukken die al opkomen in het huidige stadium van de RSP, een jonge politieke organisatie met beperkte maatschappelijke werking, maar waarop een gedegen antwoord bittere noodzaak is om tot een communistische massapartij te kunnen komen. Als illustratief voorbeeld wil ik de grap die ik zelf plaatste bespreken die een van de twee aanleidingen voor de open brief was en hoe deze grap zich verhoudt tot het bestaan van verschillende grenzen. Het elementaire punt hier is dat een grap meer is dan de letterlijke woorden, en dat een deel van de intrige van satire als kunstvorm erin zit met dit idee te spelen.

Reflectie

Ten eerste lijkt het me belangrijk te erkennen, zoals de gedragscode van de RSP1 ook doet, dat (persoonlijke) grenzen geen absoluut fenomeen zijn, maar afhankelijk van sociale, culturele of individuele context. Als ik koppijn krijg van urenlang verhitte discussies aanhoren in een volgepropte en te warme zaal met onvoldoende zuurstoftoevoer, is dat een individuele grens; die deel ik waarschijnlijk met anderen, maar ook, zo maak ik op uit het aantal keren dat ik al een in een dergelijke situatie heb verkeerd, met een hoop mensen niet.

Een sociaal en cultureel bepaalde grens is bijvoorbeeld het gebruik van het ‘n-woord’. Waar het voor het Engelse equivalent in angelsaksische context toch erg duidelijk is dat van je verwacht wordt dat je het niet gebruikt tenzij je zelf een zwarte huidskleur hebt, is dat in Nederland denk ik nog steeds ietsje anders. Bij een jonge randstedeling zal datzelfde besef aanwezig zijn, terwijl er in Nederland ook groepen (oudere) mensen zijn die zijn opgegroeid met dat woord als enige en dus min of meer neutrale term voor zwarte mensen2 en die de term tegenwoordig ook nog gebruiken zonder achterliggend racistisch motief.

Nog een heel ander voorbeeld, iets meer in de sferen van de onderhavige discussie: ik heb laatst, niet geheel uit eigen beweging, voor het eerst een aantal afleveringen gezien van tv-programma ‘Ex on the Beach’. De precieze opzet doet er, voor de oningewijde, niet echt toe, maar het gaat over acht singles die bij elkaar gezet worden in een strandvilla, hun exen komen op een keer ook, en er komt veel seks bij kijken. Bij de eerste aflevering die ik zag stond ik enigszins versteld van hoe de deelnemers elkaar, bij de eerste ontmoeting al, bejegenen: meteen expliciet en uitgesproken als lustobject. Waar zulk gedrag in de meeste gevallen als grensoverschrijdend zou worden ervaren, liggen de grenzen in deze sociale groep en in de context van dit programmaformat heel anders.

Grenzen zijn dus niet absoluut maar contextafhankelijk en hetzelfde geldt (daarom) voor grensoverschrijdend gedrag. Anders dan met opzet gaan mensen ook continu de grenzen van anderen over omdat zij niet volledig bewust zijn van die grenzen; dat kan een bron van conflict zijn. Voor het gemak richt ik me in dit stuk verder met name op grenzen en grensoverschrijdend gedrag in de context van taal, zoals beledigingen of anderszins aanstootgevende woorden.

In een (project voor een) communistische massapartij worden zulke maatschappelijke tendensen van verschillende grenzen en grensoverschrijdend gedrag noodzakelijk gereflecteerd. Willen wij een organisatie bouwen waarin de arbeidersklasse zich politiek kan organiseren, dan moeten we beseffen dat er verschillen tussen leden zullen zijn die tot conflict kunnen leiden. Hetzelfde feit is een van de redenen waarom factierecht zo essentieel is: om de arbeidersklasse als klasse te organiseren, moeten onvermijdelijke meningsverschillen kunnen bestaan; ze kunnen niet eenvoudigweg onderdrukt worden. Net zo is het noodzakelijk om (politieke) discussies aan te kunnen gaan over grenzen. In primitieve klasseloze samenlevingen was er sprake van onenigheid, ruzie, boosheid en grensoverschrijdende woorden – net zo zal daar in de toekomstige klasseloze samenleving sprake van zijn.

Natuurlijk is dit alles geen vrijbrief voor grensoverschrijdend of sociaal ongewenst gedrag; het betekent alleen dat de organisatie, en later de communistische maatschappij, moet leren hoe daarmee om te gaan. Je kunt het niet simpelweg verbannen, zoals stalinistische en trotskistische sektes proberen om afwijkingen van de lijn (en daarom facties) uit te bannen; het beoogde massakarakter van de communistische partij en het verbieden van meningsverschillen c.q. conflict zijn onverenigbaar.

Een stootje

Als organisatie moeten we dus kunnen omgaan met grenzen en gedrag dat ze overschrijdt. In het bijzonder geldt voor leiders en mensen in machtsposities dat ze tegen een stootje moeten kunnen. Leiders van de arbeidersklasse hebben vanwege hun speciale positie meer mogelijkheden voor, en dus meer risico’s op opportunisme, bijvoorbeeld omdat ze het mikpunt zijn van kritiek vanuit politieke tegenstanders, of omdat de partijen waarmee ze onderhandelen hen proberen om te kopen. Dit is geen persoonlijk defect, maar een structureel effect dat bij bepaalde posities komt kijken. Het is daarom van belang dat de organisatie kritiek kan uitoefenen op haar eigen leiders, om ze te houden aan de afspraken van het collectief dat zij dienen te vertegenwoordigen.

Satire is bij uitstek een middel om de macht uit te dagen en machtsmisbruik aan te kaarten. Dat was voor ons een van de redenen om met Moedig voorwaarts te beginnen: het toenmalige bestuur had een satirisch stuk van JM dat op de website van Paraat was gepubliceerd offline gehaald 3 en ging daarbij niet op serieuze wijze de discussie aan met de redactie van Paraat, die indertijd formeel machteloos was, maar toch de drijvende kracht achter het tijdschrift en dus een groep om enigszins serieus te nemen. Dit geval past in een breder patroon van verwijzen naar bureaucratische procedures in plaats van de redactie als gelijke te zien, de bestuurspositie uit te leggen en de discussie aan te gaan, ervoor openstaand om overtuigd te worden. Juist een bestuur zou terughoudend moeten zijn met het inzetten van dergelijke instrumenten. 

Op Moedig voorwaarts kon het artikel wel terecht, en was er plek om de spot te drijven met wat wij zagen als machtsmisbruik. Het is daarbij interessant om op te merken dat het zittende RSP-bestuur ook het woord ‘machtsmisbruik’ in de mond heeft genomen om de werkwijze van het voorgaande bestuur te karakteriseren4, in dat geval vanwege de ‘officiële’ waarschuwingen aan het adres van mijn mederedacteurs die eerst niet, later gering toegelicht werden. Desgevraagd werd toegezegd dat ze dat woord ook publiekelijk wilden verdedigen. Het stuk dat enige tijd later het bestuursstandpunt over de ‘affaire-MV’ uiteenzette sloeg echter een heel andere toon aan.5

Die karakterisering was desondanks juist. In plaats van eerst het gesprek aan te gaan om te kennen te geven dat het bestuur van mening was dat er grenzen waren overschreden, koos het voor escalatie waarbij het de bestuurlijke macht gebruikte (misbruikte) om ononderbouwde sancties uit te delen. Ook de open brief is een voorbeeld van een volledige escalatie als eerste stap om een conflict op te lossen (als dat het doel was): niet iemand persoonlijk, of via een bemiddelende partij als het bestuur indien nodig, op ongewenst gedrag aanspreken, maar een petitie de organisatie rond te laten gaan om de redacteurs aan de schandpaal te nagelen en het bestuur meteen onder druk te zetten.

Niet alleen is volledige escalatie geen serieuze manier om te beginnen met het oplossen van een conflict, het werkt vaak ook nog eens averechts. Tenzij de wederpartij zich laat afschrikken door ‘bijna honderd’ namen onder een open brief, ligt het voor de hand dat zij het niet snel zullen interpreteren als een constructieve poging om er gezamenlijk uit te komen.

Initiatiefnemer RH van de open brief schrijft in een latere toelichting6 dat de redacteurs van Moedig voorwaarts de ‘gevoelde problematiek’ ook ‘serieus’ konden aankaarten. Wie de notulen van de Paraat-redactie7 leest, moet toch concluderen dat verschillende incidenten die onderdeel zijn van deze ‘gevoelde problematiek’ aardig ‘serieus’ zijn aangekaart. (Omdat de toelichting van RH aanvangt met een contextschets die pas begint met het artikel van JM, vermoed ik dat zij die notulen niet heeft gelezen of de eerdere incidenten niet plaatst in hetzelfde patroon.) De reacties van het bestuur op de Paraat-redactie zijn echter minder ‘serieus’ te noemen en (mijns inziens) zelfs belachelijk – decreten over pietluttige zaken zoals of het omslag van Paraat een foto of een illustratie moet zijn. Satire is een manier om het belachelijke belachelijk te maken; en bij de keus voor deze stijlvorm speelt ongetwijfeld mee dat de redacteurs van Moedig voorwaarts er lol uit halen om satirisch te schrijven.

Niet alleen mensen in machtsposities moeten tegen een stootje kunnen, ook georganiseerde facties als Communistisch Platform of provocerende satirici moeten dat kunnen. Het RSP-bestuur lijkt zich daarvan enigszins bewust in het stuk over de zaak-MV; ze schrijven:

‘[Er was discussie] over de manier waarop de organisatie moet omgaan met conflicten waarin grenzen en de gedragscode worden overschreden. Moet de gedragscode zo zuiver mogelijk worden gehandhaafd, als een soort partijwetboek waar het bestuur rechtspraak over moet doen, of kunnen deze grenzen in een politiek conflict worden opgezocht door satirische kritiek op de macht? De MV leden (sic) zitten duidelijk in dat laatste kamp. De houding van de oprichters van MV is in deze discussie door en door individualistisch en kleinburgerlijk geweest.’

Deze laatste woorden zoeken zelf (al dan niet bewust) de grens op: in socialistische kringen is duidelijk dat ‘individualistisch’ en ‘kleinburgerlijk’ slecht zijn; hier wordt niet eens toegelicht waarom die woorden op hun plek zouden zijn, zodat dit niets meer is dan een marxistisch klinkende scheldpartij – het opzoeken van de grenzen in een politiek conflict dus. Desondanks wordt duidelijk, door ons in ‘dat laatste kamp’ te plaatsen en dat vervolgens ‘door en door individualistisch en kleinburgerlijk’ te noemen, dat het bestuur meer neigt naar het handhaven van de gedragscode als partijwetboek (ook getuigen de waarschuwingen die mijn mederedacteurs van het nieuwe bestuur hebben mogen ontvangen), en spreekt het bestuur zich eerder uit tegen het opzoeken van grenzen.

Seksistische grappen

Bron: It’s Always Sunny in Philadelphia, seizoen 12, aflevering 7: ‘PTSDee’.

Het is, ondanks mijn bovenstaande kritiek op de vorm, niet heel gek om (seksistische) grappen te bevragen, en het is niet meer dan logisch dat een discussie over grenzen volgt. Satire is vaak op een bepaalde manier grensoverschrijdend, de provocatie is een middel om een kritiek te uiten. De satiricus speelt er daarbij graag nog mee in hoeverre de of het geprovoceerde overeenkomt met de resp. het bekritiseerde.

In mijn geval werd de volgende passage betwist, in de open brief gereduceerd tot de laatste twee zinnen, in de latere toelichting van RH tot ‘8 maart is een geile dag’:

‘Later die dag [1 mei 2024] trad [de band die onderwerp is van het stuk] ook op bij een evenement onder de noemer ‘1 mei weer geil’ (je raadt het al: in Paradiso). Dat is sowieso foute boel natuurlijk, niet zozeer de geiligheid, maar dat het in iemands domme kop is opgekomen om dat te verbinden met 1 mei. Niets is minder geil dan de Dag van de Arbeid, en dat is prima. Geil zijn doe je maar op dagen die daarvoor bestemd zijn, zoals 8 maart.’

Oppervlakkig en letterlijk gelezen staat hier inderdaad iets dat je seksistisch kunt noemen. De vermeldingen van het feit dat de stukken op de site waarop deze woorden staan satire zijn, moet de cultureel geïnteresseerde en nadenkende lezer toch doen vermoeden dat er meer in de zinnen zit dan wat een oppervlakkige lezing verraadt. Sterker nog, dit punt wordt later in het stuk expliciet aangehaald: ‘Of de lezer begrijpt niet [dat de schrijver ‘ook gewoon deugt’, en dus niet schrijft wat hij bedoelt] (gaat u dat bij zichzelf te rade), en dat brengt de auteur in een nog plezieriger verheven positie.’ Waarvoor dank.

Aan de basis van veel grappen ligt dat er iets anders wordt gezegd dan er wordt bedoeld, en dat daarbij het bedoelde volledig weggelaten wordt, zodat het wat intellectueel werk van de lezer vergt om de grap te begrijpen. Niet iedereen is daar natuurlijk voor weggelegd, en juist omdat de eigenlijke betekenis niet expliciet wordt vermeld, is er enige kennis van de context nodig. Daarnaast hoeft niet iedereen hetzelfde grappig te vinden, maar dat doet hier niet ter zake: het verwijt is niet dat de woorden niet grappig zijn, maar dat ze seksistisch zijn.

De bovenste laag van deze grap is dat er iets gezegd wordt dat, in ieder geval in de kringen waarin de auteur en het lezerspubliek zich begeven, shockerend, grensoverschrijdend is. De letterlijke tekst stelt dat 8 maart, hier verwijzend naar Internationale Vrouwendag (dat kreeg men in de RSP wel mee, terwijl de redacteurs van Propria Cures vroegen of dat misschien dierendag was toen Moedig voorwaarts een keer bij hen langskwam), bedoeld is voor mensen om seksueel opgewonden (geil) te zijn, naar alle waarschijnlijkheid met vrouwen als lijdend voorwerp; daarmee kun je de tekst interpreteren als het reduceren van vrouwen tot lustobject, in die zin objectiverend.

Waar de openbriefondertekenaars misschien gelijk in hebben, is dat die lezing inderdaad een bedoelde interpretatie is! De grap zou niet werken (we komen zo op welke werking de grap heeft) als deze lezing niet mogelijk was. Als we ‘8 maart’ zouden vervangen door ‘3 juli’, dan zou het shockerende element verdwijnen. Niemand heeft immers een associatie bij 3 juli: weinigen weten dat dat de verjaardag is van mederedacteur FB, en er is nog geen significante stroming in de maatschappij die FB slechts als lustobject ziet (de inspanningen van ondergetekende ten spijt), en dus geen besef binnen linkse groepen dat het fout is om FB te objectiveren. De shockerende werking van de tekst zit erin dat verwezen wordt naar bekende zaken: 8 maart is Internationale Vrouwendag, er zijn relevante maatschappelijke stromingen die de boodschap verkondigen dat vrouwen slechts bestemd zijn voor de rol van seksueel lustobject, en er is een besef binnen links dat deze ideeën bestreden moeten worden. Met andere woorden, het is het bestaan van de sociale grenzen binnen links dat de grap grensoverschrijdend maakt, en de grap is ten dele ook een erkenning van het bestaan van deze grenzen. Enigszins opmerkelijk is nog dat de openbriefschrijvers de grenzen die Moedig voorwaarts opzoekt met homofobe of validistische grappen ongemoeid laten.

Het mijns inziens interessante zit in de ambiguïteit van de grap en de spanning die die schept. Wat de schrijver echt vindt, staat waarschijnlijk niet op papier, hoewel je daar ook niet helemaal zeker van kunt zijn; het is een verborgen laag onder die bovenste laag van de letterlijke tekst. Ook in allerlei andere kunstvormen wordt met dit aspect gespeeld: er is bijvoorbeeld veel interessante beeldende kunst waarover je als toeschouwers met elkaar de discussie kan aangaan om de bedoeling erachter te bedenken. Dit gaat even goed op voor literatuur, dichtkunst, film, architectuur, dans, fotografie en ga zo maar door. Als een vrouwelijk romanpersonage wordt onderdrukt, betekent dat dan dat de auteur seksistisch is? Als een schilder een vrouw naakt afbeeldt of een fotograaf een vrouw naakt fotografeert, is dat dan objectivering?

Grappen moet je niet uitleggen, dat weet ik ook wel, maar omdat zo’n grote groep heeft besloten een open brief te ondertekenen waarin op geen enkele manier wordt geëngageerd met het feit dat de betwiste uitspraken als grappen bedoeld zijn, lijkt het me toch nuttig om wat voorbeelden te geven van lagen die je in de tekst had kunnen lezen.8 Volgens mij is de meest voor de hand liggende lezing dat de grap de leuze ‘maak 1 mei weer geil’ belachelijk maakt, in feite door te zeggen: ‘vervang 1 mei eens door 8 maart, kijk of het dan nog zo grappig is’. Deze lezing zou betekenen dat de schrijver zichzelf plaatst binnen de groep die een dergelijke uitspraak als politiek serieuze uiting (zo moeten we ‘1 mei weer geil’ van de Collectieve Beweging denk ik wel beschouwen) verwerpelijk vindt. Daarbij kan de grap de vraag stellen of het wel zo noodzakelijk of wenselijk is dat feestdagen van de arbeidersbeweging geseksualiseerd moeten worden om interessant of het vieren waard te zijn. Als het probleem met 1 mei is dat het niet ‘geil’ is, hoe zit het dan met 8 maart? Is dat wel geil?

In een andere mogelijke interpretatie zijn niet zozeer de initiatiefnemers van ‘1 mei weer geil’ het onderwerp van de grap, maar een andere groep binnen links: de grap kan ook verwijzen naar linkse mensen (vermoedelijk grotendeels gefrustreerde mannen) die demonstraties en vieringen zien als plek om mensen op date te vragen. In die zin is de grap juist gericht tegen een vorm van (voor velen) grensoverschrijdend gedrag. Met dit fenomeen is naar mijn mening heel goed de spot gedreven door de satirische sitcom It’s Always Sunny in Philadelphia 9: in één aflevering gaat het personage Mac naar antiabortusdemonstraties om een een van de organisatoren te versieren. Hij overtuigt zijn vriend Dennis, met de aanwezigheid van vrouwen als doorslaggevend argument, om mee te gaan. Die kiest eerst kant voor de tegendemonstratie vóór het recht op abortus, maar als blijkt dat de feministische vrouwen aan die kant niet openstaan voor zijn geflirt, probeert hij over het hek naar de andere kant te klimmen, waarop hij door beide kanten met eieren bekogeld wordt. Wie moeite had mijn grappen te doorgronden, kan ik verklappen dat de eieren hier ook als symbool optreden, de lezer bedenke zelf waarvoor.

Bij satire als Always Sunny wordt ook door velen gedacht dat de makers seksistisch, racistisch, homofoob, en ga zo maar door zijn.10 Misschien moeten we maar concluderen dat de redacteurs van Moedig voorwaarts als satirici iets goeds doen als zij dezelfde reactie weten uit te lokken. Ik kan u verzekeren dat ze dat als groot compliment zullen opvatten.


Het Communistisch Platform verschaft kameraden uit alle hoeken van de socialistische beweging de mogelijkheid van communisme.nu gebruik te maken om discussie te voeren. Tenzij anders vermeld zijn gepubliceerde artikelen en brieven daarom niet per se representatief voor de opvattingen van het Communistisch Platform.

Bron achtergrondfoto: It’s Always Sunny in Philadelphia, seizoen 1, aflevering 2: ‘Charlie wants an abortion’

  1. https://rsp.nu/over-ons/gedragscode/
  2. Maar in een context van maatschappijbreed racisme, waardoor de verwijzing naar zwarte mensen ook vaak met een racistische boodschap samengegaan zal zijn. Het punt is dat het woord zelf niet alleen de racistische betekenis had die het tegenwoordig wel voor de meesten heeft, en dus voor mensen die in die context zijn opgegroeid nog steeds niet alleen die betekenis.
  3. Zie: https://communisme.nu/artikelen/2026/04/05/homoerotische-censuur-in-paraat/
  4. In een gesprek tussen de redactie van Moedig voorwaarts en een afvaardiging van het RSP-bestuur.
  5.  Leden van de RSP vinden dit stuk in Intern Bulletin 67.
  6. Die vinden leden van de RSP in Intern Bulletin 68.
  7.  Beschikbaar via het ledensysteem van de RSP.
  8.  Het is misschien goed hier ook te vermelden dat er wel degelijk best wat kameraden zijn die mij te kennen hebben gegeven de grap wel begrepen te hebben, en die zelfs grappig te vinden. Over smaak valt niet te twisten, zullen we maar zeggen.
  9. Seizoen 1, aflevering 2: ‘Charlie wants an abortion’
  10. De makers maken het de kijkers misschien ook niet al te makkelijk, door bijvoorbeeld de allereerste aflevering ‘The Gang Gets Racist’ te noemen, of door meerdere afleveringen waarin personages in blackface optreden (en die door controverse offline zijn gehaald door streamingsdiensten). Je zou in deze grappen ook een kritiek op racisme kunnen lezen.

Auteur