De discussie over de satirische teksten op Moedig voorwaarts (MV) loopt hoog op in de RSP. MV-redacteur Jules Maximus verdedigt zich tegen de kritiek en verzet zich tegen partijcensuur.
Onserieuze kritiek serieus te moeten bestrijden is een ongemakkelijke positie, en wanneer het onderwerp een kritiek op humor omvat, plaatst dat de criticus van de kritiek in een nagenoeg onmogelijke positie. De grap is bij uitstek buitenrationeel en zijn verdediging zal zich toch op het vlak van het rationele moeten begeven. We weten allemaal dat de grap zijn grappigheid verliest wanneer ze wordt uitgelegd; precies dus wanneer hij het rationele betreedt.
Toch is humor geen onbelangrijk onderwerp. Van humor maakt iedere politieke richting gebruik en georganiseerde uitingen van humor – zoals satirische publicaties – zijn vandaag de dag meestal middelen ter agitatie voor politiek nihilisme of extreemrechts racisme. Humor op het internet speelt een grote rol in de organisatie van reactionaire politiek en deze rechtse internetgrappen worden dan ook door links geïmiteerd om haar eigen doelen te dienen. Wanneer we ons bewust zijn dat humor een organisatorisch middel kan zijn voor de ene politieke richting dient dat bewustzijn ook voor de andere politieke stroming geldig te zijn, een kwestie die weinig kameraden zullen betwisten.
Moedig voorwaarts moet daarom als een tweezijdig middel worden beschouwd. Een poging om het onserieuze in onze partij onserieus in de openbaarheid te kunnen bekritiseren en als georganiseerde humor ten bate van het revolutionair socialisme. Dat laatste enigszins naar model van Propria Cures. Tegen het satirische blad MV is er door de voorstanders van open discussie achter gesloten deuren veel kritiek geuit en over haar redacteurs wordt door de grootste tegenstanders van roddelcultuur losgeroddeld. Een inhoudelijke kritiek op het project is de partij bijster gebleven. De plaats van die serieuze kritiek is ingenomen door een anderssoortige kritiek, die van een verzoek om officiële kritiek, ofwel censuur.
Enkele tientallen leden van onze partij hebben een open brief ondertekend die het bestuur oproept tot de censuur van Moedig voorwaarts, wat ze als volgt verwoorden:
Wij keuren deze uitingen resoluut af en roepen het bestuur op om gepaste actie jegens deze leden te ondernemen.
De reden daartoe is dat twee grappen in het tijdschrift als seksistische uitingen worden gekenmerkt. De indieners zeggen daarover:
Ze sluiten helemaal niet aan bij de politiek van de RSP en zouden de reputatie van de organisatie kunnen schaden.
Dit is niet de eerste keer dat we een dergelijke handelswijze hebben gezien. Moedig voorwaarts is zelf het product van partijcensuur door een bestuur dat het artikel ‘Een prostatelijke samenkomst’ als ongepast beschouwde. Het bestuur besloot vervolgens om een verdediging van dat artikel eveneens te censureren en omdat ze het verdedigende artikel niet als feitelijk genoeg beschouwden besloten ze zelfs de auteur ervan te berispen met een officiële bestuurswaarschuwing. Eenzelfde waarschuwing werd gemaakt aan het adres van een andere redacteur van Moedig voorwaarts, die zogenaamd objectificatie zou bagatalliseren. Dit alles geschiedde zonder enige poging tot openlijke discussie. Onmiddellijk werd gegrepen naar instrumenten van macht om anderen met een andere opvatting over humor, want dat is de kern van de kwestie, officieel de mond te snoeren.
Het oude dogma dat de partij een afspiegeling zou moeten zijn van de maatschappij die ze wenst te stichten lijkt in stof te zijn opgegaan. De man die mij die leus in mijn SP-tijd leerde staat onder de oproep voor censuur van MV. Programmatische eisen omtrent censuur en vrijheid van meningsuiting worden, wanneer het onze eigen partij betreft, gezien als iets waar in het geheel geen rekening mee hoeft te worden gehouden. In het programma van de RSP staat zoals we weten:
Volledige vrijheid van meningsuiting, vergadering en demonstratie. Wij verwerpen elke vorm van beperkingen en censuur. Dergelijke wetgeving wordt onvermijdelijk ingezet tegen de arbeidersbeweging. Reactionaire ideeën moeten in de openbaarheid bestreden worden, niet door middel van bureaucratische methoden en censuur.
In onze partij is de onderbouwing van deze eis niet minder waar, wanneer we eisen dat alle kritiek in onze partij zich beweegt langs moreel juiste grenzen, langs serieuze en zedelijke kritiek, zal dat onvermijdelijk worden toegepast op haar interne oppositie. Laten we niet vergeten hoe de leden van het Communistisch platform werden aangevallen om hun ‘onkameraadschappelijke’ gebruik van ‘onderkruipers’ om te verwijzen naar de NAVO-achterban in onze partij. Indien leden van mening zijn dat de uitingen in een satirisch medium onaanvaardbaar zijn, laat ze hun kritiek dan openbaar opvoeren, in plaats van in schimmige achterkamerappgroepen en felle verzoeken om sancties en censuur.
Wanneer die open discussie aan was gegaan hadden wij een poging kunnen wagen om uiteen te zetten op welke wijze we deze humor pogen te gebruiken, een metareflectie waar wij in onze satirische stukken overigens consistent aan proberen te doen. Zo wordt in ‘Een prostatelijke samenkomst’ uitgebreid uiteengezet wat er van Reve tot Schoenberg voor het artikel model heeft gestaan en schrijft SS in één van zijn stukken:
Tuurlijk, het is niet eenvoudig om de betweterige, moreel verheven houding van links te verwerken tot iets kunstzinnigs. De reeds breed erkende kracht van Moedig voorwaarts zit er misschien vooral in dat juist in satire door deze houding heen kan worden geprikt. De lezer weet heus wel dat de schrijver net als hij of zij ook gewoon deugt. En dat de schrijver ook inziet dat de woorden ‘hij of zij’ enorme hordes mensen uitsluiten en echt niet meer door de beugel kunnen, vandaag de dag.
En zijn veel van de critici zich niet eigenlijk ook bewust van de ambigue houding die humor kan aannemen, van de verscheidene interpretaties die van een grap kunnen worden gemaakt? Op de website van Paraat staan satirische artikelen waarin op wordt geroepen tot het verbieden van muziek en volkerenmoord. De lezer begrijpt in deze gevallen dat er sprake is van verdraaiingen, uitvergrotingen, omkeringen, etc., in het geval van de twee aangehaalde grappen in de open brief verdampt die kennis in een ogenblik.
Dat inconcrete van humor pogen deze kameraden te bestrijden door een concreet inconcreet verzoek. Ze ‘roepen het bestuur op om gepaste actie jegens deze leden te ondernemen’. Wat gepast is ter bestrijding van de ongepaste opmerkingen blijft hangen in de schimmenwereld, waar het verbinden van heldere conclusies aan de aantijgingen uitbesteed wordt aan anderen, die dan vervolgens weer beticht kunnen worden niet de juiste conclusies te hebben getrokken.
Het bestuur bevindt zich door zo’n verzoek in een moeilijke positie. Immers is het opleggen van censuur of sancties (wat gewoon een andere vorm van censuur zouden zijn) afhankelijk van de persoonlijke opvatting van bestuursleden of ze deze humor wel of niet tot het terrein van onzedelijk seksisme zouden bestempelen. Het is nu aan hen om een interpretatie te maken. Worden vrouwen of wordt vrouwonvriendelijkheid op de hak genomen? Is het een overdrijving of slechts een punt? Staat het model voor een andere belachelijke uitspraak of staat het op zichzelf? Wat is het doel van deze humoristische poging? Een moeilijk te benijden positie voor ons partijcensuurbureau.
Laat me dit artikel afsluitend samenvatten: Het belachelijke neem ik serieus wanneer ik het belachelijk behandel, en de meest zware onzedelijkheid van de geest is zedelijk te zijn tegenover onzedelijkheid.
Serieus en zedelijk! Wat een wisselende, relatieve begrippen! Waar houdt ernst op en begint het jolige? Waar houdt zedelijkheid op en waar begint onzedelijkheid? We zijn afhankelijk van het temperament van de censor. Het zou net zo verkeerd zijn om een temperament voor de censor voor te schrijven als om stijl voor de schrijver voor te schrijven. Als je consequent wilt zijn in je esthetische kritiek, verbied dan ook een te serieuze én te zedelijke zoektocht naar de waarheid, want te grote ernst is het meest absurde van alles, en te grote zedelijkheid is de bitterste ironie.
Dat kameraden, zijn de woorden van Karl Marx. En hoe actueel zijn ze niet meer dan honderdvijftig jaar later?

