Rogier Specht (lid van het Communistisch Platform) reageert op het beperken van het versturen van het Intern Bulletin van de RSP naar enkel ‘actieve leden’, een voorstel dat onderdeel van de conceptjaartaken die het RSP-bestuur vormt. Communisten moeten hun debatten openlijk voeren om de valkuilen van bureaucratische partijmodellen te voorkomen. Deze bijdrage verschijnt ook in het Intern Bulletin van de RSP.
Eind december 2025 publiceerde het bestuur van de RSP haar conceptperspectieven en -jaartaken. Er staan meerdere interessante zaken in de perspectieven en jaartaken waar nog discussie over nodig is binnen de RSP, zoals de historische analyse in de perspectieven, de karakterisering van de Trump-regering en de politieke houding ten opzichte van sociale bewegingen die worden gedomineerd door NGO’s en bureaucratische organisaties. Voor dit stuk wil ik mij beperken tot een klein onderdeel van de jaartaken dat volgens mij verderstrekkende gevolgen heeft voor de structuur van de RSP dan het stuk lijkt te impliceren, namelijk het beperken van het versturen van het Intern Bulletin (hierna: IB) van de RSP tot de ‘actieve leden’.
De jaartaken zeggen hierover het volgende: ‘Wat betreft het Intern Bulletin heeft het partijbestuur vaak doorgekregen dat het vervreemdend werkt op mensen die net binnenkomen. Als net nieuw of inactief lid krijg je al onze interne debatten mee, die soms hoog op kunnen lopen. Zeker wanneer er geen nieuwsbrief is heeft dit een vervreemdende werking. Ook is het voor (bestuurs)leden vaak ongemakkelijk om iets in het Intern Bulletin te zetten, wetende dat het ook terechtkomt bij leden die verder niet actief bijdragen en die niet op de hoogte zijn van de ontwikkelingen binnen de partij.’
Tijdens de toelichting van het bestuur op de afgelopen kaderdag werd aangegeven dat hierbij moest worden gedacht aan een een soort schillenmodel met drie verschillende soorten leden: actieve leden (kaderleden), inactieve leden en steunleden (bij deze laatste groep werd gerefereerd aan de categorie donateurs in de statuten en het huishoudelijk reglement). In deze structuur zou het afdelingsbestuur bepalen wie zich tot de actieve leden mag rekenen en dus automatisch het IB toegestuurd zou krijgen. Er werden geen concrete voorwaarden gesteld op basis waarvan het afdelingsbestuur dit zou moeten bepalen.
Wel werd er aangegeven dat inactieve leden een opt-in-mogelijkheid zouden krijgen om alsnog het IB te ontvangen. Het ging daarna echter ook over het stemrecht van inactieve leden. Toen een lid dat kritisch was op dit voorstel vroeg of het wenselijk was dat inactieve leden, die wel op congres mogen komen en stemmen, niet actief werden betrokken in de debatten in de organisatie, gaf een bestuurslid aan dat we ook moesten nadenken over het beperken van het stemrecht van deze groep leden, hoewel hier nog geen concreet voorstel voor ligt.
Achter dit ogenschijnlijk kleine voorstel gaat dus een bredere verschuiving schuil. De impliciete weg die het bestuur voorstelt is het toewerken naar de structuur van een kaderpartij, dat wil zeggen een partij waar men alleen lid kan worden en blijven op het moment dat aan bepaalde activiteitsvereisten van de partij wordt voldaan. Hier moet eerst een discussie aan voorafgaan binnen de organisatie over wat voor soort partij we willen zijn en welke rol democratisch debat heeft in onze partijstrategie.
Om te beginnen is Communistisch Platform, mijn factie, niet principieel tegen kaderpartijen. Sterker nog, wij zijn zelf een kaderorganisatie waarbij deelname aan de activiteiten van de organisatie een voorwaarde is voor lidmaatschap. Democratische controle is daarbij de crux. We hebben als revolutionair links sinds het bureaucratisch-centralistische partijmodel dat door de Comintern internationaal werd verspreid ook een lange geschiedenis gekend waarin kadereisen vooral werden mibruikt om democratisch debat en politieke minderheden uit te sluiten.
PVDA
In dat licht is het wellicht nuttig om te kijken naar andere organisaties die zich nog steeds baseren op de Comintern-partijmodellen. Ik wil me in dit stuk vooral focussen op de Partij Van De Arbeid (hierna: PVDA) in België, hoewel een hoop van de problemen van dat partijmodel niet uniek zijn aan de PVDA en bij vele officieel-communistische en trotskistische organisaties terugkomen. De PVDA was tot begin 2000 een marginale splinterpartij uit de maoïstische beweging, een van de laatst overgebleven maoïstische partijen in het westen die waren ontstaan in de periode van de Sino-Soviet split en de Culturele Revolutie in China. Partijoprichter Ludo Martens was een fanatiek stalinist die historisch-revisionistische boeken schreef over Stalin en was een van de oprichters van de Stalin Society, een Britse discussiegroep die zich ten doel stelt om Stalins nalatenschap te verdedigen. Halverwege de jaren 2000 ontstond een conflict in de partij waarbij hervormers in de partijtop werden geroyeerd omdat zij, volgens de leiding, van de PVDA een partij zoals de SP in Nederland wilden maken. Niet ver daarna koos diezelfde leiding ervoor om het stalinistische verleden minder centraal te stellen in de partij maar de partij om te vormen tot een “modernere” en “openere” partij. De partij groeide daarna door een aantal succesvolle campagnes en felle interventies in het parlement. De partijstructuur bleef echter grotendeels hetzelfde, namelijk een kaderpartij met verschillende lidmaatschapsniveaus waarbij toegang tot het debat in de vereniging mede wordt bepaald op basis van dat lidmaatschapsniveau.
Het is dus logisch om over de grens te kijken naar dit voorbeeld. Ik wil dit voorbeeld ook behandelen omdat het voorbeeld van de PVDA door steeds grotere groepen leden als inspiratiebron wordt gezien. Ik heb de afgelopen maanden meermaals gehoord over groepen binnen de RSP die een studie willen maken van de PVDA om te kijken naar wat wij als RSP van hen kunnen overnemen. Ik moedig discussie hierover graag aan en hoop dat deze kameraden zich in de toekomst ook zullen laten horen in de IB’s. Over de PVDA en hun structuur zelf ben ik echter een stuk sceptischer. De ironie is dat een dergelijk initiatief van discussiegroepen door leden zelf opgezet met als doel om voorstellen te doen richting de partij in de PVDA ten strengste verboden is. Zo staat er in de statuten van de PVDA onder het mom van het bekampen van ‘scheurmakerij’: ‘Fracties of groepen die zich in andere politieke platforms organiseren, die hun werking baseren op besluiten genomen buiten de statutaire organen, of die deel uitmaken van nationale of internationale platforms die strijdig zijn met de partijoriëntaties, zijn niet toegelaten’. In praktijk wordt dit verbod op ‘scheurmakerij’ gehanteerd om alle dissidente stromingen buiten te houden.
De PVDA kent drie lidmaatschapsniveaus: raadgevende, of niet-actieve, leden; groepsleden, of actieve leden; en als laatste militanten. De raadgevende leden zijn in feite donateurs en hebben geen toegang tot het debat in de vereniging of inzicht in de structuur van de PVDA. Zo zijn bijvoorbeeld de statuten die ik hierboven citeerde niet inzichtelijk voor leden onder het groepslidniveau, en de enige reden dat ik ze kan inzien is door PVDA-insiders die bereid zijn deze informatie toe te sturen. Groepsleden zijn leden die worden toegelaten tot een van de basisgroepen van de PVDA en militanten zijn de bovenste laag vertrouwelingen.
In praktijk wordt deze structuur vooral gebruikt om sterke controle van bovenaf over de leden te bewaren. Nieuwe leden worden niet toegelaten door bijvoorbeeld een democratisch proces in de basisgroep, maar worden soms maandenlang aan een lijntje gehouden door militanten zodat zij er zeker van kunnen zijn dat zij geen afwijkende meningen hebben.
Uit de toelichting van het RSP-bestuur op de kaderdag kreeg ik niet de indruk dat men doelbewust een middel wil creëren dat op deze manier gebruikt kan worden. Maar het feit dat de besluitvorming aan afdelingen wordt gelaten, die in praktijk nog vaak geen of een maar deels gevuld bestuur hebben, en er geen duidelijke voorwaarden zijn verbonden aan de lidmaatschapsniveaus of controlemechanismen zijn ingebouwd betekent wel dat het op deze wijze misbruikt kan worden.
Interne en externe lijnen
De selectieprocedure van de PVDA hangt sterk samen met de werkwijze die de partij heeft met externe en interne lijnen. Kortgezegd heeft de partij van oudsher de houding gehad dat er een andere politieke lijn moet zijn naar buiten toe dan naar binnen toe. In bijvoorbeeld het congresdocument uit 1999 wordt gesteld: ‘We moeten tegelijkertijd juister, strikter, meer marxistisch-lenistischer zijn binnen de partij en tactischer en soepeler naar buiten toe’. Sindsdien wordt dit beginsel niet alleen naar buiten toe toegepast, maar ook binnen de partij. Toegang tot interne stukken wordt beperkt aan de hand van het lidmaatschapsniveau. Ook scholingen worden op deze manier beperkt. Alleen de selectieve laag vertrouwde militanten worden in de volledige partij-ideologie geschoold. Scholingen rondom PVDA-boeken van Ludo Martens zoals Een andere kijk op Stalin of het handboek Partij van de revolutie zijn alleen toegankelijk voor deze ledenlaag.
De extern/intern werkwijze zie je ook terug in tactische en strategische keuzes van de partij. Hierbij zijn de verschillen bijvoorbeeld van het kaliber tijdens een verkiezingscampagne extern zeggen dat men wil regeren met Vooruit, intern zeggen dat dit niet een daadwerkelijke wens is maar een manier om Vooruit uit de tent te lokken.
Het probleem met deze werkwijze is dat zowel serieuze scholing als besluitvorming wordt beperkt tot een kliek van vertrouwelingen. Een communistische revolutie is echter afhankelijk van de activiteit van de arbeidersklasse en leden van de partij. Wanneer de arbeidersklasse en een grote groep leden van een partij niet worden geïnformeerd over de tactische keuzes van een partij, zal de partij grote moeite hebben met het activeren van de klasse wanneer het van de externe lijn van samenwerken met Vooruit overgaat naar de externe van lijn van revolutionaire actie. Deze werkwijze dient dus vooral het in stand houden van deze kliek, en niet het organiseren van revolutie.
Het gevaar van een partijmodel waarin je onderscheid maakt in de informatievoorziening naar leden, bijvoorbeeld in het versturen van het IB, is dat er bewust of onbewust een vergelijkbare interne/externe lijn cultuur wordt gecreëerd.
Openheid naar de klasse
De werkwijze van een strikt geleide kaderpartij wordt vaak toegeschreven, ook door de PVDA, aan Lenin. En hoewel de Comintern in de jaren ‘20 zeker een negatieve rol had in het verspreiden van een bureaucratisch-centralistisch partijmodel, was de politieke strategie van Lenin en de Bolsjewieken een andere. De partijen van de Europese sociaaldemocratie, waar de RSDAP toe behoorde, hadden een cultuur waarbij er vele partijkranten, theoretische bladen en pamfletten werden uitgegeven. In deze bladen was er felle onderlinge discussie, vanuit het onderliggende idee dat de arbeidersklasse op deze manier hun vertegenwoordigers kon selecteren. Lenin vatte het in 1905 als volgt samen: ‘Wij sociaaldemocraten nemen onze toevlucht tot geheimhouding ten opzichte van de tsaar en zijn bloedhonden, terwijl we er tegelijkertijd voor zorgen dat het volk alles te weten komt over onze partij, over de verschillende meningen binnen de partij, over de ontwikkeling van haar programma en beleid, dat ze zelfs te weten komen wat deze of gene afgevaardigde op het partijcongres heeft gezegd.’ 1
Veel van de bekende pamfletten en artikelen die tot op de dag van vandaag worden gebruikt voor scholingen komen uit deze periode van open, democratisch debat en een van de redenen dat de Bolsjewieken in de april-oktober 1917 periode een leidende stroming konden worden, was dat ze intern en extern konden terugvallen op langlopende discussies binnen de RSDAP.
Dit is de visie op partijopbouw die past bij het programma wat we als RSP hebben aangenomen. Namelijk een programma dat uitgaat van de arbeidersklasse verheffen tot heersende klasse, niet van revoluties door kleine, doctrinaire sektes. Hiervoor moet de arbeidersklasse worden betrokken en meegenomen in onze debatten zodat arbeiders zelf beslissingen kunnen maken. Dit geldt niet alleen voor revolutionaire situaties. Wij moeten willen dat onze debatten actieve leden, inactieve leden en niet-leden inspireert. Wij willen dat ook niet-leden volgens onze visie handelen wanneer zij in een huurdersvereniging, actiecomité of vakbond actief zijn. In de geest hiervan moeten discussies niet alleen in de Interne Bulletins gevoerd worden, maar ook in onze publicaties, in Paraat, in onze partijpers en tijdens bijeenkomsten. Het is daarom dat wij als Communistisch Platform, wanneer wij ons mengen in discussies, dit ook openlijk publiceren op communisme.nu en daarnaast reacties van anderen op onze website aanmoedigen, ook als dit felle kritieken zijn op onze standpunten.
Vanuit deze visie op revolutie is het beperken van het versturen van IB’s dus opmerkelijk. Het is waar dat debat mogelijk afschrikwekkend kan werken. Maar dit geldt ook voor bepaalde eisen in ons programma en culturele gewoontes in de partij. Op zichzelf is dit dus geen argument. Daarnaast moeten we, zeker als we een kaderpartij willen worden, leden rekruteren op basis van politiek niveau. Dit betekent niet dat programmatische eisen nooit gecorrigeerd mogen worden op basis van politieke ervaring of dat een discussie nooit afschrikwekkend is of de bocht uit vliegt. Maar wel dat we in beginsel leden willen rekruteren omdat zij onze programmatische visie onderschrijven. Daar hoort dus ook de visie bij op radicaal-democratische politiek waarbij de arbeidersklasse onderling meningsverschillen kan uitvechten en zo politieke keuzes kan maken. Wanneer leden aangeven dat ze die discussies soms afschrikwekkend vinden, moet dat aanleiding zijn om het gesprek aan te gaan over waarom open, democratisch debat zo centraal staat in onze strategie.
Des te problematischer is het argument van het bestuur dat ‘het voor (bestuurs)leden vaak ongemakkelijk om iets in het Intern Bulletin te zetten, wetende dat het ook terechtkomt bij leden die verder niet actief bijdragen en die niet op de hoogte zijn van de ontwikkelingen binnen de partij’. Bij de kaderdag werd dit nog uitgebreid met het argument dat je niet iedereen kent in de partij en dus niet weet bij wie het terecht komt. Hoewel ik best begrijp dat dit ongemakkelijk kan zijn, mag dit geen argument zijn. We willen een partij worden die duizenden, tienduizenden, honderdduizenden leden heeft. Elke partij die het niveau van een vriendengroep of splinterpartij ontgroeit, of wil ontgroeien, zal te maken krijgen met de realiteit dat er leden zijn die je niet kent of die niet alle discussies kennen. Vertegenwoordigers van de partij nemen een verantwoordelijkheid op zich door zich te kandideren en onderdeel daarvan is dat je moet communiceren naar binnen en buiten toe en dat deze vertegenwoordigers gecontroleerd moeten kunnen worden op hun keuze. Dit vergt dus opofferingsgezindheid en openheid.
Deze flarden discussie over kaderpartij en open debat illustreren dat er de nodige haken en ogen zitten aan zo’n verschuiving in partijcultuur. De beweging richting een kaderpartij is vooralsnog onzorgvuldig uitgewerkt en beperkt zich nu voornamelijk tot de IB-maatregel. Voordat de basis wordt gelegd voor een verregaande verschuiving in hoe wij denken over democratisch debat en lidmaatschap, moet hier eerst een grondige uitgewerkte discussie aan voorafgaan.
Het Communistisch Platform verschaft kameraden uit alle hoeken van de socialistische beweging de mogelijkheid van communisme.nu gebruik te maken om discussie te voeren. Tenzij anders vermeld zijn gepubliceerde artikelen en brieven daarom niet per se representatief voor de opvattingen van het Communistisch Platform.
