In dit artikel schrijft Tim Platenkamp over economische planning in een socialistische samenleving. Dit essay schreef hij als vervolg op zijn vorige inzending over socialistische planeconomieën en het verkiezingsprogramma van BIJ1 daarover. Platenkamp gaat in op enkele vragen die opkomen bij het inrichten van een economie in een socialistische samenleving.

Stel dat we een monsterverbond sluiten en we allerlei politieke en vakorganisaties voor een socialistisch programma winnen. Stel dat de meerderheid van de bevolking zich achter het programma schaart en een mandaat meegeeft aan de volksvertegenwoordiging om het in de praktijk te brengen. Stel dat de nieuwe socialistische regering alle grondwettelijke, bureaucratische en militaire interventies en beperkingen die op haar pad gegooid worden succesvol weet te omzeilen.1 Stel dat we dan eindelijk rustig aan de knoppen mogen zitten. Aan welke economische knoppen moeten we dan draaien?

In navolging van mijn vorige artikel over een socialistische planeconomie volgt hier een essay dat zich richt op economisch plannen in een socialistische samenleving. Zo’n maatschappij is een ordening waarin alle productieve middelen die bijdragen aan het maatschappelijke welzijn onder het beheer en in dienst van de maatschappij als geheel staan. Mijn vorige essay (Aantekeningen bij het Economisch Programma van BIJ1) werd verrassend goed ontvangen ondanks de wat taaie en technische inhoud. Ik heb geprobeerd om het ietsje luchtiger te houden, al is de interessantheid van economie helaas maar beperkt rekbaar. In de voetnoten vind je veelal extra uitleg over het gebruikte jargon. Soms volgen Engelse vertalingen in de tekst van bepaalde termen omdat ik ze vertaald heb en zodat je ze kan herkennen als je besluit om je te verdiepen en daarom Engelstalige literatuur over het onderwerp moet raadplegen. In dit essay wil ik ingaan op een paar vraagstukken die al aangestipt werden in het vorige artikel maar die wat uitwerking nodig hebben. Ik zal het essay toespitsen op twee onderwerpen: groeitheorie en centrale prijsbepaling. Daarin leen ik vooral uit het gedachtegoed van Kalecki.2

Macro-economische planning in het socialisme

Omdat alle productieve middelen (grondstoffen, land, kapitaalgoederen) het bezit zijn van de politieke gemeenschap (met uitzondering van arbeid) mag het hoogste politieke besluitvormingsorgaan van die gemeenschap het budget vaststellen voor de economie als geheel. Ik neem aan dat we het wenselijk achten om dit aan een grote mate van democratische controle te onderwerpen. Het budget zal dan vastgesteld moeten worden via een volksraadpleging (ofwel via een referendum ofwel via jaarlijkse volksvergaderingen georganiseerd op buurtniveau) om vervolgens geratificeerd te worden door de landelijke volksvertegenwoordiging (het orgaan die de Staten-Generaal zal vervangen).3 Stel je doet mee aan zo’n volksraadpleging, welke keuzes krijg je dan voorgelegd?

De kiezer zal moeten vastleggen hoeveel van de totale voorraad aan middelen (inclusief arbeid) ingezet zullen worden voor onderwijs, voor investeringen, voor infrastructuur, voor sociale zekerheid, voor de persoonlijke consumptie van huishoudens, enzovoorts. Dat moet stapsgewijs gebeuren. De volksraadpleging zal zich eerst moeten buigen over hoeveel van deze totale voorraad aan middelen die beschikbaar is aan het begin van het jaar geoormerkt moeten worden voor accumulatie (investeringen), hoeveel voor individuele consumptie (huishoudens) en hoeveel voor collectieve consumptie (collectieve goederen). Vervolgens zal besloten moeten worden hoeveel van de middelen voor collectieve consumptie we voor zorg, voor onderwijs, voor infrastructuur, enzovoorts beschikbaar stellen. Onder individuele consumptie valt het inkomen voor huishoudens; onder collectieve consumptie vallen de sociale voorzieningen, collectieve goederen, basisverzekeringen en infrastructuur; onder investeringen vallen de productieve middelen die gebruikt worden om de voorraad kapitaalgoederen te vervangen (gelijk aan de hoogte van afschrijvingen) of vergroten (alle investeringen die meer zijn dan waardevermindering van de voorraad kapitaalgoederen).

We hebben niet een oneindige voorraad middelen en dus zullen we keuzes moeten maken. Hierin moet dus een afruil plaatsvinden: meer middelen beschikbaar stellen voor zorg betekent dat er minder middelen beschikbaar zijn voor andere zaken. Hoeveel zijn we bereid op te geven voor de zorg? Of hoeveel zijn we bereid op te geven voor onderwijs? Dit zijn de overwegingen die voorgelegd worden aan de kiezer. Hoe kunnen we de kiezer in staat stellen om een goede afweging te maken? Als de kiezer niet weet wat zijn politieke keuze voor gevolgen heeft is het niet zinnig om het budget via een volksraadpleging vast te stellen. Het is daarom van belang dat de kiezer een goede inschatting kan maken over welk besluit een weerspiegeling is van diens voorkeuren. Vooropgesteld moet worden dat het nodig zal zijn om iedereen tijdens het voortgezet onderwijs te onderrichten in de basisprincipes van socialistische groeitheorie, zodat iedereen in staat gesteld wordt om effectief deel te nemen aan het collectieve besluitvormingsproces. Maar wat zullen die economieboeken qua inhoud ongeveer omvatten? Met andere woorden, wat moeten scholieren leren zodat ze als volwassenen actief deel kunnen nemen aan het politieke proces?

In de eerste plaats zal de volksraadpleging de groeivoet van het nationaal inkomen moeten vaststellen. De groeivoet is een gevolg van kwantitatieve groei, kwalitatieve groei en het investeringsvolume. De groei van de hoeveelheid invoer die we gebruiken (dat wil zeggen, het aanwenden van onbenutte middelen of ongebruikte capaciteit) is kwantitatieve groei (Engels: “extensive growth”) omdat groei voortkomt uit een toename van de hoeveelheid (kwantiteit) van invoer en middelen. Kwalitatieve groei (Engels: “intensive growth”) is de toename van de productiviteit van invoer, factoren en middelen (bijvoorbeeld, een toename van de arbeidsproductiviteit). Wanneer kapitaalgoederen (of productiegoederen) efficiënter worden of worden gebruikt is er sprake van kwalitatieve groei. Het investeringsvolume is de hoeveelheid middelen die gebruikt worden om de productiecapaciteit van de economie te vergroten. We kunnen meer of minder (het volume) middelen investeren om kwantitatieve en/of kwalitatieve groei te stimuleren. Hierin ligt de sleutel van hoe we de groeivoet kunnen bepalen. Daarin zullen een aantal aannames gemaakt moeten worden over de groei van bijvoorbeeld de productiviteit voor een bepaalde periode. De keuzes die we maken zullen altijd een foutmarge hebben omdat de toekomst natuurlijk nooit met zekerheid te voorspellen valt. Deze voorspellingen zullen gemaakt moeten worden door economen met specialistische kennis en voorgelegd worden aan de kiezer.

In principe bepaalt het investeringsvolume de groeivoet van de economie. Met investeringen worden namelijk ofwel ongebruikte middelen gemobiliseerd, ofwel de productiviteit van middelen verhoogd. Maar er is dus een afweging te maken tussen consumptie en investeringen. We kunnen in het nu meer consumptie opgeven zodat we meer kunnen investeren om daarmee een grotere productiecapaciteit te scheppen waardoor we in de toekomst juist weer meer kunnen consumeren. Deze afruil tussen consumptie en investeringen geldt in het bijzonder wanneer er geen ongebruikte reserves van arbeid beschikbaar zijn (met andere woorden, bij volledige werkgelegenheid), stelde Kalecki. Dit komt door het volgende. Productie-eenheden (werkplaatsen) produceren bijvoorbeeld kapitaalgoederen of consumptiegoederen. In het Marxistische reproductieschema, dat Kalecki aanhoudt, spreken we van sector I (voor productiegoederen) and sector II (voor consumptiegoederen). Wanneer er sprake is van volledige werkgelegenheid moet de extra arbeid die nodig is om het investeringsvolume op te krikken in sector I uit sector II getrokken worden. Een hoger volume van investeringen betekent dus dat er minder arbeid beschikbaar is om consumptiegoederen te produceren.

Kalecki stelde hiermee de heersende Sovjet-doctrine ter discussie. Volgens die doctrine moet de groei van sector I sneller zijn dan de groei van sector II. Dit zou via macro-economische planning gestimuleerd kunnen worden.4 Maar, waarschuwde Kalecki, zodra kwantitatieve groei is uitgeput—wanneer alle onbenutte middelen ingezet zijn, wanneer alle arbeid aangewend is, wanneer alle grondstoffen gedelfd worden—is de ‘natuurlijke’ groeivoet van de economie beperkt. Aangenomen dat er sprake is van volledige werkgelegenheid zit er, zo stelde Kalecki, een soort ‘natuurlijk’ plafond aan de groeivoet. Wanneer het investeringsvolume van de economie dit plafond doorbreekt betekent het, ten eerste, dat consumptie afneemt. Ten tweede, betekent het dat er relatief meer kapitaalgoederen nodig zijn om de groeivoet te stimuleren—de zogeheten “kapitaalcoëfficient” groeit (Engels: “incremental capital-output ratio”).5 Stel dat we meer investeren dan volgens de groeitheorie van Kalecki reëel zou zijn, dan betekent dit dat er meer middelen gebruikt zullen worden in investeringsprojecten—zoals bouwterreinen om nieuwe fabrieken uit de grond te stampen of om nieuwe technologie te installeren. Als de wildgroei van investeringsprojecten groter is dan de groei van de arbeidsproductiviteit zal de hoeveelheid arbeid om al deze investeringsprojecten volledig te bezetten ontoereikend zijn. Daardoor zullen niet alle investeringsmiddelen effectief ingezet kunnen worden. Dit betekent weer dat er méér middelen ‘bevroren’ zijn in investeringsprojecten. Het duurt dus langer voor investeringsprojecten afgerond worden; en als ze afgerond zijn is er mogelijk niet genoeg arbeid beschikbaar om ze volledig te benutten (de zogeheten ‘capaciteitsbenutting’ is dan suboptimaal). Gedurende deze tijd zullen de middelen niet of niet volledig bij kunnen dragen aan de economie, wat dus een verlies betekent. Niet alleen zal de consumptie afnemen, maar ook zal de kapitaalcoëfficiënt toenemen, waardoor de groeivoet van het nationaal inkomen lager zal zijn, zo waarschuwde Kalecki.6

Kalecki’s waarschuwingen gingen in tegen heersende Marxistisch-Leninistische denkwijze van de regering van de Poolse Verenigde Arbeiderspartij, de PZPR, waarvoor hij werkte in de jaren vijftig en zestig. (Die denkwijze, nogmaals samengevat, was dat sector I sneller moet groeien dan sector II, zonder een ‘natuurlijk’ plafond in acht te nemen). Het gevolg was dat collega-economen met politiek gekleurde aanvallen zijn theorieën naar de prullenbak verwezen. Na de Poolse politieke crisis van 1968 verdwenen Kalecki en zijn aanhangers naar de marge en zouden ze geen invloed meer uitoefenen op het beleid. Eén van de critici van Kalecki was de econoom Józef Pajestka (1924-1994). Pajestka bevond zich in het kamp die kritiek uitte op Kalecki’s aannames die ten grondslag lagen aan zijn groeitheorie. Investeringen, zo beweerden Pajestka en anderen, zouden ook op de korte termijn bijdragen aan het vergroten van de consumptie. Op deze manier zou de Marxistisch-Leninistische groeitheorie standhouden.7 Toen de Poolse economie begon te stagneren—net als de andere Sovjet evenknieën in Europa, met andere woorden, alle landen van het Oostblok plus Albanië—moest Pjestka echter erkennen dat hij fout had gezeten: “Voor een tijdje leek het alsof beide kanten aan het winnen waren: investeringen stegen pijlsnel, alsook inkomsten en allerlei sociale voorzieningen. De ervaring leert nu anders: beide kanten waren aan het verliezen, en het land verloor”.8

De socialistische autoriteiten in het ‘communistische blok’ probeerden de dalende groeivoet (stagnatie), die in alle socialistische landen waargenomen werd, te bestrijden door het investeringsvolume juist te vergroten. Immers, meer investeringen zouden de groei moeten aanjagen. Maar meer investeringen zorgen ook voor bottlenecks die een plafond stellen aan de maximaal mogelijke groei.9 Nog meer investeren zou wel eens het probleem erger kunnen maken. De Tsjechoslowaakse socialistische econoom Ota Šik (1919-2004) rekende uit dat er in zijn land in 1950 1.33 kronen nodig waren om het nationaal inkomen te laten groeien met één kroon. In 1963 waren er al 18.22 kronen nodig per kroon aan groei.10 Een absolute overinvestering was dus een van de grootste remmen op economische groei in de Oostbloklanden, waaronder Polen en Tsjechoslowakije (alsook Albanië, Noord-Korea, enzovoorts).11

Het is daarom belangrijk dat de bevolking doordrongen is van de basisprincipes van groeitheorie. Het moet hen alsnog vrij zijn om “irreële” verhoudingen tussen consumptie en investeringen te kiezen—deze keuze mag niet overgelaten worden aan specialisten en technocraten. Mogelijke negatieve gevolgen die ondervonden worden bij ‘verkeerde’ keuzes zullen een les in politieke opvoedkunde zijn en onderdeel van een proces waarbij de bevolking zichzelf leert besturen.

Idealiter zullen kiezers binnen de reële marges (met een ‘natuurlijk’ groeiplafond), voorgerekend door het centraal planbureau, bij de volksraadpleging hun voorkeur uitspreken over de mate van consumptie voor het aankomende jaar tegenover de mate van investeringen. Stel, iemand ziet nul economische groei als wenselijk (omwille van duurzaamheid of anti-consumentisme of wat dan ook), dan zal die moeten stemmen voor een investeringspercentage dat daar bij past. Als we alleen investeren om de huidige voorraad kapitaalgoederen te vervangen—kapitaalgoederen worden immers deels opgebruikt in het productieproces—zullen we nu relatief meer kunnen consumeren maar zal het consumptieniveau in te toekomst niet stijgen. De netto investeringen en groeivoet van de economie zijn dan nul. Dus stel dat de jaarlijkse waardevermindering van kapitaalgoederen tien procent is, dan zal het investeringspercentage tien procent moeten zijn om nul groei te realiseren.

Wanneer we de maatschappelijk welvaart wel willen laten groeien zal het investeringsvolume groter moeten zijn dan tien procent. Een hypothetische reële verdeling die burgers mogelijk zouden kunnen verkiezen zou zijn dat we vijftig procent van alle productieve middelen reserveren om consumptiegoederen mee te produceren, dertig procent voor collectieve consumptie en twintig procent voor investeringen. Met welk increment het nationaal inkomen groeit bij een bepaald investeringsvolume zal samenhangen met de groei van productiviteit, waarvoor schattingen gemaakt moeten worden over de graad waarmee dit gemiddeld zal toenemen gedurende een bepaalde periode.

Als dit eenmaal besloten is zal de volgende stap zijn om te bepalen hoe het budget voor collectieve consumptie verdeeld moet worden. Hoeveel middelen, van die dertig procent die beschikbaar is voor collectieve consumptie, gaan we gebruiken voor gezondheidszorg, voor infrastructuur, voor collectieve verzekeringen, onderwijs, enzovoorts. Zodra de verdeling tussen consumptie en investeringen gemaakt is kan deze keuze eveneens via een volksraadpleging genomen worden. Net zoals nu zal het centraal planbureau verschillende voorstellen en plannen met verschillende verdeelsleutels doorrekenen—allicht zullen daarbij andere aannames gebruikt worden dan de neoklassieke axioma’s die het Centraal Planbureau (CPB) op dit moment hanteert—zodat de kiezer een afgewogen keuze kan maken.

Marktprijzen versus centrale prijsbepaling

In mijn vorige artikel met kritiek op het economisch programma van BIJ1 besluit ik dat centrale prijsbepaling een zinniger en efficiënter standpunt is dan waartoe de programmacommissie van de partij besloten heeft. Dit roept vanzelfsprekend vragen op. Hoe zou een planbureau, ver verwijderd van de realiteit van het productieproces, kunnen bepalen wat de prijs van miljoenen producten zou moeten zijn? Vergt dit niet een enorm bureaucratisch gedrocht en een enorme rompslomp zoals we die van de Sovjet-economie kennen? En hoe voorkomen we machtsmisbruik van zo’n bureaucratische instantie? Zijn marktprijzen niet gewoon efficiënter én effectiever?

Allereerst kort samengevat wat centrale prijsbepaling aanlokkelijker maakt dan marktprijzen. Marktprijzen zijn de uitkomst van de effectieve vraag van consumenten en afnemers enerzijds en het aanbod van producenten anderzijds. We kunnen grofweg twee type prijzen onderscheiden. Prijzen die grotendeels vraag-bepaald zijn (prijzen voor natuurlijke grondstoffen) en prijzen die kosten-bepaald zijn (voor alle verwerkte producten). Dat laatste wil zeggen dat de winstmarge per product in een vaste verhouding staat tot de kostprijs—afhankelijk van de schaalopbrengsten—omdat bedrijven met een markup rekenen bovenop de kostprijs. Marktprijzen reflecteren, in theorie, een balans tussen de totale inspanning (kosten) die nodig zijn en het totale nut (baten) die een product oplevert. Wanneer het marktprijs-mechanisme perfect zou werken zouden we een optimale balans hebben tussen kosten en nut. De prijzen weerspiegelen dan de mate waarin middelen beperkt zijn, enerzijds, en de de opbrengst anderzijds (gemeten als de winstmarge)—dit is tevens gelijk aan Pareto efficiëntie.12 Deze optimale werking van het prijsmechanisme wordt in de praktijk verstoord door uiteenlopende factoren. Onder meer de ongelijke verdeling van de marktmacht van verschillende ondernemingen beïnvloed de prijsbepaling in de markt. Ondernemingen (althans, die met onevenredig veel marktmacht) zijn daarmee niet alleen ‘prijsnemer’ maar ook ‘prijsbepaler’. Dit heeft een verstorend effect op marktprijzen waardoor ze afwijken van hun optimale niveau. Er is een dus een verlies in efficiëntie ten opzichte van de papieren werkelijkheid van volledige mededinging.13 Een centrale prijsbepaling daarentegen zorgt er voor dat productie-eenheden slechts prijsnemers zijn. Ze kunnen bijvoorbeeld niet de prijs verhogen (om de winstmarge te vergroten) wanneer ze een relatief groot marktaandeel hebben. In theorie maakt dit het mogelijk dat prijzen in een planeconomie wél de optimale weerspiegeling tussen beperkte middelen en opbrengsten evenaart. Dat is echter, natuurlijk, alleen het geval als het centrale planbureau a) over de juiste kennis beschikt met betrekking tot de beschikbaarheid van beperkte middelen enerzijds; b) de maximale opbrengsten van het inzetten van die middelen anderzijds; en c) deze informatie niet alleen kán verwerken om te bepalen wat het optimaal gebruik van middelen is, maar dit ook snel genoeg kan doen zodat de prijzen bruikbaar zijn in de dagelijkse praktijk.

Daarover later meer. Eerst het ‘sneeuwbaleffect’ (of “multiplier effect”) wat ik in het vorige artikel al aangestipt heb. Dit effect kan waargenomen worden bij een verandering in het investeringsvolume. Wanneer investeringen in een markteconomie met bijvoorbeeld een miljard euro toenemen zal het positieve effect hiervan met méér dan een miljard euro toenemen. De extra investeringen betalen zich bijvoorbeeld uit in hogere lonen (door arbeidsmarktkrapte) en een hogere werkgelegenheidsgraad, waardoor huishoudens meer te besteden hebben. Doordat ze meer te besteden hebben groeien de opbrengsten van ondernemingen weer, waardoor er meer financiële ruimte ontstaat om te investeren. Op deze manier ontstaat er een opwaartse spiraal. Maar dit kan ook andersom gebeuren, waardoor er een vicieuze cirkel ontstaat. Een vermindering van het investeringsvolume gaat gepaard met een vermindering van de winstvoet. Om de winstmarge op de uitvoer te handhaven zullen kapitalisten en hun managers proberen om de kostprijs-prijs en loonsom-winst relatie te handhaven. Dit doen ze door productie en de loonsom te beperken (wat in effect, respectievelijk, krimp en werkloosheid creëert). De winstmarges zijn dus afgestemd op de inkomensverdeling tussen lonen en winsten. Het gevolg van dit alles is een neerwaarts spiraal. Bovendien stemmen ondernemingen hun investeringen niet onderling af, waardoor de expansie en samentrekking van de markteconomie zich met horten en stoten voltrekt.

De oplossing van Kalecki was de volgende. In plaats van de kostprijs-prijs relatie te handhaven moeten de socialistische beleidsmakers het inkomen van huishoudens juist aanpassen aan de uitvoer (het productieniveau). Als die verhouding gelijk blijft (zodat de effectieve vraag van huishoudens aansluit op het productieniveau) zal de economie de negatieve gevolgen van het sneeuwbaleffect gespaard blijven. De inkomens van huishoudens worden, met andere woorden, vergroot (naar boven bijgesteld) door de kostprijs-prijs verhouding te verlagen. Daarmee wordt de effectieve vraag opgekrikt zodat productie niet naar beneden bijgesteld hoeft te worden. De productie zal niet beperkt hoeven worden (er is dus geen krimp) en volledige werkgelegenheid kan eveneens gehandhaafd worden.14 Op deze manier wordt macro-economische stabiliteit verzekerd.

Prijzen in het socialisme zullen moeten bestaan uit een kostprijs plus een markup. Zouden we dat niet doen dan is het gevolg dat de prijs van consumptiegoederen dermate laag is dat de afname ervan zal zorgen dat alle productiecapaciteit die de samenleving tot haar beschikking heeft aangewend zal moeten worden om genoeg consumptiegoederen te produceren. Er blijft dan geen capaciteit over om de voorraad van kapitaalgoederen te vervangen of uit te breiden, of om collectieve goederen te leveren.

Over de markup kort een uitleg naar aanleiding van een vraag daarover. De markup zal een vast percentage zijn (zoals de BTW) die proportioneel is aan collectieve consumptie en investeringen en omgekeerd evenredig is aan het inkomen dat gespaard wordt door huishoudens—en daarbij moet het eveneens ruimte laten om aanpassingen mogelijk te maken om het negatieve sneeuwbaleffect te absorberen. De hoogte van de markup is dus geheel afhankelijk van de macro-economische verhoudingen tussen individuele consumptie, collectieve consumptie en investeringen. Deze verhoudingen kunnen, zoals hierboven beschreven, allerlei waarden aannemen en zullen democratisch vastgesteld worden. De markup zal dus grofweg proportioneel zijn aan deze verhoudingen, al zullen specialisten zich moeten buigen over de precieze hoogte.

Dan, de meer technische kant van de centrale prijsbepaling. Hoe gaat dit in zijn werk? Op Twitter grapte iemand dat “een ministerie onder leiding van Hugo de Jonge […] de kostprijs van ELK product [gaat] berekenen.”15 Hoe zou dit Ministerie van Prijsbepaling de productiekosten voor elk product moeten vaststellen? Moet het handmatig, met nattevingerwerk, bepalen dat een volkorenbrood negentig eurocent moet kosten en een set houtdraadbouten een euro of tien? Waarschijnlijk zouden de ambtenaren van het Ministerie uit pure wanhoop lukraak prijzen gaan stempelen op producten.

Als een centraal planbureau door de onnoemelijke hoeveelheid informatie die het moet verwerken noodgedwongen prijzen arbitrair vaststelt zullen de economische kosten (het verlies van efficiëntie vanwege arbitraire prijzen) van centrale prijsbepaling groter zijn dan de positieve effecten die hierboven genoemd worden. Het idee van centrale prijsbepaling doet waarschijnlijk denken aan Sovjet prijzen, die van bovenaf bepaald werden. Dat roept weer de associatie met bureaucratische rompslomp op. Maar de functie van prijzen die ik voorstel is anders dan het Sovjet prijssysteem. Daarom volgt een korte beschrijving van de rol van prijzen in de Sovjet-economie om dit verschil in kaart te brengen.

Het Sovjet allocatiemechanisme die productieve middelen verdeelde onder productie-eenheden waren de materiaalbalansen. Dit waren balansen die de invoer en uitvoer registreerden. Daarbij werd zowel de invoer als de uitvoer niet in geld uitgedrukt maar in-natura. Nadat productie quota’s centraal vastgesteld waren door de Staatsplancommissie (Gosplan) op basis van politiek vastgestelde prioriteiten was het de taak van de Gosplan om een balans tussen invoer en uitvoer te regelen. Om bepaalde producten te produceren zijn bepaalde middelen nodig. Op basis van de productie-quota’s werden dus materiaalbalansen opgetekend om te zorgen dat de invoer en uitvoer overeen kwamen, uitgemeten in-natura. Deze fysieke eenheden werden daarnaast ook in monetaire eenheden uitgedrukt (in geldprijzen, met andere woorden). Niet om de relatieve nuttigheid van het gebruik van verschillende producten vast te stellen, maar als controlefunctie op het uitvoeren van productie-quota’s. Prijzen werden daarom voor periodes van vijf of tien jaar vastgelegd op basis van de gemiddelde kosten.16 Vanzelfsprekend kunnen zulke inflexibele prijzen niet het doel dienen om zo goed mogelijk het relatieve nut van middelen ten opzichte van bepaalde doelstellingen in kaart te brengen. Want nut staat in verhouding tot consumptiepatronen en kostenpatronen—de structuur van ‘kostenvoorkeuren’ (Engels: “cost-preferences”) zoals Wilczynski het noemde17—die constant veranderen.

Prijzen moeten een cijfermatige uitdrukking zijn van het relatieve nut dat een product of factor bijdraagt aan de ‘doelstellingsfunctie’. Een doelstellingsfunctie is simpelweg hetgeen wat we op een wiskundige of algebraïsche manier willen minimaliseren of maximaliseren. In principe zou je deze functie kunnen invullen zoals je wilt. We kunnen zeggen dat de doelstellingsfunctie van de economie de maximale groei van het Bruto Binnenlands Product (BBP) is, de totale winst, het maximaliseren van consumptie van huishoudens of juist de accumulatie van kapitaalgoederen, of het maximaal vergroten van het maatschappelijk welzijn. Zolang het maar meetbaar is, anders heb je er weinig aan bij het vaststellen van prijzen en welke samenstelling van goederen (het assortiment) we moeten produceren. Prijzen, samengevat, moeten dus een numerieke waarde vertegenwoordigen ten opzichte van de doelstellingsfunctie: het drukt uit in welke mate een product de doelstellingsfunctie doet groeien. Stel dat de doelstellingsfunctie het maximaliseren van het maatschappelijk welzijn is, dan moet een prijs dus uitdrukken hoeveel het maatschappelijk welzijn toeneemt bij de productie van één product ten opzichte van een ander product (deze relatie tussen producten is de prijsverhouding, we spreken dan van relatieve prijzen). Wat dat betreft hoeven prijzen niet per se in geld uitgedrukt te worden. Ze kunnen ook een puur numerieke waarde voorstellen (cijfertjes in een algoritme) om de optimale inzet van middelen te meten—dit heten schaduwprijzen in de economische wetenschap; of Lagrange-multiplicators in de wiskunde.

Het maximaliseren van een de doelstellingsfunctie kan gesteld worden als een beperkt optimalisatieprobleem (Engels: “constrained optimisation problem”.18 Beperkt slaat hierbij op dat er (per definitie), ten eerste, een beperkte voorraad middelen beschikbaar is (zeker in een planperiode van een jaar, gezien de voorraad arbeid en kapitaalgoederen niet enorm zal kunnen veranderen op zo’n termijn). Ten tweede zijn er beperkingen aan de productiemogelijkheden.19 Het optimalisatieprobleem moet opgelost worden met als voorwaarde dat de optimale oplossing binnen de grenzen van deze beperkingen ligt—zo niet, dan is de oplossing niet haalbaar of uitvoerbaar. De omvang van een optimalisatieprobleem voor de economie als geheel, met miljoenen producten en een ontelbaar mogelijke verhoudingen van goederen (variaties van het assortiment; bundels van goederen), uiteenloppende productiemogelijkheden, en een grote spreiding over grondgebied en door de tijd heen, is gigantisch. De vraag is hoe al die informatie verwerkt kan worden. De eerste stap is de kostprijs vaststellen.

Iedere productie-eenheid zal zijn eigen boekhoudkundige balans en rekening hebben. Daarop registreren ze welke middelen ze gebruikt hebben als in invoer en wat hun uitvoer was en voor welke afnemer die bestemd was (ofwel de eindgebruiker of een andere productie-eenheid). De geregistreerde middelen zijn de productiekosten. Op basis van de productiekosten kan dan het prijsniveau bepaald worden door alle balansen van de productie-eenheden bij elkaar op te tellen of naast elkaar neer te leggen. Daarbij kan dan eveneens vastgesteld worden in welke mate de verschillende productie-eenheden efficiënt gebruik maken van de publieke middelen en kan een productiviteitsnorm (of prestatie-index) opgesteld worden.

Vervolgens is het zaak om al die kosten te verwerken. Stel dat we maatschappelijke kosten uit willen drukken in arbeidstijd, zoals Strumilin voorstelde, om aan te haken op het vorige artikel. Dan bepalen we de prijs op basis van de arbeidscoëfficiënt—dit drukt de hoeveelheid directe en indirecte arbeid uit die nodig is om een bepaald product te produceren. De kosten van kapitaalgoederen, bijvoorbeeld, bestaan dan uit de arbeidstijd die nodig is om ze te produceren en installeren. De totale arbeidstijd (plus externe kosten) van kapitaalgoederen en tussenproducten die gebruikt zijn om een product te produceren bepalen dus de kostprijs van het product.20 Het is de taak van het planbureau om deze kostprijs vast te stellen door de totale hoeveelheid gebruikte arbeid te meten en delen door de uitvoer. De praktijk leert dat hoewel het technisch gezien mogelijk is om arbeidscoëfficiënten uit te rekenen, het een enorm tijdrovend proces is om dit voor grote hoeveelheden producten te doen. Het statistisch bureau van de Sovjet Unie deed er bijvoorbeeld enkele jaren over om de arbeidscoëfficiënt voor producenten uit het jaar 1959 te berekenen.21

In de jaren negentig toonden de computerwetenschapper Paul Cockshott (1952-) en de econoom Allin Cottrell (1953-) dat het mogelijk is om in een kwestie van minuten de arbeidscoëfficiënt van miljoenen goederen vast te stellen.22 Zij stelden voor dat iedere productie-eenheid het gebruik van hun middelen elektronisch kan registreren op een computer gelinkt aan hun productie-eenheid. Vanaf die computers worden vervolgens de balansen doorgestuurd naar een centrale supercomputer die alle balansen die het binnenkrijgt door een algoritme trekt in een kwestie van luttele minuten. Op basis daarvan kan meteen bepaald worden waar meer of minder inspanning geleverd moet worden ten opzichte van de opbrengsten. Wat dat betreft is het mogelijk om de enorme hoeveelheden informatie die nodig zijn voor optimale centrale prijsbepaling te verwerken in zeer korte tijd. De omvang van het probleem hoeft dus geen obstakel te zijn voor centrale prijsbepaling en levert zeker geen bureaucratische rompslomp op.

Als laatste de kwestie van machtsmisbruik. In principe is het de taak van het planbureau om alle balansen te verwerken die kant-en-klaar aan het bureau doorgestuurd worden. Ze kunnen niet naar eigen inzicht prijzen stempelen op producten. Het levert de specialisten van het planbureau bovendien persoonlijk niets op om de kosten kunstmatig te vervormen wanneer ze een vast inkomen voor hun werkzaamheden krijgen. Als we gebruik maken van schaduwprijzen is het daarbovenop niet mogelijk om medewerkers van het planbureau om te kopen—iemand zal moeilijk te verleiden zijn met Lagrange-multiplicators. Er gaat geen geld van hand tot hand; er is slechts sprake van een wiskundige of numerieke waarde koppelen aan de inzet van een bepaald product om de waarde van de doelstellingsfunctie te doen groeien. Buiten deze cijfermatige waarde om (die bestaat in relatie tot de allocatie van middelen tussen verschillende toepassingen) hebben de schaduwprijzen geen rol, en kunnen dus niet dienen voor zelfverrijking of omkoping. Verder is er geen grootkapitaal die invloed kan inkopen. Wel is er politieke macht en dus is het vanzelfsprekend noodzakelijk om deze macht te definiëren, begrenzen en te scheiden om politiek machtsmisbruik te voorkomen.

Als laatste argument wil ik inbrengen dat ik me zo voorstel dat het mogelijk is om de informatie over productiekosten te versleutelen zodat bepaalde productie-eenheden of regio’s niet voorgetrokken kunnen worden door ze efficiënter te laten lijken dan ze in daadwerkelijkheid zijn. Ik moet daarbij zeggen dat ik zeer weinig kennis van ICT heb, maar ik vermoed dat het mogelijk is om de balansen te anonimiseren en versleutelen, de data te verwerken, en vervolgens weer te decoderen. Alle data die bij het centraal planbureau terechtkomt is dan al versleuteld binnengekomen. De verwerkte gegevens moeten daarna (versleuteld) doorgestuurd worden naar een externe instelling waar ze gedecodeerd en opgeslagen worden. Die laatste stap is nodig want het is wel relevant welke productie-eenheden welke kosten gemaakt hebben. De productiviteit van verschillende productie-eenheden bepaald namelijk op welke middelen ze in de toekomst aanspraak maken—en als we van een negatiever mensbeeld uitgaan zal het ook nodig zijn om bonussen uit te delen bij goede prestaties (maar dan moeten we wel weten welke productie-eenheden goede prestaties geleverd hebben). Het is daarom noodzakelijk om de balansen weer aan de juiste productie-eenheden te kunnen koppelen. We scheiden dan de verantwoordelijkheid voor het encoderen, verwerken en decoderen tussen verschillende instanties of commissies om manipulatie te voorkomen. En als we extra zeker willen zijn dat er absoluut geen oneigenlijke beïnvloeding plaatsvindt door het planbureau bij het berekenen van het kostenplaatje kunnen we een tweede bureau instellen met eigen supercomputer met een controlerende functie. Alle gegevens worden dan tegelijkertijd naar de twee plancommissies gestuurd die onafhankelijk van elkaar en tegelijkertijd dezelfde informatie verwerken. Wanneer er twee andere uitkomsten uitrollen weten we dat er met cijfers geknoeid is.

Slotwoord

Hebben we hiermee alle ingrediënten voor een werkbare socialistische economie? Helaas, we zijn er nog lang niet. De oplettende lezer zal doorhebben dat ik van punten a) b) en c) ik vooral punt c) heb benadrukt. Oftewel, het verwerken van de data door het planbureau. Maar zoals het gezegde in de statistiek luidt: garbage in, garbage out. Naast effectief en snel verwerken van data is het noodzakelijk dat de aangeleverde data bruikbaar, valide en betrouwbaar is. Het systeem moet niet alleen in staat zijn om grote hoeveelheden informatie te verwerken, het moet ook in staat zijn om deze informatie in de eerste plaats te genereren en beschikbaar te stellen. Zo is het bijvoorbeeld de vraag hoe het planbureau erachter kan komen wat de productiemogelijkheden en -beperkingen zijn. Deze informatie blijft opgesloten bij de productie-eenheden en is voor het centraal planbureau een zwart gat aan informatie. We hebben het daarbij ook nog niet gehad over hoe kwalitatieve kennis opgenomen kan worden in de planprocedure, noch over dynamische efficiëntie, noch over decompositiemethoden (informationele decentralisatie) en daarbij horend, de verschillen tussen prijs-geleide planprocedures, kwantiteit-geleide planprocedures en gemixte planprocedures, noch over alternatieve kosten en kapitaalkosten, of hoe we een bruikbare doelstellingsfunctie met betrekking tot maatschappelijk welzijn kunnen formuleren (en daarmee samenhangend, een waarde-index die de doelstellingsfunctie op operationeel niveau uitdrukt), enzovoorts, enzovoorts!

Aan de hand van reacties zal ik kijken of er animo is voor een volgend essay, en wat de inhoud van dat essay zal zijn. Als het hier niet van komt maar je vindt het onderwerp toch interessant, houdt dan mijn accounts op social media in de gaten. Ik hoop dit jaar of uiterlijk volgend jaar een (Engelstalig) boek over socialistische economische theorie uit te brengen dat uitgebreid al deze thema’s en meer behandeld. De uitgever is nog onbekend.


Het Communistisch Platform verschaft kameraden uit alle hoeken van de socialistische beweging de mogelijkheid van communisme.nu gebruik te maken om discussie te voeren. Tenzij anders vermeld zijn gepubliceerde artikelen en brieven daarom niet per se representatief voor de opvattingen van het Communistisch Platform.

  1. Denk hierbij aan de grondwettelijke bescherming voor particulier eigendom van productiemiddelen; sabotage door een ambtenarij of legertop met afwijkende loyaliteit; of buitenlandse inmenging.
  2.   Michał Kalecki (1899-1970) was een Poolse econoom met Marxistische inslag. Veel van de macro-economische theorieën die hij uitdacht werden iets later door Keynes gepubliceerd. Maar mede omdat Kalecki in het Pools publiceerde is hij nooit zo’n grote naam geworden als Keynes. Kalecki werkte na de Tweede Wereldoorlog voor de Poolse socialistische regering, waar hij zich vooral bezig hielt met ‘perspectiefplannen’ (planperiodes met lange horizonnen, van tien tot twintig jaar). In 1970 werd Kalecki genomineerd voor de Nobelprijs.
  3.   Voor het gemak gaan we uit van één land met gesloten economie.
  4. Kontorovich, V. (2013). The Preobrazhenskii-Feldman Myth and the Soviet Industrialization. Faculty publications, economics. 1(41), pp. 1-39.
  5.   De technische coëfficiënt is de hoeveelheid middelen die nodig zijn voor een bepaalde uitvoer. De kapitaalcoëfficiënt in het bijzonder drukt de hoeveel kapitaalgoederen uit die nodig is voor een bepaalde uitvoer—de verhouding tussen kapitaal en output (capital-output ratio). Als de kapitaalcoëfficiënt toeneemt hebben we dus meer kapitaalgoederen nodig per eenheid van uitvoer—de productiviteit neemt af.
  6.  Kalecki, M. (2010). Selected Essays on Economic Planning. Cambridge University Press, pp. 83-92.
  7. Osiatyński, J. (1988). Michal Kalecki on a Socialist Economy. London: Macmillan Press, pp. 155.
  8. Citaat vrij vertaald uit Osiatyński, J. (1988). Michal Kalecki on a Socialist Economy. London: Macmillan Press, pp. 121.
  9.  Kalecki, M. (2010). Selected Essays on Economic Planning. Cambridge University Press, pp. 88-92.
  10. Wilczynski, J. (1972a). Socialistische Economie. Utrecht: Uitgeverij het Spectrum N.V, pp. 75
  11. Zie Chattopadhyay, P. (1994). The Marxian Concept of Capital and the Soviet Experience: Essay in the Critique of Political Economy. Westport: Preager Publishers, pp. 67-88. Hoewel ik zijn conceptuele analyse van het staatskapitalisme niet onderschrijf bevat het wel een nuttig empirisch overzicht van het accumulatieproces in de Sovjet Unie, en de beperkingen er van.
  12. Er is sprake van Pareto efficiëntie wanneer niemand er op vooruit kan gaan zonder dat iemand er op achteruit gaat. Er is dan dus sprake van een optimale afruil.
  13. In de neoklassieke economie is ‘volledige mededinging’ een verzameling van versimpelde aannames die gedaan worden over de werkelijkheid om tot een model van de markteconomie te komen die geanalyseerd wordt. Een van die aannames is dat ieder bedrijf geen marktmacht heeft en daardoor niet in staat is om de prijs van haar product te beïnvloeden of het volume van uitvoer te bepalen (zonder dat dit de winst opeet).
  14. Brus, W. (1977). Kalecki’s Economics of Socialism. Oxford Bulletin of Economics and Statistics. 39(1), pp. 57-58; Kalecki, M. (2010). Selected Essays on Economic Planning. Cambridge University Press, pp. 48-53.
  15.  Link: https://twitter.com/JeroenvanH/status/1346761124671324160
  16. Wilczynski, J. (1972b). Socialist Economic Development and Reforms: From Extensive Growth to Intensive Growth under Central Planning in the USSR, Eastern Europe and Yugoslavia. Palgrave Macmillan, pp. 87.
  17. Wilczynski, J. (1972b). Socialist Economic Development and Reforms: From Extensive Growth to Intensive Growth under Central Planning in the USSR, Eastern Europe and Yugoslavia. Palgrave Macmillan, pp.: 62.
  18. Heal noemt het een “constrained maximisation problem”; Heal, G.M. (1974). The Theory of Economic Planning. Amsterdam: North-Holland Publishing Company, pp. 5-6.
  19. Heal, G.M. (1974). The Theory of Economic Planning. Amsterdam: North-Holland Publishing Company, pp. 16-20.
  20.   Wederom geldt dat er allerlei beperkingen aan de arbeidscoëfficiënt te gebruiken om kosten mee uit te drukken die hier niet behandeld zullen worden.
  21. Zauberman, A. (1963). A note on the Soviet inter‐industry labour input balance. Soviet Studies. 15(1), pp. 53-57; Ellman, M. (2014). Socialist Planning. Cambridge University Press, pp. 266.
  22. Cockshott, P.W. (1990). Application of artificial intelligence techniques to economic planning. Future Computer Systems. 2(4), pp. 429–43; Cockshott, P.W., & Cottrell, A. (1993a). Towards a New Socialism. Nottingham: Spokesman Books; Cockshott, P.W., & Cottrell, A. (1993b). Calculation, complexity and planning: the socialist calculation debate once again. Review of Political Economy. 5(0), pp. 73–112; Cockshott, P.W., & Cottrell, A. (1999). Economic planning, computers and labor values. N.d.