De vrije samenleving

In het derde en laatste artikel uit deze voor het eerst naar het Nederlands vertaalde serie uit 1881 bedenkt Karl Kautsky zich hoe de samenleving eruit zou zien na de ontbinding van de staat door het te vergelijken met het leven in een Indiase dorpscommune.

De vrije samenleving van de toekomst?

De vrije samenleving van de toekomst?

 

Dit artikel sluit de driedelige serie over de staat af. Kautsky had eerder een uitgebreid opstel geschreven over India wat ongepubliceerd bleef. Het was bedoeld als een hoofdstuk in zijn eerste boek Der Einfluss der Volksvemehrung auf den Fortschritt der Gesellschaft (1880). Later zou Kautsky hier nog goedkeurend naar verwijzen in zijn magnum opus over de materialistische geschiedsopvatting (1927)1. Dit verklaart misschien deels waarom hij besloot om een vergelijking met de Indiase dorpscommune als methode te gebruiken, naast het feit van haar ontwikkelde arbeidsdeling. Of andersom, dit laat juist zien dat India een belangrijke plaats had in Kautsky’s denken met betrekking op de opheffing van de staat.

De vrije samenleving

Zodra de klassenverschillen geëlimineerd zijn, staat de samenleving weer op de grondslag als waar het op stond voordat klassentegenstellingen zich hadden ontwikkeld; de oorspronkelijke stam. De appel valt niet ver van de boom, dezelfde oorzaken hebben dezelfde resultaten ten gevolge, in zoverre als we kunnen stellen dat de verhoudingen van de socialistische klassenloze maatschappij overeenkomen met die van de oorspronkelijke klassenloze maatschappij zullen ze dezelfde aspecten voortbrengen.

Daarom willen we een oorspronkelijke gemeenschap nader bekijken, en kiezen we voor een vergelijking met degene die het meest beïnvloed is door technische vooruitgang, die derhalve de grootste gelijkenis moet tonen met de socialistische vrije samenleving: de Indiase dorpscommune.

Onder de oorspronkelijke gemeenschappen is de Indiase commune degene die het langst is blootgesteld aan de invloeden van beschaving, zonder aan die invloeden te bezwijken. Daar waar de Duitse dorpscommune snel verdween tegenover de Romeinse invloeden, daar waar de Russische dorpscommune vandaag de dag al, na een korte en onvoldoende kennismaking met de West-Europese beschaving in ontbinding is, daar heeft de Indiase dorpscommune voor eeuwen een beschaving in stand gehouden die zichzelf kan meten aan de Romeinse, het heeft tot op vandaag de dag zichzelf gehandhaafd tegenover de buitensporige Engelse invloeden. Het is hieraan te danken dat die Indiërs geen Fellahs zijn geworden, dit was waaraan de Indiase plattelandsbevolking, ondanks het meest ongeremde despotisme, een zekere mate van vrijheid en voorspoed heeft overgehouden. De wissel van ministers, koningen, en dynastieën troffen hen niet; slachtpartijen en plunderingen van de veroveraars kon hen voor een tijd verzwakken, maar niet ontbinden. Noch de Perzen, noch Alexander van Macedonië, noch de dweepzuchtige legers van de profeet, noch de hitsige zwermen Mongolen waren in staat dit baken van Indiase vrijheid en voorspoed tot beven te brengen. De ‘cultuurdragende’ noorderlingen, de Engelsen, lukte het als eerste om vernietiging te zaaien in het oercommunisme en daarmee ellende, tegenspoed en achterlijkheid aan de Indiase mensen over te dragen. Het oorspronkelijke gemeengoed van grond en land bestond zeker niet overal meer toen de Engelsen het Indiase land betraden. Sindsdien heeft het zichzelf steeds verder naar de onbereikbare gebieden teruggetrokken. Maar toch verslaat Nearchos, de admiraal van Alexander, de zogenaamde grote, van Macedonië, dat het land in India niet alleen gemeengoed is maar ook gezamenlijk verbouwt en de oogst verdeeld wordt. In sommige communes kwam je dit tot voor kort nog tegen. Over het algemeen is, echter, niet alleen het gemeenschappelijk verbouwen verdwenen, maar ook de periodieke verdeling hiervan, zoals we zien in de tijd van Tacitus bij de Germanen, en tegenwoordig nog steeds in Rusland en op Java. Het land is vast bezit geworden van families, die het echter wel moeten verbouwen volgens vaste regels. Weilanden, bossen, en onontgonnen gebied zijn vandaag nog steeds gemeengoed waarop alle leden van de commune recht hebben.

De uitvoerende macht van het dorp is of een sheriff, een Patel, of een bestuur van vijf, een panch, die de commune naar buiten toe vertegenwoordigen en instaan voor de dorpspolitie. Zij worden, net als alle andere ambtenaren, verkozen door de gemeenschap, die zo nu en dan bijeenkomt onder een grote boom om verkiezingen te houden, conflicten op te lossen en door beslissingen van verschillende aard hun belangen te beschermen. Hier zijn geen geschillen over bekwaamheid.

Tot zover verschilt de Indiase dorpscommune nergens met de andere oorspronkelijke dorpscommunes. Maar het heeft een hoger niveau van beschaving dan de anderen, en zag zich daardoor gedwongen om de arbeidsdeling in het oercommunisme te introduceren. Het is erin geslaagd dit ook op de meest succesvolle manier te doen.

Ten eerste let het natuurlijk op de natuurlijke behoeften, bovenal dat er landbouw, de meest belangrijke branche van de Indiërs, plaatsvindt. Naast de rekenleider, die de zakelijke bezigheden van de commune moet tabelleren, vinden we twee ‘mannen van de wetenschap’, die, voorzover de Indiase wetenschap dat toelaat, de landbouw moeten beheren. Dan iemand die we een ingenieur zullen noemen. Hij moet toezien op het land om te verzekeren dat de water instellingen in orde zijn en op de juiste manier gebruikt worden, een aangelegenheid die gezien de periodes van droogte in India en de grote hoeveelheid water, nodig voor het verbouwen van rijst, van essentieel belang is2.

Naast een ingenieur is er iemand die we een meteoroloog zullen noemen. Maar met de naïve denkbeelden van de Indiërs is het niet gek dat hij een astroloog is, de kalender-Brahmaan, die moet uitvissen wat de beste dagen zijn voor zaaien, oogsten, dorsen en andere belangrijke ondernemingen.

Naast deze mannen van de ‘wetenschap’, heeft de commune zijn handarbeiders; de smit, de houtbewerker, de wielenmaker, de pottenbakker.

De commune zorgt er echter ook voor dat er behalve rijstproductie ook andere dingen zijn om te eten. Ieder heeft haar veehouder en velen bovendien, voornamelijk vroeger, een visser, een jager en een vogelvanger. Toegegeven, sinds de achtste eeuw v.Chr verboden de Brahmaanse voedselvoorschriften de consumptie van vlees, maar er zijn uitzonderingen; het vlees van roofvogels, sommige vissen, de neushoorn en de krokodil mogen gegeten worden.

Maar men verlangt behalve eten en drinken ook naar zekerheid. De heerschappij van het privaat eigendom buiten de commune leidt tot dieven en rovers. De tallier moet het dorp tegen hen beschermen en zorgen dat reizigers tot de volgende commune veilig begeleid worden. Voor bescherming tegen gevaarlijke diersoorten is er de slangendoder. Degene die ondanks dat alles een ongeluk heeft word genezen door de plaatselijke dokter. Voor gezondheid is niet alleen een dokter nodig, maar ook hygiëne. Om hieraan te voldoen zijn er de kapper en de wasser.

Wanneer iemand veilig en verzadigt is komen er bij hem andere verlangens boven. Hij begint de wereld om hem heen te bestuderen, wil haar wetten herkennen, hij wilt weten. Deze drang naar kennis wordt ook door de commune gevoed, uiteraard op een manier eigen aan het culturele niveau. De oorspronkelijke poging om de wereld om ons heen te verklaren is religie. De Indiër is daarom tevreden met een Brahmaan. Daarnaast is er echter een leraar voor de adolescenten3.

Maar met dit alles is de dorpscommune nog steeds niet tevreden. Het biedt haar inwoners met artistieke geneugten, in zoverre als dat mogelijk is op haar cultureel niveau, met opera, ballet en theater. De commune heeft een muzikant, een danseres en een dichter, die deels zelf gedichten maakt voor festiviteiten, maar in het bijzonder ‘s avonds na het werk de oude heldendichten en legendes voordraagt aan de bijeengekomen commune.

Langs de lijnen van deze commune zal de vrije samenleving worden opgezet. Een overheid bestaat niet in de Indiase commune. De uitvoerende macht is slechts een simpele ambtenaar van de commune, die de andere functionarissen aanstellen, maar zich niet aan onderwerpen. Aan een iedereen is een werkgebied toegekend door de gemeenschap, voor wiens voldoening hij opnieuw verantwoordelijk is. Van een anarchie is geen spoor te bekennen. Net als dat elke familie verplicht is om de grond die aan hen is toegekend te verbouwen, zo is ook elke functionaris verplicht om zijn werk plichtsbewust uit te voeren, zo plichtsbewust als vandaag een ambtenaar dat moet doen. Enkel de anarchistische willekeur van de overheid, om zijn ambtenaren in te zetten in het belang van de heersende klassen voor de onderdrukking van de arbeidersklasse, valt weg, en eveneens de anarchistische willekeur van elke bezitseigenaar om ‘zijn’ mensen naar believen te gebruiken en uit te buiten. Een ieder moet zijn werk doen in het algehele en algemene belang.

Tot nu toe zijn de verhoudingen van de Indiase dorpscommune en de socialistische vrije samenleving dezelfde. Tot nu toe tonen ook hun eigenschappen, die uit beide voortkomen, een gelijkenis.

Maar de historische ontwikkeling heeft verhoudingen geschapen die onbekend waren voor de Indiase dorpscommune, die echter niet genegeerd kunnen worden door de vrije samenleving van de toekomst. Het zou daarom krankzinnig zijn om de laatstgenoemde volledig te plaatsen op de grondslag van de eerste.

De gemeenschap moet de productie organiseren. Maar hoe anders moet deze organisatie wel niet zijn vandaag de dag met het oog op de kolossale ontwikkeling van de moderne technologie. De arbeidsdeling is niet langer verdeeld onder een paar personen, niet eens een paar communes, maar onder een gehele natie, ja zelfs over een heel gebied van naties die behoren tot de moderne cultuur. Als warenproductie is verwijderd en in haar plaats de productie van gebruikswaarden is opgezet, dan zullen, net als in de familie of de Indiase commune, alle arbeidssectoren verenigd moeten worden onder een hogere macht. Dit is niet mogelijk binnen een commune of groep, maar enkel binnen een groter gebied. Dit gebied is aan ons gegeven door historische ontwikkelingen, die provinciale restricties heef opgeheven binnen de natie, met de aanwijzingen van de toekomstige vereniging van naties in een nog grotere eenheid. Enkel op de nationale grondslag, met de opheffing van nationale restricties, kan de vrije samenleving productie organiseren.

En zoals het met de productie gaat, gaat het met de kunst en de wetenschap. De vrije samenleving kan niet wegkomen met een leraar en een Brahmaan, de commune heeft echter in het bijzonder, wanneer de tweedeling tussen stad en platteland is verdwenen, niet de middelen om al haar mensen de hulp van moderne wetenschap, hogescholen, laboratoria, observatoria, medische en landbouwkundige experimentele onderzoeksstations, musea, bibliotheken, etc. te bieden. Opnieuw kan alleen de natie dit. En enkel de natie kan de kunst onderhouden op het niveau dat het heeft bereikt en het brengen tot verdere perfectie.

Het was absurd om van de Indiase commune te verlangen dat het bedrijven zou opzetten op de wijze van Borsig4 en de noodzakelijke machines en grondstoffen zelf zou aanleveren. Het was absurd om van haar te verlangen dat het spoorwegen zou aanleggen naar de omliggende communes en die in gebruik te houden; het was absurd om van haar te verlangen dat het een universiteit zou bouwen met de noodzakelijke medewerkers, en een theater, zowel als het schenken van een gallerie geschikt voor alle behoeften van de moderne kunst. Net zo absurd als deze eisen is echter het neerzetten van de commune als de grondslag van de vrije samenleving. Niet de commune maar de natie zal deze grondslag vormen. Noch het individu, noch de commune zal naar believen zo veel moeten afstaan aan de natie, als zij noodzakelijk achten voor hun eigen welzijn, ze zullen geen ‘vrije’ federatie vormen met een modern contrat social5, maar de natie zal de communes en individuen zoveel vrijheid schenken als het noodzakelijk ziet voor haar welzijn. Niet de voorspoed van het individu, noch de voorspoed van de commune, de voorspoed van de natie zal het hoogste doel zijn van de vrije samenleving, waaraan al het andere ondergeschikt moet zijn. Salus reipublicae suprema lex esto.

De vrije samenleving zal een federatie van naties zijn, en niet van groepen of communes; waarvan de productie wordt overgelaten noch aan vrije keuze noch aan de spontane groepsvorming, zelfs niet aan de puur sociale aantrekkingskracht; in plaats daarvan zal productie worden geplaatst onder een goed georganiseerde administratie.

Het afdoen van de staat, de ontwikkeling van de vrije samenleving is dus geenszins een concessie aan de anarchisten.

(was getekend ‘Symmachos’)

‘Die freie Gesellschaft’ verscheen in Der Sozialdemokrat, Nr. 1, 1882.

 

  1. p. 86 en pp. 223-25 van deel 2, hier https://archive.org/details/DieMaterialistischeGeschichtsauffassung online p. 999 en p. 1135
  2. Elke dorpscommune in India heeft haar irrigatiekanalen en grote water reservoirs voor tijden van droogte. De Engelsen hebben de dorpscommune ontbonden, voornamelijk doordat ze de belastingen niet per dorp maar per individu verdeelden, en doordat ze de grond en aarde van communes toeschreven als bezit van de voormalige belastinginners, de zamindar, om hen een steunpilaarvan de overheid te maken op de wijze van de Engelse adelijke stand. De boeren worden plots van medeleden en medebezitters van een commune gemaakt tot bezitloze huurders door dezelfde mensen, die in London een elf jarig meisje lieten ophangen omdat ze een zakdoek had gestolen. De individuele boer heeft niet langer beschikking tot de middelen om de irrigatiekanalen en reservoirs te onderhouden. De Engelse overheid doet hier niks aan, dus raken ze in verval, en wanneer de tijden van droogte aanbreken, breekt er een verschrikkelijke hongersnood uit, zoals ze nu bijna jaarlijks voorkomen, die echter niet bestonden onder de heerschappij van het communisme

    (Edouard de) Warren in zijn L’Inde Anglaise II. 310: ‘De Engelsen hebben geen waterputten gegraven, geen vijvers aangelegd, geen kanalen opgesteld, geen bruggen gebouwd ten behoeve van hun Indiase subjects. Ze hebben geen straten aangelegd, behalve voor het leger. Men onderneemt niet alleen niks nieuws, maar laat het oude vervallen. Met de vijvers en de kanalen verdwijnt ook de cultuur en de bevolking, het land verandert in een woestijn. In het district van de Madras Presidency, in Noord Arcot, is het aantal poelen wat in een jaar geruïneerd was was niet minder dan 1100, nadat het district voor niet langer dan een kwarteeuw onder Engelse heerschappij stond’. Zo gunstig opereert het privaateigendom!

  3. Zolang de dorpscommune intact was had elk dorp een school. Nu is dat wel anders. De Engelsen doen buitengewoon weinig voor de kinderen van de blanken en de Indo-Europeanen (gemengd). Voor het onderwijs van inheemse bevolking word er zo goed als niks gedaan. In Engels India, wat 200 miljoen mensen telt, gingen er in 1858 166.742 kinderen naar school! Hoe barbaars en vijandig naar cultuur is het communisme!
  4. Een Duits mechanica bedrijf.
  5. Sociaal contract, zie artikel 1