De onderstaande tekst is een vertaling van Adam J. Sacks’ artikel When Social Democracy Was Vibrant, dat op 11 juni 2017 verscheen in het Amerikaanse tijdschrift Jacobin1. Het artikel is gericht op de Duitse sociaaldemocratie in de 19e en 20e eeuw, en wat zij deden aan de opbouw van buitenparlementaire bewegingen. Waar het oorspronkelijke artikel commentaar levert op de huidige situatie in de Verenigde Staten is dit commentaar in de vertaling aangepast en gericht op de huidige situatie in Nederland.

Op 1 mei 1891 kwamen meer dan 1200 leden van de Sociaaldemocratische Partij Duitsland (SPD) bij elkaar in het Ostend theater in Berlijn om een allegorisch stuk op te voeren genaamd “Door strijd naar vrijheid.” Daarna steeg het aantal aanwezigen naar 8000 toen arbeiders en hun gezinnen meededen aan een Waldfest (bosviering) met muziek en satirische poppenspelen. De avond werd afgesloten met vuurwerk en liederen.
De festiviteiten van dat jaar waren geen uitzondering. Ver van een sobere en saaie bedoening, was het leven in de SPD een bruisende en levendige expressie van de waarden van de partij. De sociaaldemocraten begonnen turnverenigingen, wielerclubs, koren en schaakclubs. Ze organiseerden jongerenactiviteiten, openden supermarkten en verzorgden begrafenissen. Ze begonnen bibliotheken en kranten, en organiseerden lezingen. Deze omvangrijke leefwereld representeerde een poging om solidariteit en gemeenschap op te bouwen in het hier en nu, en verrijkte het leven van de arbeiders terwijl ze gezamenlijk een beweging bouwden voor een betere wereld.

Cultuur en welzijn waren volgens de sociaaldemocraten geen burgerlijke zonden. Ook waren het geen afleidingen van de klassenstrijd. Ze waren essentieel om de kracht en capaciteiten van arbeiders, gedehumaniseerd en onteigend door kapitalisme, te versterken.

De innovaties van de partij ontstonden ook uit noodzaak. De partij was aan het einde van de 19e eeuw twaalf jaar lang officieel verboden. De socialisten, zoekend naar een manier om de droom op de een of andere manier levend te houden, werden geconfronteerd met vragen die hun relevantie nog niet hebben verloren: hoe verbeter je het leven van de mensen als je wordt uitgesloten van de macht? Hoe schep je een gemeenschap wanneer elke dramatische verandering van de status quo in de toekomst ligt?

Hoewel ze vandaag slechts een magere afspiegeling zijn van de partij van vroeger –ze bieden tegenwoordig liever bezuinigingen dan verheffing – was het antwoord van de SDP om een “alternatieve samenleving” te creëren. Onderwijl bouwden ze de grootste socialistische partij ter wereld.

De Duitse SPD

Ontstaan in 1875 uit een fusie van twee arbeiderspartijen, was de SPD een van de eerste politieke organisaties geïnspireerd door Marx. Toen de Tweede Internationale in 1889 werd opgericht – in de eerste plaats geleid door Engels zelf – was de SPD de natuurlijke leider van het collectief van socialistische partijen, en leverde ze zowel inspiratie als theoretische scherpte.

Waar de SPD de eerste daadwerkelijke massale arbeiderspartij was, werd ze al snel ook een van de meest onderdrukte. Een verbod kwam in 1878, te danken aan de fel antisocialistische premier Otto Von Bismarck. Zelfs nadat het verbod in 1890 was opgeheven, waren repressie en censuur aan de orde van de dag, en de socialisten werden breed geminacht als onvaderlandslievend en gevaarlijk. “Op economisch, politiek, cultureel en sociaal vlak”, schrijft historicus Gary Steenson, “waren de SPD en de vrije vakbonden paria’s in hun eigen land.”

Het bouwen van een alternatieve publieke ruimte was een vorm van zelfbehoud en een manier om directe voordelen te geven aan hun leden die weinig politieke macht hadden. Ondanks dat het de grootste partij was, werd de SPD in wezen uitgesloten van het wetgevingsproces en had niets te zeggen in de kabinetten en ministeries, die werden gevormd door de Kaiser. Hun volksvertegenwoordigers gebruikten het parlement vooral als platform om socialistische standpunten te verspreiden – bijvoorbeeld het verbreden van het kiesrecht – en om de partij een mate van legitimiteit te geven. Het parlement werd ook gezien als graadmeter van de steun van de massa. Partijleden keken vrolijk toe terwijl het aantal stemmen groeide, en zagen een onverbiddelijke mars naar het socialisme.

Maar ondertussen crepeerden de arbeiders. De partij werkte niet alleen aan een socialistische toekomst, maar ondertussen bouwden ze ook aan een alternatieve socialistische publieke ruimte. Dit deden ze door het opzetten van organisaties die ‘van wieg tot graf’ levens van arbeiders bij elkaar brachten.

Het streven was universele emancipatie in elke zin van het woord. Zonder onderwijs, gezondheidszorg en communicatie met anderen kon er geen sprake zijn van bevrijding. En zonder socialistische organisaties kon de dominante samenleving alle facetten van het leven monopoliseren met haar waarden van concurrentie en chauvinisme.

Een belangrijk ideaal van de sociaaldemocraten was het idee van Bildung. Er bestaat geen simpele Nederlandse vertaling, maar onder Bildung valt zowel onderwijs als zelfactualisatie: je kan een nieuw beeld van jezelf formuleren en het na verloop van tijd door bewuste inspanning bereiken. Voor de sociaaldemocraten betekende het bereiken van socialisme ook het bereiken van Bildung voor iedereen – niet alleen de bevoorrechte klassen. Door de arbeidersklasse, buitengesloten en neergeslagen, te brengen naar de meest verheven gebieden van de samenleving, en ze bloot te stellen aan de voornaamste menselijke prestaties, zouden ze arbeiders in hun waarde stellen en ze verder voorbereiden op volwaardige deelnemers aan het democratisch proces.

Met de tijd zonden deze instituties en gemeenschapsinitiatieven een signaal af van moreel protest tegen een falende samenleving, waar de elite zelfs de meest bescheiden dromen van arbeiders neerdrukte.

Drie clubs

In de kaleidoscoop van initiatieven ter verbetering die de sociaaldemocraten lanceerden, kwamen er drie naar voren als de grootste en meest succesvolle: turnen, koorzang en toneel.

In Duitsland waren de Turnverein lange tijd gemarkeerd door nationalisme. In de loop van de negentiende eeuw, toen de staat steeds agressieve imperialistische doelen nastreefde, werd deze houding alleen maar erger. Toch hadden de socialisten door dat de Turnverein – de bedenkers van de brug met de gelijke leggers en het paardvoltige – niet de plek van reactionairen hoefden te zijn.

Turnverenigingen voor arbeiders doken al op rond 1860, en in 1983 stichtten de sociaaldemocraten een arbeidersgymnastiekvakbond. De leden kwamen drie tot vier keer per jaar samen voor gymnastiek en demonstraties, en elke twee weken waren er lokale turnexcursies. Meestal ontmoetten ze elkaar bij een treinstation aan de rand van de stad, om vervolgens naar een meertje te gaan voor oefeningen en een picnic.

Proletarische wandelclubs waren ook veelvoorkomend; een beroemde club noemde zichzelf “Vrienden van de natuur.” Hun slogan “Vrije bergen, vrije wereld, vrije volkeren” reflecteerde het verlangen om vreugde te wekken uit de natuur maar ook om een alternatief te bieden aan de onderdrukkende voorwaarden van het stadse leven onder kapitalisme. De lange uren en verschrikkelijke leef- en werkomstandigheden van de lagere klassen schreeuwden om herstellende fysieke fitheid. Een sociaaldemocraat zijn betekende dat je toegang had tot een wereld weg van je verschrikkelijke baan.

Arbeiderskoren zijn op eenzelfde manier ontstaan. Koren waren lang het terrein van de kerk, of zelfs het leger. De toenemend nationalistische gelederen sloten vrouwen strikt buiten. Maar de sociaaldemocraten zouden rechts deze vorm van gemeenschap en welzijn niet in een wurggreep laten houden. Ze begonnen zelf gemixte koren en vormden zanggemeenschappen.

Koorzang vormde een ideaal middel om Bildung te verzorgen voor degenen die de kans lange tijd was ontzegd om de muziekgeschiedenis te ontdekken.De verschillende koren haalden net zoveel inspiratie uit het werk van elite componisten als uit klassiekers van de volksmuziek. Hun doel was niet om alles te verwerpen wat de geprivilegeerde klassen hadden geproduceerd, maar om te verzekeren dat iedereen toegang had tot de rijkdommen van de menselijke cultuur.

Eén van de interessantere socialistisch-geïnspireerde koren was het Dokterskoor van Dr Kurt Singer, de officiële muziekcorrespondent van de sociaaldemocratische krant Vorwärts. Bestaande uit Berlijnse medische professionals, waarvan de meeste vrouw waren, bezocht de groep gevangenissen en ziekenhuizen en zamelde geld in voor de wezen en verminkten, waarmee ze sociaaldemocratische waarden brachten naar andere contexten. Recensies spraken van “gloeiende gezichten” en “spontaan applaus” tijdens hun optredens.

Maar misschien wel het kroonjuweel van de publieke ruimte van de sociaaldemocraten was de Volksbühne, ofwel het Volkspodium.

Deze theaterbeweging ontstond uit een discussieclub van vooral beeldhouwers en boekbinders die achterin een Berlijnse club samenkwamen en zichzelf de “Oude tante” noemden om de politie te misleiden. Hieruit ontwikkelde zich geleidelijk een revolutionair nieuw concept in het brengen van cultuur.
Het “Volkspodium” schafte klasse in het theater af: alle plekken kostten evenveel, werden toegewezen door loting, en optredens werden afgestemd op de agenda’s van de arbeidersklasse. Arbeiders die slechthorend of slechtziend waren kregen betere plekken. Fondsen werden verzameld aan het begin van een optreden, schreef historicus Andrew Bonnel, om “kameraden bezig met de strijd voor de eer van alle arbeiders” te steunen.

In veel steden, om te beginnen in Berlijn, creëerden de sociaaldemocraten theaters die gerund werden volgens de principes van het Volkspodium. Het idee was om een arbeiders alternatief te leveren voor het burgerlijke theater – waar luxe en tragisch amusement alleen voor de elite was – en om het culturele aanbod aan te vullen met uitgebreide leermiddelen. Zowel lezingen als gratis boeken zaten altijd bij een theaterabonnement. En de programmering besloeg al snel niet alleen theater maar ook muziek, film, dans en zelfs radio.
Hoewel discussies in het interbellum later de betekenis en het doel van revolutionaire kunst polariseerden – waardoor socialisten zowel cultureel als politiek splitsten – bewaarden de sociaaldemocraten een bewonderenswaardige balans. De ene avond werd het Volkspodium gebruikt voor protesten tegen de politie en vooringenomen rechtbanken; de volgende werd het nieuwe avant-garde naturalisme van Ibsen en Hauptman tentoongesteld.

Het gebrek aan antipathie jegens dit nieuwe modernisme was ook veelzeggend. Ondanks zijn burgerlijke oorsprong durfde naturalisme volgens observanten de “ondragelijke tegenstellingen, waaraan de huidige sociale orde ons onderwerpt” bloot te leggen en de realiteit van armoede te verbeelden. Bij een opvoering van Ibsens Pilaren van de samenleving merkte de Berlijnse modernistische regisseur Otto Brahm dat de houding van Volkspodiumpubliek eerder leek op “kerkelijke verering” dan “Berlijnse ‘premièrestemming’”.

De sociaaldemocraten sloten evenzo klassiekers als Goethe en Beethoven niet uit. Hoewel ze de partij probeerden te distantiëren van “goedgekeurde” culturele goederen, wisten de sociaaldemocraten ook dat het verwerpen van het verleden betekende dat ze de klassiekers volledig aan de aristocratie en burgerij afstonden.
Bij de lunchconcerten speelden enkele van de grootste pianisten uit die tijd, waaronder Artur Schnabel en Leo Kestenberg. Het was bij het Volkspodium waar Schnabel alle tweeëndertig pianosonates van Beethoven speelde, een historische primeur en een persoonlijk hoogtepunt in zijn legendarische carrière. Met zulke optredens hoopte het Volkspium de nieuwe generatie grote artiesten te produceren, uit de gelederen van de arbeidersklasse.

Zelfs de omarming van het woord “Volk” in “Volksbühne” was significant. “Volk” had een nationalistische en zelfs racistische bijklank. De sociaaldemocraten probeerden zich het woord toe te eigenen, door het van zijn reactionaire betekenis te ontdoen en zichzelf af te schilderen als de ware verdedigers van het volk.
Op veel manieren waren de sociaaldemocraten de laatsten die vasthielden aan de humanistische belofte van de Verlichting. Hoewel arbeiders vaak hun pijn en onderdrukking meenamen in het theater, kwamen ze eruit als brandende vlammen met de hoogste ambities van de hele mensheid, klaar om verder te smeden in de toekomst.

Het voorbeeld van de SPD

In 1912 was de SPD de grootste partij in de Duitse Rijksdag en de grootste socialistische partij van Europa. Socialisten over de hele wereld waren jaloers op haar uitgebreide publieke ruimte. Haar electorale steun, ondanks af en toe een tegenvaller, bleef maar groeien.

De Eerste Wereldoorlog maakte daar allemaal een einde aan. Onder invloed van het militarisme dat het continent overspoelde stemden SPD parlementariërs voor oorlogskredieten om het barbaarse conflict te financieren. Hoewel ze de oorlog in de eerste plaats probeerden te rechtvaardigen als een humanitaire interventie ten behoeve van de onderdrukte volkeren van het tsaristische regime – en een anti-oorlog factie splitste zich niet lang daarna af – kondigde de beslissing de dood aan van de Tweede Internationale. Het lichtende voorbeeld van het socialisme keerde zich af van het basisprincipe van proletarisch internationalisme.

Maar de tragische dood van de versie van de SPD ten tijde van de Tweede Internationale zou niet moeten verhullen wat de partij heeft weten te bereiken. Te midden van een intens vijandige samenleving vormden ze, zoals partijtheoreticus Karl Kautsky het op gedenkwaardige wijze zei, een eiland waar ze samen naartoe konden vluchten – een “spiritueel socialistische gemeenschapszin”, in de woorden van anderen.

De koren en turnverenigingen en theaters van de sociaaldemocraten waren geen afwijking van de socialistische beweging. Ze verzorgden de middelen voor zelfbeschikking, en vulden de vele gaten waar de burgerlijke samenleving die had laten vallen voor de arbeiders en de armen. Kautsky en anderen in de partij wisten dat meer ellende de steun voor het socialisme niet zou ondersteunen. Ze zagen de noodzaak, zowel praktisch als ethisch, om onmiddellijke interventies te plegen om de kwaden van een onrechtvaardige samenleving te verzachten.

Vandaag de dag in Nederland krijgen sportclubs in arbeidersgemeenschappen weinig geld. Geld voor kunst en cultuur gaat vaak naar een afgeschermde hoger opgeleide elite. Radicaal onderwijs is vaak verschanst in de academische wereld. Hoge prijzen staan voor de armen in de weg van gezond eten. Geestdodend werk en lange dagen zijn de realiteit voor miljoenen. Gemeenschappen zijn geatomiseerd. En socialistische transformatie is ver weg.

De Duitse SPD, die opereerde in een heel andere omgeving dan het Nederland van de 21e eeuw, liet zien dat het koppelen van politiek en economisch organiseren met cultureel élan socialistische resultaten kan opleveren – en ondertussen het leven van arbeiders op de korte termijn verbetert.

  1. https://jacobinmag.com/2017/11/german-social-democratic-party-second-international-culture