Ingrediënten voor een Europese Lente

“Een volksopstand kent vaste ingrediënten”, schreef NRC.nl bij aanvang van het jaar 2016. Het artikel van journalist Arnold Karskens dat deze ingrediënten toelichtte, moest volgens de nieuwswebsite een waarschuwing zijn dat die volksopstand er ook zou komen. Al heeft dit relaas een kern van waarheid, Karskens slaat de plank geregeld mis.

Journalist Karskens ziet vluchtelingen als bron van instabiliteit en dus van revolutie. Maar vluchtelingen leggen veeleer instabiliteit bloot dan dat ze haar veroorzaken.

Journalist Karskens ziet vluchtelingen als bron van instabiliteit en dus van revolutie. Maar vluchtelingen leggen veeleer instabiliteit bloot dan dat ze haar veroorzaken.

Het artikel van onderzoeksjournalist Arnold Karskens is een welkome aangelegenheid om het eens over de voorwaarden – “ingrediënten” – voor revolutie te hebben. Voor heel wat marxisten is het immers belangrijk om een inschatting te maken van de situatie.

Hoewel ieder werelddeel naar de geografische, natuurlijke en vooral historische omstandigheden eigen condities voor revolutie heeft ontwikkeld, blijft het kapitalisme een vrij universele productiewijze met gemeenschappelijke verhouding. Heel wat condities voor revolutie zijn met andere woorden veralgemeen geldend.

In dit artikel nemen we de opinie van Karskens onder de loep en proberen we zelf lessen te trekken voor een revolutionaire situatie in Europa. In een volgend artikel gaan we dieper in op de algemene voorwaarden voor revolutie om vervolgens te kijken welk van deze voorwaarden op welke manier vervuld zijn in West-Europa.

Extreemrechts

“Een hechte club” of “commandostructuur” die de leiding neemt, is de eerste voorwaarde van Karskens. Voorbeelden daarvan zijn volgens de auteur buitenparlementaire extreemrechtse groepen en nationalistische partijen. Eén van de vele middelen voor deze partijen en groepen om invloed te winnen, is “sturing” via sociale media. Maar waar zijn deze organisaties een uiting van?

“Velen staan huiverig tegenover de komst van […] asielzoekers […] en de demografische gevolgen, namelijk oprukkende islamisering en daarmee gepaard gaand herlevend conservatisme. Steeds openlijker storen Europeanen zich aan het lastigvallen door allochtonen van vrouwen […], het beledigen en bedreigen van homo’s of andersgelovigen als christenen en joden, en moeten leven met angst voor een gecoördineerde terreuraanslag als op 13 november in Parijs met 130 doden.”

Extreem rechts is in Europa (nog) niet de “hechte club” die Karskens meent te zien. Extreem rechts en de nationalistische partijen van Europa blijven relatief verdeeld. De electorale scores voor rechts zijn nog lang niet voldoende voor de meesten onder hen om de macht te grijpen, laat staan een volksopstand te ontketenen. Het electorale succes van deze partijen is meer een reflectie van de eb in de klassenstrijd dan een vloed van conservatief ongenoegen. De mate waarin de aangehaalde huiver tot een kantelmoment leidt, wordt niet helemaal duidelijk uit de analyse.

Maar hoe is het gesteld met de leiding van de revolutionaire factor? Dat er een rechtse onderstroom zou bestaan, een massale beweging die de consensus van de laatste 60 jaar stelselmatig ondermijnt, is veeleer een droom dan realiteit. En rechtse partijen hebben niet kunnen bewijzen leiding te kunnen geven aan een dergelijke onderstroom. Dus een vermeend ongenoegen over de vluchtelingenstroom zal zelden de oorzaak van een revolutie zijn.

De revolutionaire kracht in deze samenleving blijft naar marxistische analyse de arbeidersklasse, die moet strijden voor haar arbeids- en loonvoorwaarden. Zeker in tijden van “soberheid” ontaardt deze strijd in heuse botsingen tussen de arbeidersklasse en het kapitalistische establishment. Maar de gebrekkige organisatie van de klasse – bijvoorbeeld op internationaal of Europees niveau – ondermijnt de ontwikkeling van een echte, klassenbewuste leiding van de arbeidersbeweging.

Het is door dit gebrek dat rechtse partijen zich van tijd tot tijd weten te profileren als behoeders van de levensstandaard van de arbeidersklasse. Ook conservatieve krachten in het Midden-Oosten, zoals de Moslimbroeders in Egypte, konden door de zwakte van de arbeidersbeweging zich opwerpen als leiders van een beweging die bij momenten stuurloos leek. Kortom, zoals eerder aangehaald, is de kracht van extreemrechts een gevolg van de zwakte van de arbeidersbeweging om haar programma uit te voeren.

Jeugdwerkloosheid

Dat brengt ons automatisch bij “economische onvrede”, de tweede voorwaarde van Karskens. Hij schetst het volgende beeld:

“De jeugdwerkloosheid bedraagt in EU-landen als Griekenland en Spanje bijna 50 procent. Laaggeschoolden voelen de concurrentie op de arbeidsmarkt door migranten. Wie in aanmerking wil komen voor sociale huisvesting ziet zijn kansen voorlopig verkeken. Werkloosheidsuitkeringen en pensioenen staan door Europese regelgeving onder druk terwijl de kosten voor de asielopvang schrikbarend groeien. In Nederland verdubbelt sinds 2013 nagenoeg ieder jaar het aantal asielaanvragen, in 2015 tot zo’n 60.000 personen.”

Het zal de lezer ondertussen misschien opgevallen zijn dat asielzoekers en vluchtelingen een motief vormen voor Karskens om het te hebben over ongenoegen. Inderdaad, doorheen heel het artikel – inclusief de foto van de redactie – wordt gepikt op de vluchteling als probleemelement. Echter, zonder veel duiding. Want wat maakt het zo moeilijk samenleven met vluchtelingen? Waarom kunnen ‘rijke landen’ als Duitsland, Nederland of België de stroom ogenschijnlijk niet aan? Waarom is er een ‘vluchtelingencrisis’? Karskens laat dit grotendeels achterwege.

Een deel van het antwoord zit nu net vervat in de “economische onvrede”. De bezuinigingspolitiek van de nationale en Europese regeringen ondergraven stelselmatig de economische draagkracht, en de institutionele organen, die de vluchtelingenstroom moeten kunnen opvangen. Bovendien doen werkloosheid, baanonzekerheid, lage pensioenen, enzoverder onder een deel van de arbeidersklasse het gevoel ontstaan dat de komst van vluchtelingen een bedreiging vormt. Deze laatsten zouden immers bereid zijn om voor lagere lonen en onder slechtere arbeiderscondities te werken.

Deze “economische onvrede” ondermijnt stelselmatig de draagkracht van het establishment. Al heeft dan in de verschillende landen ook verschillende uitingsvormen. In Nederland waait bijvoorbeeld al jaren een anti-Europese wind die in België nauwelijks gevoeld wordt. Daar trekt men veeleer de “communautaire” kaart: Vlamingen tegen Walen en omgekeerd. De ondermijning van de vertrouwde structuren van het establishment, is trouwens een reden te meer voor extreemrechts om ten tonele te verschijnen. En ze is inderdaad een belangrijke voorwaarde voor een revolutie. De omverwerping van de gevestigde orde kan pas als decennia – of eeuwen – van diepgewortelde machtsverhoudingen op de helling komen te staan.

Europa

Dat laatste brengt ons bij de derde voorwaarde, die heet “gebrek aan leiderschap”. Maar de omschrijving van deze voorwaarde is wat misleidend. Karskens heeft het immers over “een wijdverspreid gevoel van onzekerheid door gebrek aan daadkrachtig politiek bestuur”. En dat bestuur is dat van de Europese Unie dat faalt om effectieve maatregelen te nemen, onder andere in het kader van de vluchtelingenstroom vanuit het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Hij verwijst dus niet expliciet naar het voorgaande: de ondermijning van de kapitalistische machtsverhoudingen in het algemeen. En hij verwijst ook niet – het zou anders een tegenstrijdigheid geweest zijn – naar de opkomst van vermeende rechtse commandostructuren. De verwijzing naar de Europese Unie kan echter afgedaan worden als een reflectie van de eerder aangehaalde anti-Europese wind die door Nederland gaat.

Brand

Het vierde ingrediënt is het “incident”: “ieder conflict begint met een incident.” Het is een element dat van weinig uitleg werd voorzien. Karskens verwijst naar de groenteverkoper die zich in Tunesië in brand had gestoken vlak voordat de grote protesten uitbraken. Het is waar dat een “incident” iets in beweging kan zetten. Maar laten we niet vergeten dat er wel elke dag een incident plaatsvindt. Meerdere verkopers hadden zelfmoord gepleegd vooraleer het in Tunesië tot een protestbeweging kwam die de dictator zou omverwerpen.

Het gevaarlijk aan de redenering houdt verband met iets wat de auteur eerder al heeft vermeld: terreur. Terroristische organisaties hebben wel vaker een (zelfmoord)aanslag gepleegd in de hoop dat dit massa’s in beweging zou brengen. Dit is eveneens een “incident”. Dergelijke ‘individuele terreur’ vormt een erg oude tactiek, maar ook hier zien we geen direct verband tussen een actie en het uitbreken van een revolutie. Het aantal acties en terreurdaden samengeteld kan wel onder bepaalde omstandigheden een barometer vormen voor een (pre-)revolutionaire situatie. Maar net als echte barometers is dit geen exact instrument.

Mooi weer

En tot slot “gunstige weersomstandigheden”. Daarbij wordt vreemd genoeg niet gewezen op een droogte die de oogst doet mislukken en mensen massaal van het land in de steden jaagt. Dit wordt geregeld aangehaald als een oorzaak van de burgeroorlog in Syrië: de droogte en verwoestijning van de laatste jaren joeg heel wat plattelandsjongeren naar de steden waar de werkloosheid al vrij hoog was.

Nee, het gaat wat Karskens betreft om het feit dat vluchtelingen gemakkelijk de oversteek naar Europa maken als het weer meezit: “de wind gaat liggen en het zeewater warmt op, wat een succesvolle boottocht verzekert”. Vandaar de voorspelling in de titel van het stuk. In het voorjaar zouden de omstandigheden ideaal zijn. “Zelf schat ik mei 2016”, schrijft Karskens. Dit is echter een vrij irrelevante omstandigheid. Onlangs werd bekend gemaakt dat dagelijks 1700 vluchtelingen de oversteek naar Griekenland maken – midden in de winter.

Zelf al had Karskens het over de andere boeg gegooid en gekeken naar de effecten van de weersomstandigheden op onze sociale- en productieverhoudingen, dan nog moet men erkennen dat vooral landbouwsamenlevingen onderhevig zijn aan het weer, en dat moderne kapitalistische productie zoals in West-Europa weinig te vrezen heeft van droogte of natte als bron voor sociale instabiliteit.

Al kan het indirect wel een rol spelen, bijvoorbeeld door de komst van vluchtelingen.. Maar vluchtelingen leggen veeleer instabiliteit (als gevolg van een kapotbezuinigde samenleving) bloot dan ze instabiliteit veroorzaken.

Welke revolutie?

Hoe ziet de “revolutie” er volgens Karskens uit? Niet zoals die in het Midden-Oosten.

“De strijd in het Midden-Oosten en Noord-Afrika richtte zich in eerste instantie tegen de dictatoriale machthebbers en ontspoorde vervolgens in gevechten tussen sjiieten en soennieten en radicale strijdgroepen onderling.”

Nee, wat Europa, betreft:

“door gebrek aan sterk leiderschap zal de kladderadatsch in Europa vooral een confrontatie zijn tussen voorstanders en tegenstanders van een ruimhartig asielbeleid, tussen islamieten en christenen, joden, seculieren en tussen zwart en wit. Leger en politie staan in het midden.”

Karskens concludeert:

“Onderschat de massaliteit van een mogelijke strijd niet. Verhalen over grootschalige verkrachtingen of een terroristische aanslag kunnen de stoppen ieder moment laten doorslaan. Naast reguliere asielzoekers, die kans maken op een verblijfsstatus, zoals Syriërs, groeit ondertussen de stoet van honderdduizenden uitgeprocedeerde asielzoekers. Frustratie – wegens de afwijzing – en een gerucht over een koranverbranding vormen ook aan die kant een explosief mengsel. De belangrijkste overeenkomst tussen de Arabische Lente en de Europese Lente – ongeacht uiteindelijk resultaat – blijft de les dat iedere rebellie ontstaat door gebrek aan kordaat, eerlijk leiderschap en het veronachtzamen van de eigen bevolking.”

Dat we de massaliteit van de komende strijd niet mogen onderschatten, is een sterk punt. Ondanks de zwakte en verdeeldheid van bijvoorbeeld de Nederlandse arbeidersbeweging, heeft de arbeidersklasse echt wel de potentie om en masse op straat te komen. Zeker als ze opgezweept wordt door massaal georganiseerde arbeiders in landen als België, Frankrijk, Portugal, Spanje, Italië en Griekenland.

Echter, zoals Karskens het betaamt, verwijst hij vooral naar de vluchtelingen die en masse toestromen. Maar eerlijk is eerlijk: ondanks de massa aan vluchtelingen is dit een relatief geatomiseerde groep. De vluchtelingen komen vanuit zoveel verschillende landen, dat het moeilijk spreken is over “de” vluchteling. De revolte in de buitenwijken van Londen een paar jaar geleden, en die van de banlieus in Parijs daarvoor, tonen dat ‘minderheden’ ondanks hun verdeeldheid tot opstand kunnen komen. Maar om te spreken van een Europese Lente zoals de Arabische Lente, is een ander verhaal.

Radicalisme

Voor een antwoord op de vraag of er rebellie komt, moeten we bij onszelf, de eigen arbeidersklasse kijken. Daarin zijn heel wat mensen inderdaad aan het ‘radicaliseren’. Hoewel een klein aantal inderdaad – zoals media en establishment benadrukken – naar Syrië trekken om er in de burgeroorlog te vechten, en hoewel er dan weer anderen zijn die radicaliseren door vluchtelingen te viseren en vreemdelingen aan te vallen, radicaliseren de meesten echter in een geheel andere zin: ze ontwikkelen een antikapitalistisch gevoel.

Acht jaar na het uitbreken van de financieel-economische crisis staat kapitalisme laag in de peilingen. Als zelfs in het kernland van het kapitalisme, de Verenigde Staten, een heuse openheid is voor socialisten zoals Bernie Sanders (de primary’s) of Kshama Sawant (Seattle)… Als het neoliberale Europese establishment zich bedreigd voelt door partijen als Syriza en Podemos en electorale aardverschuivingen in landen als Portugal en Griekenland… dan mag je er donder op zeggen dat er perspectief is om de Europese arbeidersbeweging op antikapitalistische – marxistische – leest te schoeien.

Tot slot: is de les dat “iedere rebellie ontstaat door gebrek aan kordaat, eerlijk leiderschap en het veronachtzamen van de eigen bevolking”? De stelling is te eenzijdig geformuleerd om compleet voor waar aan te nemen, maar ook om het volledig van de hand te doen. Als met rebellie wordt bedoeld een opstand zoals in Londen of Parijs waarbij het vooral om frustratie gaat, dan zit de auteur niet ver van de waarheid

Zowel een gebrekkige leiding van de arbeidersbeweging als de corrupte leiding van het kapitalistische establishment dragen bij aan zulke sociale explosies. Maar wat een revolutie betreft, die veel meer inhoudt dan een sociale explosie hier en daar, is de situatie anders. Een echte revolutie heeft nood aan een leiding om perspectief te bieden. De arbeidersklasse kan de rol van leider nemen voor de mensen die misnoegd zijn over het systeem. Maar binnen die arbeidersklasse is er nood aan een stevige leiding in de vorm van een politieke partij om ook daar perspectief te bieden. Een (succesvolle) revolutie kan in die zin niet zonder leiding.

Maar zit er een revolutie in Europa aan te komen? Het moge duidelijk zijn dat delen van Europa gekenmerkt worden door een prerevolutionaire situatie. De volgende artikels in de reeks zullen dat verder verduidelijken. Van een land als Griekenland kan niemand nog zeggen dat het stabiel is. Maar ook de rest van Europa, neem nu in het geval van een ‘eurocrisis’, heeft heel wat kenmerken van zware instabiliteit.

In welke mate deze prerevolutionaire situatie zich veralgemeent, en kan omslaan in revolutie(s); dat hangt vooral af van de revolutionaire factor – de arbeidersklasse. In die zin is het vandaag dan ook de taak om een revolutionaire, Europese arbeidersbeweging te ontwikkelen. Voor een groot deel van revolutionaire omstandigheden kan de burgerij alvast zorgen, maar de ontwikkeling van een echte Europese arbeidersbeweging zal onze taak zijn.