Recensie: Cory Hochstenbach, Uitgewoond
Recensie: Cory Hochstenbach, Uitgewoond

Recensie: Cory Hochstenbach, Uitgewoond

In deze recensie bespreekt Gerben Zonderland het recent gepubliceerde boek Uitgewoond, waarin Cory Hochstenbach uit de doeken doet hoe de volkshuisvesting langzaam de das om is gedaan, en waarom we dat proces moeten keren.

Een van de problemen waar we in klassenmaatschappijen tegenaan lopen is dat woningen schaars en duur zijn, en veel te vaak slecht ontworpen, gebouwd of onderhouden. Hierover is uiteraard al het nodige geschreven. Een redelijk tijdloze bijdrage is die van Friedrich Engels, in ‘over het woningprobleem’ 1. Hierin schreef hij onder andere dit:

De groei van de hedendaagse grote steden leidt tot een kunstmatige, vaak kolossale verhoging van de grondprijzen in sommige wijken, in het bijzonder in het stadscentrum; de op deze percelen staande gebouwen dragen niet tot deze meerwaarde bij, integendeel, ze verlagen de prijs, omdat ze achterblijven bij de gewijzigde omstandigheden; ze worden afgebroken en door andere vervangen. Allereerst valt dit lot de in het centrum gesitueerde arbeiderswoningen ten deel, waarvan de betaalde huur, zelfs bij een maximale bezetting, nooit of in elk geval heel geleidelijk boven een zeker maximum uit kan stijgen. […] Als gevolg hiervan worden de arbeiders uit de stadscentra naar de periferie verdreven; de arbeiderswoningen en de kleine onderkomens in het algemeen worden zeldzaam en duur of zijn vaak helemaal niet te vinden, omdat in zulke condities de bouwindustrie, die in dure woningen een veel gunstiger speculatieterrein vindt, slechts bij wijze van uitzondering in woningen voor arbeiders voorziet.

In een land waarin Amsterdamse rijtjeshuizen voor een miljoen worden verkocht, grote aantallen woningen worden opgekocht door parasitaire ‘investeerders’ of gesloopt om te worden vervangen door duurdere woningen die meer opleveren, en er nauwelijks betaalbare woningen worden bijgebouwd, is dit zeker herkenbaar.

Wat Engels’ stuk ons in de eerste plaats leert – lees het! 🙂 – is dat hoewel het woonprobleem zeker wel deels kan worden ondervangen binnen het kapitalisme (waardoor het gedurende de vorige eeuw een paar decennia relatief minder groot is geweest) het vraagstuk fundamenteel onoplosbaar is. Dit wordt door heel veel dingen geïllustreerd. Bijvoorbeeld door het feit dat ook in de ‘beste’ periode in Nederland veel van de gebouwde woningen niet of nauwelijks voldeden aan de beste inzichten op gebied van bouwkunde en woningvraag. Door het feit dat verhuizen in en naar sommige regio’s eigenlijk nooit makkelijk is geweest. En door het feit dat hoewel bijvoorbeeld de Amsterdamse School een aantal mooie gebouwen en wijken heeft ontworpen, dit in de geschiedenis eerder de uitzondering dan de regel was. Want er zijn veel meer wijken gebouwd in de stijl van Utrecht Overvecht of de Amsterdamse Bijlmer: woonblokken met slechte (geluids)isolatie, in hoog tempo gebouwd en enkel om mensen in kwijt te kunnen. Dit tempo was onder andere nodig omdat het huisvestingsprobleem werd verergerd doordat (Nederlandse) kapitalisten honderdduizenden ‘gast’arbeiders hierheen haalden om de lonen te drukken en hun omzet verder te doen groeien.

Maar ook door het feit dat er ook in die ‘beste’ periode sprake was van een zo goed als compleet gebrek aan invloed van bewoners op de locaties en op het soort woningen dat wordt opgeleverd; omdat die beslissingen namelijk worden genomen door de opdrachtgever of ‘de investeerder’. En dankzij is het merendeel van de sinds de jaren 70 opgeleverde woningen gebouwd in de stijl van de zieldodend individualiserende, bewust grond- en energie-inefficiënte, meer winst opleverende suburbs (gebouwd in voormalige weilanden): het summum van deze bouwstrategie wordt gevormd door de door velen geprezen ‘Vinexwijken’ vol vrijstaande- of rijtjes-koophuizen, die overdag doodstil zijn omdat je je die huizen alleen kunnen veroorloven door een (fiscale) partner te hebben, en allebei te werken. Met voor iedereen een verplichte omheinde privéachtertuin, meerdere parkeerplekken per woning, en slecht OV dat pas jaren na oplevering begon te rijden.

Echter, na een paar decennia waarin in elk geval nog redelijk werd voorzien in de woonvraag (ook al hadden we weinig invloed op het aanbod) is het vinden van een betaalbare woning door de privatiserings- en afstotingsgolf die in dezelfde periode op gang kwam, ondertussen bijna onmogelijk geworden. Deze privatiseringsgolf kon plaatsvinden omdat iedereen, inclusief pro-kapitalistisch ‘links’, woningbezit begon te bepleiten als ‘verheffend’, terwijl partijen die daar links van zaten, zoals de SP, geen structurele analyse hadden van het woonvraagstuk, waardoor ze hier propagandistisch niks tegenover wisten te zetten. Ze leken niet te begrijpen wat er gaande was, en hoe mensen tegen die culturele en institutionele verandering te organiseren, en organiseerden vooral verzet tegen grote acute problemen (zoals grootschalig achterstallig onderhoud en schimmelproblemen), zonder een brede beweging op te bouwen.

In de aanloop naar de Kamerverkiezingen van 2017 slaagde het SP-campagneteam er zelfs in om het onderwerp zo goed als compleet dood te zwijgen, zodat zelfs D66 een scherper standpunt had (‘100.000 extra sociale huurwoningen’), terwijl de SP ergens halverwege haar verkiezingsprogramma aan kwam zetten met CPB-goedgekeurd gerommel in de marge zoals dat ‘de verhuurdersheffing moet worden omgebogen’ (om de bouw van een ongespecificeerd aantal sociale woningen te financieren), en het ook daarna nog een aantal jaar grotendeels stil bleef over ‘het recht op een huis’.

Hierdoor zien we dat pas nu er door andere organisaties (helaas vaak NGOs) woonprotesten hebben georganiseerd, waarop ook leraren, politie, zorgmedewerkers kwamen opdagen, politici en partijen wat meer over het onderwerp te melden hebben, hierdoor gedwongen doordat de “markt” momenteel zo overduidelijk niet functioneert dat ze het niet aandurven om er compleet over te zwijgen. Al komen ze uiteraard (zoals politici van burgerlijke partijen betaamt zijn, in periodes van zwakte van links) vooral met ‘oplossingen’ aanzetten die het probleem in stand houden of verergeren.

Het falen van antikapitalistisch en marxistisch links om verzet tegen deze ontwikkelingen te organiseren komt in de eerste plaats door een gebrek aan scholing, waardoor organisaties, partijen en bewegingen zich op een ineffectieve manier hebben verzet, en pogingen om dat verzet te organiseren keer op keer stuk lopen. Dit geldt overigens ook voor Kamerleden van de SP, die alle wetswijzigingen hebben zien langskomen, maar die al meer dan 20 jaar compleet falen in het overbrengen van die inzichten naar de rest van de partij (laat staan mensen daarbuiten), en in het organiseren en bundelen van breed verzet tegen die ontwikkelingen. Omdat daar iets aan moet veranderen en ik hoorde dat er eindelijk een boek zou worden gepubliceerd over het woonprobleem heb ik recent Uitgewoond gelezen. Een boek waarin Cody Hochstenbach, een universitair onderzoeker gespecialiseerd in dit onderwerp, een pleidooi houdt voor een nieuwe ‘volkshuisvestingstraditie’, uitlegt hoe de huidige problemen zijn veroorzaakt en wat voor gevolgen die hebben voor mensen.

Omdat hij de maatschappelijke en politieke veranderingen van de afgelopen decennia goed traceert en duidt, vormt Hochstenbachs boek al met al een nuttig beginpunt voor onderzoek en het organiseren van verzet. Zo beschrijft hij goed hoe het ‘maatschappelijk debat’ voor kopen werd aangezwengeld door de verschillende lobbyclubs (denk aan de huizenbezitters-, bouw-, en banken- en hypotheekverstrekkerslobbys) en hoe politici daarop zijn ingesprongen. Hij neemt zijn publiek goed mee in het verhaal hoe we hier zijn gekomen en hoe verworvenheden uit het verleden (zoals social huur voor iedereen die wil, in plaats van als laatste redmiddel voor degenen die echt geen andere optie hebben) uit het zicht verdwenen. Dit laatste wordt mooi geïllustreerd door het volgende citaat, waarin een VVD’er van 30 jaar geleden feitelijk kritischer was over een pestmaatregel zoals de ‘scheefwoonboete’ dan de meeste SP-politici anno 2020 durven te zijn. Hochstenbach:

Je kunt ook de omgekeerde vraag stellen: waarom zouden middeninkomens géén aanspraak mogen maken op een betaalbare huurwoning? Klaarblijkelijk hebben zij daar behoefte aan, anders zouden ze wel voor iets anders kiezen. Dat klinkt eigenlijk best liberaal: keuzevrijheid voorop!
Inderdaad, toen Heerma eind jaren tachtig het idee van scheefwonen introduceerde, was het vooral de vvd die grote moeite had met dit begrip. De liberale partij vond het een vorm van consumptiedwang. Ook als je een wat hoger inkomen had moest je de vrije keuze hebben goedkoop te wonen, om bijvoorbeeld een wat duurdere auto te kunnen aanschaffen of vaker op vakantie te gaan. Mensen dwingen duurder te gaan wonen was betutteling. vvd-Kamerlid en voormalig vicepremier Rudolf de Korte reageerde in 1990 furieus op een voornemen om scheefwoners een extra huurverhoging op te leggen: deze ‘strafbelasting’ was volgens hem een ‘onuitroeibaar socialistisch stokpaard’ (p.154).

In de verschillende hoofdstukken bespreekt hij veelgehoorde propagandakreten zoals: ‘zo werkt de markt nu eenmaal’, ‘kopen is beter dan huren / huren is geld weggooien’, ‘jongeren zijn maar verwend!’, ‘sociale huur is alleen voor de armsten’, ‘sociale huur slurpt geld’, ‘middenhuur is de oplossing!!!’, ‘de regels maken bouwen onmogelijk (duur)’, ‘we hebben investeerders nodig om woningbouw te financieren’, enzovoorts. Tijdens het uitleggen waarom dat leugens zijn, laat hij ook goed zien hoe opvolgende coalities volkshuisvesting hebben afgestoten als publieke taak en huren steeds duurder maken. Bijvoorbeeld door de WOZ-waarde tegenwoordig mee te tellen bij het bepalen van de hoogte van de huur en door de toegang tot sociale huurwoningen sterk in te perken (door een regering die in Brussel lobbyde voor een heel beperkte definitie van wie in aanmerking zou komen voor sociale huur om mensen de particuliere/koopmarkt op te dwingen en om het brede draagvlak voor kwalitatieve, goed betaalbare woningen te doen afbrokkelen; twee doelen die zonder meer zijn bereikt). Die ontwikkelingen zijn overigens een aantal jaar terug deels al besproken in de Groene Amsterdammer maar zoals wel vaker is daar niks mee gebeurd; vermoedelijk omdat mensen die dat blad lezen de wereld niet willen veranderen. 2

Het grootste probleem dat ik met het Hochstenbachs boek heb, betreft de politieke onnozelheid van zijn aanbevelingen, en zijn onwil om te leren van het verleden. Dit blijkt vooral uit het ‘oplossingenhoofdstuk’. Hierin vinden we een samenvatting van de argumenten waarom breed investeren in voor een groot deel van de bevolking toegankelijke woningen – met redelijke huur – een wenselijk streven is waar de politiek nu echt voor zouden moeten gaan. Daarnaast bevat het een enigszins uit het niets komend pleidooi voor nieuwe woon/bezitsvormen zoals ‘wooncoöperaties’, die om onduidelijke redenen compleet anders – en ‘bijzonder inspirerend’ – zouden zijn dan wooncorporaties.
Over die conclusie wil ik drie dingen zeggen.

Als eerste ben ik het uiteraard met Hochstenbach eens dat ‘een fundamentele koerswijziging’ nodig is. Echter, binnen het kapitalisme is een permanente koerswijziging onmogelijk, om de simpele reden dat de bezittende klasse de dienst uitmaakt en er te veel partijen zijn die baat hebben bij het creëren en in stand houden van woningschaarste. Onder andere omdat de onzekerheid die dit veroorzaakt het makkelijker maakt om mensen uit te buiten of op een andere manier te gebruiken. Dit alles terwijl de leiding van burgerlijke partijen niet of nauwelijks ter verantwoording te roepen zijn door de leden van die partijen (voor zover die leden daar pogingen toe doen) en het er de leiding alles aan gelegen is om dat zo te houden.

Daarnaast vind ik het jammer dat Hochstenbach, ondanks dat hij in het boek redelijk duidelijk is over de belangen van verschillende kapitalistische sectoren en hij die belangen in de individuele hoofdstukken in detail benoemt, geen centrale aandacht heeft besteed aan het achterliggende probleem: ‘kapitalisme/klassenpolitiek’. Als gevolg daarvan klaagt hij in het slotwoord bijvoorbeeld ook dat ‘de politiek de privileges van gevestigde groepen zoals rijke woningbezitters met hand en tand zal verdedigen[,] … ten koste van het woonrecht van gemarginaliseerde groepen’ (Hochstenbach gebruikt het woord ‘klasse’ – als hij het al gebruikt – erg losjes) waarmee hij feitelijk afbreuk doet aan het veel complexere verhaal dat hij in de voorgaande hoofdstukken heeft beschreven.

Tot slot, Hochstenbachs plotse pleidooi voor ‘nieuwe organisatievormen’ deed mij erg denken aan de kleinburgerlijke/individualistische oplossingen waar Engels in het bovenaan deze recensie gelinkte stuk al de nodige kritiek op had. Ook toont zijn conclusie aan dat hij politiek gezien niets heeft geleerd van het verleden. Hij komt alleen maar met ‘betere oplossingen’ en lijkt niet te begrijpen dat er binnen het kapitalisme een constant gevaar bestaat van coöptatie en/of afbraak van sympathieke initiatieven, die voortkomt uit het feit dat de mensen die huizen nodig hebben (waarvan het overgrote merendeel wordt gedwongen om hun arbeidskracht te verhuren) politiek niet of nauwelijks georganiseerd zijn.

Wat nodig is is kort gezegd niet ‘dat politici hun werk eindelijk gaan doen.’ A, dat doen ze al, alleen werken ze niet voor ons, b., tenzij we ze daartoe dwingen (door onszelf te organiseren) zullen ze ons blijven negeren, hoe erg ‘gelijk’ we ook hebben; en c., daarmee blijven we afhankelijk van hun ‘goede wil’, die altijd conditioneel is. Domweg hopen dat ‘de organisaties van de toekomst’ dit niet nogmaals zullen laten gebeuren, en/of dat kapitalisten vanaf nu niet meer zullen proberen om de woonvoorraad te privatiseren en vermarkten is grenzeloos naïef. De enige manier om dat te bewerkstelligen en herhaling van zetten te voorkomen is door in te zetten op permanente zelforganisatie van de klasse als klasse, met het woonvraagstuk als één onderdeel van een breder programma. Met als hoofddoel het ontstijgen van de nepdemocratie die het burgerlijke bestel te bieden heeft en het realiseren van een democratische republiek waarin de bezittende klasse niet langer de dienst uitmaakt. Iets wat zal moeten gebeuren in (van de burgerlijke politiek) onafhankelijke partijen en organisaties. Alleen zo kunnen we garanderen dat het probleem blijvend wordt opgelost, in plaats van slechts in zoverre het past binnen het straatje van kapitalistische deelbelangen.

Toch is Uitgewoond voor ons wel een een nuttig boek om te lezen omdat het vanwege de insteek bruikbaar bronmateriaal vormt voor politieke agitatie en propagandawerk, terwijl het ook het bewuste falen en medewerking illustreert van de huidige partijen om verzet te organiseren tegen de afbraak. Dus lees het en ga er iets mee doen, bijvoorbeeld door je aan te sluiten bij een van de werkgroepen rondom ‘wonen’ en bij een samenwerkingsverband zoals De Socialisten, en overtuig de mensen om je heen dat we de strijd moeten verbreden als we echt iets willen bereiken!

  1. https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1872/1872woning.htm
  2. Zie o.a. https://www.groene.nl/artikel/te-duur-om-nog-sociaal-te-zijn