Erik Meijer reageert op het artikel van Daniël de Groot en Roos Woud van 28 juni en zet uitgebreid zijn visie uiteen voor een alternatieve partijstrategie. 

Het commentaar van Daniël de Groot en Roos Woud op Communisme.nu veronderstelt dat ik als langdurig door het parlementarisme bedorven top-SP-er nu heel andere politieke opvattingen verdedig dan de beschreven PSP-trotskist van een halve eeuw geleden. Terecht roept dat dan verbijstering op. Dat etiket van trotskist op mij plakken is overigens wat ongebruikelijk. Zelf heb ik mij nooit zo genoemd, en wie zich wel zo noemen vonden mij altijd meer een uiterst linkse sociaaldemocraat dan een trotskist. Maar het is waar dat ik langdurig leiding gaf aan een sterk door denkbeelden van Trotski beïnvloede partij waarin ik het vaak (maar niet altijd) opnam voor anderen die zichzelf wel nadrukkelijk als trotskist beschouwden. Voor mij is dat geen scheldwoord.

Naar aanleiding van mijn krantenartikel over de recente misgreep van de SP met betrekking tot Europa worden verregaande conclusies getrokken over standpunten die ik verder zou verdedigen. Ik word door de schrijvers kennelijk gezien als net zo fout als de huidige SP-leiding, maar met net wat andere nuances, gericht op een veelheid van niet-revolutionaire hervormingsbewegingen in plaats van op de individuele boze verkiezingsthuisblijver. Zo lees ik dat voor mij de SP niet meer zou zijn dan ‘een merk’ en dat het mij in de eerste plaats gaat om parlementair gewin of populair worden door achter bewegingen aan te lopen. Of dat ik vind dat de partij niet verder moet gaan dan alleen successen willen boeken bij verkiezingen.

Ik zou al die wat slordige veronderstellingen kunnen negeren, in de stijl waarmee leidende SP-ers altijd weigeren om aandacht te besteden aan fundamentele kritiek op hun doen en laten. Die zijn alleen bezig met de (veronderstelde) verwachtingen van de massa, niet met wat doordenkers van haar aanpak vinden. Tot dat soort SP-ers heb ik nooit willen behoren. Niet de loyaliteit van een gesloten groep maar de permanente zoektocht naar het organiseren van bijval voor verbetering was altijd speerpunt in mijn aanpak. Als aanzet tot het overgangsproces van kapitalisme naar socialisme. Ik was nooit de vijand van kritische linkervleugels, zelfs als ik vond dat ze een veel te simpele voorstelling hadden van wat er nodig is voor dat overgangsproces. Zo deed ik dat de afgelopen 60 jaar en dat probeer ik ook nu te blijven doen. Dus maak ik gebruik van het aanbod om te reageren.

Op zoek naar een tegenmacht voor kapitalisme nu.

Het tegendeel van wat in ‘Achter de beweging aan’ wordt verondersteld is het geval. Zulke misverstanden neem ik graag weg door te laten zien hoe ik aankijk tegen de opzienbarende krimp van de lang door grootheidswaan bevlogen SP, hoe mijn vroegere partij PSP meer dan de huidige SP probeerde (mede door frontvorming) stappen vooruit te zetten naar het socialisme, hoe tot kleinere partijen veroordeelde marxisten sinds de scheuring in de rode wereldbeweging dachten over hun samenspel met de sociaaldemocratische massapartijen en welke oplossingen ik zie voor stappen vooruit in de komende decennia. Het lijkt me informatief om hiermee ook te ontsluieren wat eerdere generaties socialisten/communisten in Nederland en elders in Europa hebben uitgeprobeerd en wat daarvan terechtkwam.

We zijn het m.i. eens over het tekortschieten van de Nederlandse en Europese linkerzijde bij het werken aan maatschappijverandering, en over het feit dat helaas ook de SP deel uitmaakt van dat tekortschieten. Mogelijk minder eens zijn we het over wegen die wel kunnen leiden naar die verbetering, met name de verhouding tussen partij en beweging en het omgaan met eenheidsfronten, volksfronten en het gebruik van delen van de bestuursmacht om in de praktijk aan te tonen hoe een betere toekomst eruit kan zien. Het gaat om de zoektocht naar een veranderingsmethode die werkt in een hoogontwikkelde fase van het kapitalisme. Daarin bestaat een veelheid van organisaties die dagelijks bezig zijn met het afremmen van de meedogenloze werking van het kapitalisme, waardoor ze de noodzakelijke leefbaarheid van onze samenleving organiseren. Zonder vakbeweging, milieubeweging, patiëntenverenigingen, huurdersorganisaties, dierenwelzijnsorganisaties, consumentenbeschermers, vredesbeweging en actiegroepen voor internationale solidariteit zou onze wereld er heel wat slechter uitzien. Hun rol is minsten zo belangrijk als die van politieke partijen, maar veel meer toegespitst op afzonderlijke deelterreinen van beleid en sectoren van maatschappelijke strijd. Goed samenspel daarmee is heel wat productiever dan eenzijdig hameren op de unieke positie en de onfeilbaarheid van de eigen partij.

De revolutionaire veranderingsmethode waarmee in 1917 Rusland en in 1949 China in snel tempo iets nieuws werd opgebouwd was altijd al het minst geschikt voor West-Europa en is in de huidige wereld nauwelijks herhaalbaar. Ze ging uit van ongeschoolde en voordien niet georganiseerde massa’s die niets te verliezen hadden en daarom nieuwe vormen van autoritair bestuur stukken beter vonden dan al het voorafgaande. De samenleving waarmee zij afrekenden was niet een geperfectioneerd kapitalisme maar het feodalisme waarbinnen sociaal opklimmen vrijwel onmogelijk was. De meeste toen gestarte verbeteringen hebben die revolutionaire golf niet overleefd. Wat in die toenmalige revolutielanden bleef voortbestaan is alleen een eigengereide bestuurscultuur van machthebbers vol intolerantie voor alles wat als lastig wordt gezien. Wij zullen een betere weg moeten ontwikkelen voor het overgangsproces van kapitalisme naar socialisme. De lezer zal zien dat ik het eens ben met de richting van de kritiek vanuit Communistisch Platform op de koers van de SP maar de bepleite oplossingen soms ontoereikend vind. Aan het slot kom ik daarop terug.

De SP als partij die boven alles heel groot wilde zijn.

Linkse politiek bestaat in de eerste plaats uit het opbouwen van meerderheden voor sociale en ecologische verbetering, het winnen van de massa voor collectieve in plaats van individualistische en marktgerichte oplossingen. Kiezers hebben niet genoeg aan geklaag over de machthebbers maar willen daadwerkelijke verandering. ‘Samen op weg naar iets beters’ is het gevoel waaraan linkse partijen bijval en resultaat kunnen ontlenen. Daarmee moet je het conflict durven aangaan met de politieke rechterzijde en grote internationale ondernemingen die het opvoeren van hun bedrijfswinsten tot hoofddoel hebben verheven. Binnen links bestaan vanouds verschillende stromingen. Het meest links zijn degenen die de klassentegenstellingen volledig willen opheffen door de productiemiddelen in gemeenschapsbezit en onder gezamenlijke zeggenschap te brengen.

Wat linkse partijen aan zulke ontwikkelingen bijdragen is vaak niet geweldig. Van vrijwel elke partij blijft onduidelijk hoe Nederland, Europa of de wereld eruit gaat zien als zij het straks alleen voor het zeggen krijgt. Ze zijn bezig met allerlei zijwegen, meer gericht op het aanzien van de eigen organisatie, het afbakenen van eigen invloedssferen en het promoten van de eigen voorlieden dan op verandering van de samenleving. De SP maakte daarop helaas geen uitzondering; zij werkte niet aan zo’n revolutionaire ontwikkeling en ook de door haar gesloten bestuurscoalitieakkoorden waren meestal niet gericht op het starten van grote veranderingen. Ze liet vooral zien dat ze gewoon een partij was zoals de anderen, maar aangekleed met meer activisme en meer belangstelling voor de verkiezingsthuisblijver. Positief is wel dat zij actiever dan anderen opkomt voor groepen mensen die het meest worden benadeeld door het kapitalisme en dat ze meer dan de meeste anderen vraagtekens durft te zetten bij de vanzelfsprekendheid van winst, markt, verdienmodellen en oorlogsdreiging.

Groot zijn was jarenlang het meest uitgesproken hoofddoel van de SP, het minst veranderbare partijkenmerk. Wat zij doet of achterwege laat wordt altijd gemeten aan de vraag of je daardoor groter wordt of kleiner. Dit is jarenlang goed gegaan, maar het wordt steeds moeilijker als je vooral moet concurreren met andere boze partijen die buiten het machtssysteem staan of als de politieke aandacht steeds vaker wordt toegespitst op zaken waarin de SP geen grote of winnende rol speelt. Bij de statenverkiezingen maart 2019 ging het vooral om klimaat en vluchtelingen, en daarmee tussen Groen Links en Forum voor Democratie. ‘Het waren niet ónze verkiezingen!’ was de achterafconclusie van de SP-aanvoerster. In mei 2019 werden met betrekking tot ons omgaan met de Europese Unie en de aantrekkingskracht van PvdA-er Frans Timmermans foute inschattingen gemaakt die een ongekend dieptepunt opleverden. En in opiniepeilingen staan we inmiddels stabiel rond zeven kamerzetels, het vaste plafond van de voormalige CPN en de helft van wat we na onze eerdere verliezen in 2010 en 2017 nog binnenhaalden.

Het aanzien van de partij zelf was altijd het belangrijkste, veel meer dan de door haar bij maatschappijverandering geboekte stappen vooruit en de verdere ontwikkeling van onze samenleving in de richting van het socialisme. Zij wilde niet persé de meest linkse van links zijn maar hoe dan ook de grootste, linksom of rechtsom. Alleen het feit dat de SP groot was en weldra de allergrootste zou zijn was de maatstaf voor haar succes en de voornaamste rechtvaardiging voor haar afzonderlijke bestaan naast PvdA en GroenLinks. Die anderen waren krimpende prutsers, wij de echte volkspartij die altijd precies wist wat gewone mensen wilden. Wij legden ons oor te luisteren in buurten en bedrijfskantines en volgden opiniepeilingen, zij waren elitaire bestuursidioten die waren losgeraakt van de massa. De SP eiste weliswaar voortdurend de regeermacht op maar wachtte liever nog even een kamerperiode met regeringsdeelname totdat zij straks zelf als allergrootste de minister-president mocht gaan leveren.

Vooruitlopend daarop deden we dus voorlopig liever niet aan een bondgenotenpolitiek met andere linkse krachten. Bondgenootschappen konden alleen maar onze glansrol beschadigen en onze groeikansen vertragen. Dus namen we ook niet de leiding in een breed front voor verbetering, een mobilisatie van zorgzaam links tegenover zorgeloos rechts. In 2015 – toen we door het wegvagen van onzeker GroenLinks in 2012 en de daarop volgende krimp van de ontspoorde regeringspartij PvdA zelf even de grootste van links waren geworden – hadden we daartoe de beste kans. Toen wij dat verzuimden was het GroenLinks dat die kans greep. Hun opvallende winst van 10 zetels in 2017 ging niet in de eerste plaats over de actualiteit van het klimaat maar over hun tegen de VVD gerichte veranderingsregering waarin kandidaat-premier Jesse Klaver PvdA en SP als beste bondgenoten wilde meenemen. Hij deed wat wijzelf hadden kunnen doen, maar niet aandurfden. Het enige wat we na lang aarzelen uiteindelijk wel deden was voor het eerst de VVD als regeringspartner uitsluiten, helaas zonder ook meteen aan te geven wat we dan wél wilden. Eigenlijk zaten we vanwege onze provinciale coalitiecompromissen al bijna vast aan een komende regering VVD-CDA-D66-SP, maar de GroenLinkse concurrentie noodzaakte ons om aan de vooravond van ons verkiezingscongres 2017 eindelijk demonstratief met de VVD te breken. Zonder die tijdige stap was onze afgang nog veel groter geweest.

Een kleine SP kon vrijwel niemand zich meer voorstellen; die had in de heersende opvattingen geen enkel bestaansrecht. Daarom namen we ook liever niet deel aan gemeenteraadsverkiezingen in plaatsen waar we zoals de vroegere CPN of PSP slechts één zeteltje konden verwachten als woordvoerder vanuit een kleine partijafdeling. Wij wilden meteen met grote aantallen binnenstormen, waarna het plaatselijke debat alleen nog maar over ons zou gaan. We hebben daarmee een aanhang om ons heen verzameld die juist dat groot zijn altijd heel belangrijk vond. Als je traditionele socialisten vroeg wat hun hoofddoel is zouden ze ongeveer het volgende zeggen: ‘De economie onder gemeenschapscontrole brengen, zodat grote bedrijven niet langer in staat zijn om voor hen gunstige wetgeving en belastingverlaging af te dwingen, te verhuizen naar lage lonen landen of winsten weg te sluizen naar belastingparadijzen’. Zolang de SP bleef groeien, dus voor de terugval vanaf 2010, was het antwoord van veel SP-ers op diezelfde vraag een heel andere: ‘nòg groter worden!’.

Weghouden van te linkse stromingen en actiepunten.

Groot worden was niet langer middel maar doel. Een onmisbare bestaansvoorwaarde voor de partij van de massalijn. En anders dan verwante buitenlandse partijen wilden we geen aansluiting bij de SP van meer openlijk revolutionair gezinde groepen die met hun vergezichten naar buiten treden, want dat zou ons kunnen worden verweten bij ledenwerving, bij coalitievorming met anderen en vooral bij onze komende toetreding tot een regering. Daarom werd de uit de PvdA overgenomen marxistische stroming ‘Offensief’ actief tegengewerkt en mochten de Internationale Socialisten zich uiteindelijk niet collectief bij de SP aansluiten. Daarom ook hield partijvoorzitter Jan Marijnissen rond 2000 in het partijbestuur onverwacht een donderspeech tegen door hem niet bij naam genoemde ongure elementen die niet pasten in de parlementaire weg en de rechtsstaat, en dus ook niet in de SP. Om groot te worden moest de SP bewijzen dat zij een keurige gematigde hervormingspartij was. Maar ondertussen kon zij nog helemaal niets hervormen.

De SP zag zichzelf als de partij die straks minstens 40 zetels in de Tweede Kamer zou oogsten en zeker zes in het Europees Parlement (EP). Na haar eerste nederlaag in 2010 werd ze de partij die trots al de helft van de Nederlandse provincies meeregeerde en alle steden langs snelweg A-2. De onverbiddelijke groeier die niet was opgericht om klein te blijven en die straks als grootste partij van het land elke mogelijke regeringscoalitie naar haar hand zou kunnen zetten. Zo nodig zelfs in een coalitie met tegenpool VVD en zonder die lastige arrogante linkse bondgenootjes PvdA en GroenLinks erbij. Eigenlijk deed ze wat coalitievorming betreft niets anders dan wat ze terecht de PvdA verweet.

Iedere linkse partij wilde zo graag bestuurlijk samenwerken met de groot geworden VVD dat die partij vrijelijk kon uitkiezen van welke potentiële linkse partner ze de minste overlast verwachtte. Linkse verdeeldheid bood haar een buitenkansje, want al die linkse partijen waren samen wel groter dan zijzelf maar afzonderlijk kleiner. Waar een rechtse coalitie niet lukte bedreef ze ruilhandel naar links door op enkele onderdelen tijdelijk in te stemmen met een sterke afwijking van het door haarzelf beoogde beleid. Zelf kon ze tevreden zijn over de voornaamste effecten op de lange termijn, de lastige linkse partner mocht tevreden worden gesteld  met wat deelsuccesjes voor de korte termijn. In dat VVD-model ging na 2011 de SP zonder linkse bondgenoten Amsterdam en vier provincies meebesturen. De PvdA mocht vanaf 2012 vijf jaar lang zonder linkse bondgenoten als juniorpartner de centrale staatsmacht delen met de VVD. Ook verschrompeld GroenLinks, dat al eerder in gemeenten en de provincie Noord-Holland door rechts beheerste coalities aan een meerderheid had geholpen en lang riep dat het zich anders dan de voorloperpartijen niet liet opsluiten ter linkerzijde van de PvdA, wekte heel lang de indruk voor die meegaandheid geen enkel alternatief te zien. Pas vanaf 2016 zou daar een andere visie doorbreken.

Alles wat de SP deed of naliet was toegespitst op groot worden en kunnen meebesturen in de meest uiteenlopende coalities. Omstreden punten als republiek, nieuwe overheidsbedrijven, nationalisatie van banken en grote industrieën, bedrijfsdemocratie, uittreden uit de NATO, vluchtelingenopvang, rekeningrijden, gratis openbaar vervoer, basisinkomen, inkomensoverdrachten naar armere landen, grenzen aan de economische groei, bestrijding van luchtvaartoverlast, verontwaardiging over Zwarte Piet, windmolens of een hoog belastingniveau om een sterke publieke sector te kunnen betalen moesten uit de aandacht verdwijnen, want die stonden onze oneindige kiezersgroei en coalitiesoepelheid in de weg. Zulke opvattingen werden wel gerespecteerd als sympathieke individuele hobby’s van onze leden, maar beschouwd als schadelijk voor onze gezamenlijke aantrekkingskracht op het grote publiek en de weg naar de macht.

In plaats daarvan combineerden we compromisrijk meebesturen aan de top met eindeloze reeksen boze acties aan de basis, waarmee we ook de niet-kiezer aan ons hoopten te binden. We vergaten dat de mensen alleen houden van gewonnen acties, en die overwinningen wisten we meestal niet te oogsten. Dankzij haar superieure strategie dacht de SP dat ze het veel beter zou gaan doen dan de eerder ter linkerzijde van de PvdA stukgelopen CPN en PSP. Ze keek ook verwaand neer op al die stuntelende buitenlandse partijen van het soort CPN en PSP waarmee we samen in het EP deel uitmaakten van de meest linkse fractie GUE/NGL, die ooit ‘Communisten en aanverwanten’ heette. Eigenlijk voelden we onszelf zo superieur dat we niet eens van die fractie deel wilden uitmaken maar als ongebondenen onze handen volledig wilden vrijhouden. Dat we er desondanks toch wel toe behoorden heb ik in 1999 doorgezet tegen een boze partijvoorzitter in, overigens uiteindelijk met steun van een meerderheid in het partijbestuur.

Uiteenlopende recepten na de dreun.

Die beoogde machtige super-zelfbewuste SP kreeg in 2010 haar eerste dreun en bleek in 2018 en vooral 2019 opeens als grote partij niet meer te bestaan. Dat schept ruimte voor uiteenlopende recepten voor het vervolg. Ik verwacht dat die ter linkerzijde in hoofdzaak zullen neerkomen op een meer op frontvorming gericht PSP-model, een meer op permanente belangenstrijd gericht CPN-model of een model ontleend aan revolutionaire groepen die nooit de kiesdeler haalden en daarover eigenlijk niet zo rouwig zijn. De uiteenlopende modellen van PSP en CPN komen uiteindelijk neer op meedoen in of steun geven aan een zo links mogelijke coalitie als alternatief voor een rol als eeuwige buitenstaander.

 Er kunnen ook heel andere (veel minder linkse) varianten opborrelen waarin niet rechts en het grootkapitaal de vijand zijn maar allerlei gehate elites. In zulke varianten willen we wel erg graag regeren, maar liever niet met betweterige linkse maatschappijveranderaars. Als getalsmatig daarvoor bondgenoten nodig zijn krijgen boze anti-eshtablishment-partijen als partners de voorkeur. Zo’n aanpak lijkt meer op de in 2009 opgerichte Italiaanse Vijfsterrenbeweging (M5S). Dat is een tot 32,7% opgeklommen provocerende sektarische internetforumpartij vol groene en linkse meningen. Die heeft geen wortels in de vakbeweging maar is in de eerste plaats een beweging tegen alle mogelijke elites en regenten, zonder heldere toekomstideeën. Net als de SP wilde ze tot elke prijs groot worden en was ze vooral succesvol is in katholieke gebieden die vroeger absoluut niet links stemden. Zij haat boven alles de voorheen regerende vroegere communistische massapartij (PCI met op haar top 35%), die nu is veranderd in de sociaaldemocratische PD. Ze wilde de in 2013 en 2018 ontstane linkse parlementsmeerderheid niet gebruiken om samen met die PD een regering te vormen. Vanuit haar populisme vormde ze liever een regering die meer te vergelijken is met een voor ons onvoorstelbare combinatie van SP en PVV. Sinds ze zelf de grootste regeringspartij is wordt ze weggedrukt door haar vooral tegen immigranten gerichte rechts-populistische regeringspartner Lega, bondgenoot van PVV, VB, FN, FPÖ en andere meest rechtse partijen in Europa.

De komende interne SP-discussie zal waarschijnlijk niet worden gevoerd in de openheid en breedheid die nodig is om tot een goed afgewogen en door ieder gedragen resultaat te komen maar een snelle momentopname worden. Hoofdvragen daarbij zijn: willen we toegejuicht worden als meest populistische partij of zien we onszelf meer als een doelgerichte veranderingsmachine? Waarin verschillen we van overig links en waarin stemmen we overeen? Willen we leren uit de rijke geschiedenis van de Europese arbeidersbeweging en de huidige praktijk in andere landen of menen we zelf alles al veel beter te weten? Denken we grote veranderingen op eigen kracht tot stand te kunnen brengen of alleen als onderdeel van een breed meerderheidsfront voor maatschappijverbetering?

Ik verwacht dat de partijleiding nu vooral op zoek gaat naar recepten om hoe dan ook opnieuw heel groot te worden. Veel kritische SP-leden zijn daarop niet toegespitst en denken vooral aan heel andere zaken. Die vragen meer aandacht voor partijdemocratie, actie op verwaarloosde terreinen of grootse toekomstvisies. Deze aanzwellende kritiek op keuzes van strijdpunten, de wijze van interne besluitvorming of de arrogantie van vooraanstaande partijgenoten zal worden afgedaan als onnodig storend gezeur, zelfs oprecht gezien worden als het recept voor een verwoestende chaos. Maar voor alternatieve recepten om toch nog groot en invloedrijk te worden zal waarschijnlijk meer serieuze belangstelling blijven bestaan. De partij blijft permanent op zoek naar een succesformule. Als de ene niet voldoet zoeken we een andere, zo nodig met sprongen van het ene uiterste naar het andere. Wie het meest overtuigend laat zien het recept te hebben om de partij opnieuw groot en leidend te maken kan straks als voorlopige overwinnaar in de interne partijstrijd uit de bus komen. En als dat recept toch onvoldoende blijkt te werken doen we het straks weer helemaal anders.

Binnen andere partijen gaat dat overigens meestal niet veel anders. Ook bij de vernieuwing van PvdA en GroenLinks gaat het om het vinden van het recept dat die partij tot grootste maakt. Zij beseffen dat de SP jarenlang heeft voorzien in twee van hun tekortkomingen: het oppeppen van activisme en het opkomen voor gewone mensen. Daarom hebben ze veel van vroegere SP-successen afgekeken. Nu proberen ze ons te overbieden door een optimistischer toekomstvisie. Hun imago wordt dat zij Nederland, Europa en de wereld daadwerkelijk gaan verbeteren, zonder revolutie maar wel zo nodig door de grenzen van het kapitalisme op te zoeken. Zelfs zozeer dat daarnaast een afzonderlijke SP als verkiezingspartij steeds minder nodig lijkt. Ze geven de SP de keuze tussen als derde partner meedoen aan hun gezamenlijke vooruitgangsproject of zelf verder in nutteloze eenzaamheid verschrompelen.

Mensen die linksaf willen kiezen vooral de partij die op dat moment de leiding neemt in dat veranderingsproces. Aan de Nederlandse  linkerzijde had de SDAP die zuigkracht in het eerste kwart van de twintigste eeuw, de CPN meteen na de tweede wereldoorlog, de PSP in de roerige jaren ’60, een door Nieuw Links vernieuwde PvdA in de jaren ’70 en ’80, de SP rond de jongste eeuwwisseling en GroenLinks sinds 2017. Steeds ging het bij al die groeipartijen om eenzelfde soort enthousiaste aanhang met eenzelfde maatschappijkritiek en eenzelfde wil tot verandering. Die aanhang koos niet zozeer voor partijloyaliteit of voor een bekend geworden aanvoerder maar voor een veranderingsgolf, een snelle ingrijpende omslag naar links. Aan die omslag en de voorbereiding daarvan wilde ze graag meedoen, maar vooral niet aan een uitzichtloze linkse stammenstrijd of aan het steeds maar weer tegen beter weten in loyaal volgen van propagandacampagnes. Het verslaan van de echte tegenstander vonden ze belangrijk, niet het eeuwige geruzie met de naaste buren.

De SP schatte die werkelijkheid anders in en dacht ongeacht de eigen koers zelf eeuwig groot en belangrijk te kunnen zijn. Ze werd verrast toen haar eigen groeiruimte onverwacht sterk afnam. Partijen zijn net als voetbalclubs; ieder is vooraf zelfverzekerd om elke eerstvolgende wedstrijd te winnen maar daarna is de verliezer uitgeschakeld. Als verliezer komt de SP nog even in de publiciteit, daarna wordt het stil. Vervolgnieuws gaat niet meer over een nuttige rol of toekomstperspectieven maar alleen nog over wie er ruzie maakt, aftreedt of wegloopt. Media zijn dan alleen nog geïnteresseerd in de vorderingen van het ondergangsproces. Het was vooral deze trend die ik tijdig wilde helpen doorbreken.

Mijn Volkskrantartikel en de rol van een kleine partij. 

Vanuit dit wedstrijdgevoel, dat redelijk aansluit bij hoe journalisten en veel krantenlezers over partijen denken, schreef ik het artikel in De Volkskrant. Dat kon niet meer bevatten dan het meest actuele fragment van de problemen. Ik maakte daarmee publiek dat de SP oprecht handelde vanuit de vaste wil om heel groot te zijn, hoe haar inhoudelijke politieke keuzes steeds meer werden bepaald door dat verlangen, hoe ze aanvankelijk door het aanboren van bijval vanuit brede organisaties in Europa successen kon boeken, hoe dat vervolgens door een herhaaldelijk foute inschatting met betrekking tot de publieke belangstelling voor Europa volkomen mislukte, en hoe ze nu hard op zoek moet naar betere manieren om straks weer iets van haar oude grootzijnsideaal terug te winnen. Ik sprak de verwachting uit dat de SP, bij overleven, de EP-verkiezingen van 2024 heel anders zal aanpakken, meer volgens de succesformule van 1999 en 2004. Kortom, de SP is niet definitief voorbij maar kan haar leven beteren en weer nuttig worden.

Dat altijd groot willen worden als eerste prioriteit is niet door mij bedacht maar aangetroffen. Ik merkte dat iedere twijfel daarover binnen het partijkader als deloyaal wordt beschouwd. Ik ben absoluut geen tegenstander van een grote partij als dat groot zijn overeenstemt met klasse-bewustzijn, veranderings-wil en toekomstoptimisme. Maar die voorwaarden ontbraken, dus dat groot zijn was nogal kunstmatig en labiel. Voor je invloed op volksvertegenwoordiging en overheidsbestuur kan het heel handig zijn als je zelf groot bent, maar het heeft ook nadelen. Ik denk zelfs dat het eenzijdige streven om een partij heel groot te maken haar eigen doelstellingen en strijdmogelijkheden ernstig kan beschadigen. Om groot te kunnen blijven moet je vaak met alle winden meewaaien, om het steeds zo veel mogelijk kiezers naar de zin te maken en een machtige indruk te wekken in de media.

Om veranderingsmacht te verwerven zijn er andere middelen dan zelf supergroot zijn. Voor mij liggen de prioriteiten niet in de eerste plaats bij het tot elke prijs heel groot maken van je eigen verkiezingspartij. Zelf gaf ik lang leiding aan een partij die meestal niet veel groter was dan wat de SP bij de recentste verkiezingen landelijk overhield, hoewel ze in de grootste steden vaak wel wat sterker was. Ik heb het opbouwen van een meerderheidsstrategie in een eenheidsfront samen met anderen altijd veel belangrijker gevonden. Niet de partij hoeft supergroot te zijn en afzonderlijk op de drempel van de staatsmacht te staan, maar wel het pluriforme eenheidsfront voor verbetering daaromheen. Voor het toewerken naar verdergaande socialistische doelstellingen heb je genoeg aan een kleine trekker die in de strijd en in het politieke debat bewondering en invloed verwerft bij de massa-aanhang van PvdA en vakbeweging en daarmee voortdurend een goed samenspel zoekt. Zo’n herkenbare veranderingspartij blijkt vaak veel effectiever voor invloed op de samenleving dan zelf log en parlementaristisch worden. Maar die invloed vereist wel dat je altijd heel ver weg blijft van je gehaat maken door arrogantie, cynisme, eigenbelang, provocatie en sektarisme. Je hoofdtaak is aantonen hoe het beter kan en daar samen met anderen de schouders onder zetten.

De SP is momenteel een partij in verval. Ons ledental steeg eerst van 17.000 naar boven de 50.000 en daalde vervolgens naar onder de 35.000. Ons kiezerspercentage daalde in 13 jaar van 16,6% naar 3,4%, dus terugval naar een-vijfde. Vooral de laatste maanden in 2019 ging het snel, van 5,9% in maart (goed voor 9 TK-zetels) naar 3,4% in mei (goed voor 5 TK-zetels). In de publieke opinie ontstaat het beeld dat de SP voorgoed kopje onder is gegaan en geen serieuze rol meer zal spelen in de verdere ontwikkeling naar links. Wie maatschappijverbetering wil gaat dan ergens anders op zoek.

Als ik alarm sla en daarbij verwijs naar het voortdurend dalende aandeel onder de kiezers heeft dat een heel andere reden dan een verondersteld parlementarisme of een bestuurdersverslaving. Met 3,4% of zelfs minder kun je ook nuttig werk doen, maar dan ben je voor het grote publiek, voor buitenparlementaire organisaties, voor de media en voor de machtsverhoudingen wel een volstrekt ander soort partij geworden. Geen dominante volkspartij waar ieder op let maar in de politieke machtsstrijd een door velen als onbelangrijk beschouwd randverschijnsel. Een onmachtig keffertje  dat blij mag zijn als het toch nog door anderen wordt uitgenodigd tot meedoen. Niet de partij van de volgende premier maar een clubje dat het vooral moet hebben van het zelfvertrouwen en de zelfpromotie van een kleine onwankelbare aanhang. Met het risico dat ze naarmate ze kleiner is steeds meer overtuigd raakt van haar uiteindelijke overwinning, dus losgezongen raakt van de werkelijkheid.

De SP is al eerder klein geweest, een kleine activistische strijdpartij met revolutionaire doelstellingen die bij vijf opeenvolgende kamerverkiezingen (tussen 1977 en 1989) telkens nul zetels behaalde. Maar toen werd ze na ruim 20 jaar stagnatie toch nog een aanzuigende groeipartij die de buitenwereld steeds meer ging imponeren. Ze begon bij te leren uit de praktijk van de strijd, uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging en van verwanten in het buitenland. Zo werd ze steeds meer het gezamenlijke dak voor mensen met uiteenlopende ervaringen en contacten. Ze boorde alle in en rondom de partij aanwezige kennis aan. Dat leerproces en die verbreding lijken nu volkomen tot stilstand gekomen. Laten we aan de hand van de recente geschiedenis bekijken hoe dat komt.

 

Van maoïsme tot permanente zoektocht. 

 

SP-voorlopers in de jaren ’60 (MLCN) hadden een voorgeschiedenis in CPN, PSP en PvdA. Zij behoorden tot het ongeduldige soort leden dat vindt dat de partijleiding faalt en te weinig vooruitgang boekt, en dat ze het zelf veel beter kunnen. De oplossing daarvoor zagen ze in imitatie van een buiten-Europees model van ‘massalijn’ en ‘dien het volk’, de bewezen weg naar de onverbiddelijke overwinning. Die werkwijze was ontleend aan de door Mao Zedong aangevoerde bittere bevrijdingsstrijd van de massa’s landloze boeren in het verpauperde en bezette China van de jaren ’30 en ’40, die in 1949 werd bekroond met het uitroepen van de Chinese Volksrepubliek. Daar waren de communisten erin geslaagd om de breedst mogelijke doelgroep ooit aan te boren, een bevolkingsmeerderheid die belang had bij ingrijpende wijziging van de eigendomsverhoudingen, nationale bevrijding en economische ontwikkeling. Dit model was op maat gesneden voor het China van toen, maar absoluut niet toegespitst op West-Europa met een veelheid van organisaties en ideeën binnen een ontwikkelde stedelijke arbeidersklasse.

Het belangrijkste kenmerk van die Chinese aanpak was het ontbreken van elk vertrouwen in de bij ons gangbare traditionele methoden van maatschappijverbetering. Zij verwachtten niets van kritische intellectuelen, liefdadigheidsinstellingen, individuele mensenrechten, sociale wetenschappen, parlementair werk, sociaaldemocratische hervormers, toekomstutopieën of vakbondsleiders. Door Mao geïnspireerde strijdbewegingen geloofden alleen in vertrouwen op eigen kracht en zelf georganiseerd compromisloos verzet van onderop. In zo’n model staat het eigen partijmonopolie in de bevrijdingsstrijd voorop. Het leverde het model op van de één-partij-staat, waarin die enige partij pretendeert alles te doen in het belang van de massa. Zij rechtvaardigt haar macht als beschermer van de massa tegen de gezamenlijke vijand, maar ontaardt in de praktijk vaak langzaamaan in een oncontroleerbare gemilitariseerde profiteurskliek die zich door niemand laat corrigeren of afzetten.

Dit in 1964 in Nederland geïmporteerde maoïstische model was wel een aanjager van activisme en opofferingsgezindheid, maar bleek hier in verkiezingen nauwelijks blijvende bijval op te leveren. Tussen 1978 en 1989 ging veel ervan geleidelijk de vuilnisbak in en daarna begon de SP de ervaringen van anderen binnen te zuigen. Pas de zesde landelijke verkiezingsdeelname in zeventien jaar maakte in 1994 een doorbraak naar de Tweede Kamer mogelijk. Vooral door externe omstandigheden waarop de SP zelf geen greep had. Doordat de toen eindelijk weer meeregerende PvdA en het nog chaotisch zoekende GroenLinks rondom zich heen een enorm strijdterrein braak hadden laten liggen kreeg de als verkiezingspartij reeds lang mislukte SP toch nog een laatste kans. Vooral als opvolger voor de kort voordien in GroenLinks verzopen meest linkse partijen PSP en CPN.

Maar wat er voor haar mislukte maoïsme in de plaats moest komen bleef een avontuur. De SP had geen idee hoe je de resultaten van een geslaagde actie met behulp van parlementair werk en eventuele bestuursdeelname duurzaam kunt omzetten in overheidsbeleid, en hoe je met die successen steeds meer aanhang kunt mobiliseren die verdere stappen vooruit wil. Ze had nauwelijks kennis van dit recept waarmee sociaaldemocraten, communisten of groenen in verschillende landen hun groei hebben georganiseerd. Hier ontbrak een projectplan voor wat ze over 20 of 50 jaar bereikt wilde hebben en hoe je daarnaartoe werkt. Wat ze van de maoïstische fase overhield was een simplistische interpretatie van de massalijn, die neerkwam op de grootste willen zijn aan de linkerzijde en een eigen een monopolie opbouwen als de onvervalste stem van de in opiniepeilingen gebleken meerderheden.

Zonder helder recept voor een betere toekomst had de SP toch jarenlang oprecht de pretentie dat zij in plaats van de PvdA de grootste en leidende verkiezingspartij van links zou worden. Niet door kampioen te zijn in veranderingsgezindheid maar door zich over te geven aan een met alles meebewegend populisme. Net zoals Hugo Chavez in Venezuela en Luiz Inácio da Silva (Lula) in Brazilië zocht ze kortstondige verkiezingspopulariteit zonder echte structuurveranderingen. Wat zulke linkse populisten bereikten was wel het tijdelijk versterken van de zelftrots onder de achtergestelde massa’s, maar ook te weinig blijvende verbetering van hun positie. Ze werkten nauwelijks aan antikapitalistische structuurhervormingen. Om populair te blijven maakten ze in hoog tempo de staatskas leeg, maar ze bouwden geen nieuw soort economie op die brak met de logica van het kapitaal.

De SP had ook nog een heel andere geheime inspirator. Zonder hem echt te kennen volgde ze in de praktijk recepten van Eduard Bernstein, sinds eind 19e eeuw de lang door communisten en linkse sociaaldemocraten verguisde grondlegger van het reformisme. Hij was (m.i. niet geheel terecht) altijd boosaardig afgeschilderd als de bron van alle fouten in de sociaaldemocratie, vooral met het citaat: “het doel is niets, de beweging alles!”. Maar dat werd ook de aanpak van de SP, die dat presenteerde als ‘modern socialisme’ en opzichtig niet hield van de bij communisten en linkse socialisten gebruikelijke ‘blauwdrukken’ voor een toekomstige samenleving. Einddoelen stellen voor de toekomst werd gezien als bliksemafleider, een schaamlap voor het onvermogen van PvdA en GroenLinks om de problemen in het hier en nu op te lossen. En ook een verklaring voor de ondergang van de te toekomstgerichte PSP,  en een reden om neer te kijken op kleine revolutionaire groepen die met toekomstbeelden hun volstrekte onmacht verhullen.

De SP kon slechts groeien en steeds machtiger worden. Op wat we straks met al dat succes zouden gaan doen moesten we niet vooruitlopen, dat gingen we dán wel zien. De huidige krimp van de SP heeft alles te maken met de mislukking van dat veronderstelde succesmodel en van een onbegrensd zelfvertrouwen. Het telkens bedenken van nieuwe acties en het opzetten van ledenwervingscampagnes – dus meer van hetzelfde – lijkt vooral geschikt als deken om die problemen te verhullen. Het is goed dat tijdens de verbouwing het gewone werk doorgaat, maar nieuwe kansen verschaft het ons niet.

Tot ergernis van de altijd super-zelfverzekerde partijtop heb ik er al jaren voor gewaarschuwd dat dit moment van terugval onvermijdelijk zou aanbreken als we niet op tijd zouden bijsturen in de richting van aansprekende toekomstplannen, selectiever en doelgerichter meebesturen en het opbouwen van meerderheden voor het oogsten van praktische actieresultaten. Een opnieuw offensieve rol vereist veel meer aandacht voor maatschappijveranderaars, jongeren, de afstammelingen van arbeidsmigranten en slaafgemaakten, klimaatcrisis, vluchtelingen, openbaar vervoer en wat er speelt in grote steden. En het plan voor een Nationaal Zorgfonds is veel te waardevol om het snel op te gebruiken als eenmalig verkiezingscampagne-moment voor een ‘one-issue’-zorgpartij. Als we zo’n groot hervormingsplan serieus willen doorzetten kunnen we het alleen realiseren via voor de publieke opinie begrijpelijke stapjes voorwaarts, waarin we er telkens bij andere organisaties meerderheidsbijval voor verwerven. Een plan van gezamenlijk links dat na een aantal ‘haalbare’ tussenfasen wordt voltooid door de tweede of derde opeenvolgende, zo links mogelijke regering. Van zulke plannen zijn er meer nodig.

SP van zelfbewuste groeier tot herhaalde CPN.

Ik heb vele jaren mogen meekijken en meedenken in de SP-top, en dat heeft mij heel wat minder optimistisch gemaakt over onze toekomstmogelijkheden. Net zo min als PvdA en GroenLinks zoekt de SP haar kracht in het voorbereiden van de overgang van kapitalisme naar socialisme. Die drie linkse verkiezingspartijen PvdA-GroenLinks-SP zijn daar elk niet principieel tegen, maar ze vinden dat onhaalbaar en vooral veel te moeilijk voor een beoogd kiezerspubliek dat meer let op hun prestaties hier en nu. Samen proberen ze wel het kapitalisme in te perken en daardoor leefbaarder te maken. Dat doen ze door het organiseren van regels, controles, belastingheffingen en geldstromen die niet-winstgevende nuttige activiteiten moeten beschermen. Dat maakt ze samen tot parlementaire bondgenoot van vakbeweging, milieubeweging en consumentenbescherming die dat eveneens willen. 

Voorlopig wil slechts een minderheid binnen die partijen en bewegingen veel verder gaan, maar dat kan veranderen als blijkt dat zelfs na een maximale regulering oude problemen op het gebied van werknemersrechten, consumentenbescherming, kosten, schaarste of algemeen belang nog steeds onvoldoende zijn opgelost. Zulke problemen worden waarschijnlijk het eerst zichtbaar bij een consumentenbank, de sociale huisvesting, het openbaar vervoer, de afvalverwerking, de energievoorziening en de zorg. Gemeenschaps-initiateven zijn daar urgenter dan in de maakindustrie die vroeger de voornaamste aandacht van socialisten en communisten had.

Elke strijd om iets te verbeteren botst op partijen die liefst het kapitaal de vrije hand willen laten. Socialisten moeten op die botsing actief inspelen door te laten zien hoe er meer zaken beter buiten de commerciële markt om kunnen worden georganiseerd. Van de linkse drie is de ene partij is niet duurzaam echt linkser dan de andere, maar ze hebben elk een wat ander soort aanhang, leggen elk andere accenten en vullen elkaars zwakke punten op. Ze concurreren elk om een leidende rol in het gezamenlijke verbeteringsproces. Samen zijn ze de brokstukken van wat in Groot-Brittannië Labour Party heet, een altijd intern ruziënde linkse eenheidspartij die in 1900 is opgericht als gezamenlijke kiesvereniging van de vakbonden. Labour is nog wel wat breder dan alleen die drie samen. Zij omvat ook veel van wat in Nederland terechtkomt bij Denk, 50Plus, Partij voor de Dieren en zelfs delen van ChristenUnie en D66. Momenteel heeft ze in Jeremy Corbyn een leider die vanouds linkser is dan de SP.

De SP zocht ter zelfpromotie vooral populair lijkende actiepunten, zoals strijd tegen het in opiniepeilingen en bedrijfskantines door niet-kiezers verguisde project van Europese eenheid. Veel mensen zien dat project als nutteloze geldverspilling, baantjesjagerij, een teveel aan overheidsbemoeizucht en een overmaat aan solidariteit met andere volkeren, een socialistisch dwangproject. Anders dan vakbeweging en PvdA zagen wij de EU niet meer als strijdterrein voor een sociaal Europa, anders dan de milieubeweging en GroenLinks zagen we de EU ook niet meer als strijdterrein voor een ecologisch Europa. Niet de multinationale concerns en de rechtse lidstaatregeringen waren dus onze vijand maar de Europese Commissie. En we stortten ons op eurosceptische referenda, die we wonnen zonder daarna de benodigde zetten te doen om echt ons gelijk te oogsten. Door het uitblijven van voorstellen en actie om de weggestemde Europese grondwet van 2005 te zuiveren van neoliberale en militaristische elementen lieten we gebeuren dat die grondwet onder een andere naam gewoon doorging, en het door Nederland in een inlegvel bij voorbaat afzien van eventuele militaire bijstand voor Oekraïne vierden we niet als onze grote overwinning. Dus werden die mooie referendumuitslagen alsnog ervaren als nederlaag, alleen maar als  bewijs voor de cynische stelling van Wilders en Baudet dat de bestuurderselite nooit naar het volk luistert. As niemand enthousiast is over de resultaten van het referendumrecht kan de regering dit recht gemakkelijk afschaffen, en dat is inmiddels gebeurd.

Tot verbazing van vriend en vijand is die illusie van een grote dominante regerende SP nu opeens volkomen voorbij. Dat wil niet zeggen dat ook het SP-tijdperk voorbij is. Zonder wonderrecept voor hernieuwde groei ziet het er nu naar uit dat de SP zal overleven als een kleine randpartij, de belangenpartij voor de oudere witte Nederlander met een laag inkomen buiten de Randstad. Een intern verdeelde doelgroep-partij die wordt bijeengehouden door  flink wat ‘wij-gevoel’, sterk vergelijkbaar met wat Denk (en haar grootstedelijke zijtakken Nida en Bij1) betekent voor de kinderen en kleinkinderen van vroegere arbeidsmigranten of 50Plus voor gepensioneerden en uitgebluste bijna-gepensioneerden. Een partij die haar jonge idealistische wereldbestormers is kwijtgeraakt aan de Partij voor de Dieren en haar meer bestuurlijk ingestelde samenlevingsvernieuwers aan GroenLinks. Een partij die het onder jongeren niet beter doet dan 50Plus en die de oude wijken in de grote steden heeft verloren aan Denk.

Zo’n partij is niet sterker dan PvdA en GroenLinks gericht op maatschappijverandering maar juist wat minder. En ze blijft het zwakst in grote steden, vanouds brandpunten van rode revolutionaire gezindheid en ideeënontwikkeling. Zelfs na flink verlies blijft ze ongewoon sterk in Heerlen en Oss, maar als vanouds naar verhouding zwak in Amsterdam en Rotterdam. In 1974 vertelde SP-oprichter Daan Monjé me dat de SP naar Chinees model vanaf het platteland de grote steden ging veroveren, maar dat is tot nu toe nooit echt geslaagd en in de afgelopen jaren heeft ze juist daar veel van haar eerder verworven aanhang verloren. Ze is een partij die zich volledig concentreert op de binnen haar doelgroep eenheid smedende punten zorg, pensioenen, minimumloon, loonsverhoging, bijstand en sociale huisvesting, en dus over veel andere zaken liever geen duidelijke standpunten inneemt omdat haar boze kiezersgroep daarover verdeeld zou kunnen raken. Een partij die altijd dolgraag wilde regeren, maar nu doodsbenauwd is dat PvdA en GroenLinks haar straks zullen dwingen tot meeregeren in een zo links mogelijke coalitie waarop we ons nooit goed hebben voorbereid.

Op het bestaansrecht voor zo’n kleine doelgroep-partij kijk ik niet hooghartig neer. Het is best goed  als een club bestaat die vooral opkomt voor mensen die door anderen vergeten worden en zo wanhopig zijn dat ze consequent niet stemmen. Maar dat heeft weinig meer te maken met wat de SP in haar bloeitijd was. Niet de partij die ons land gaat regeren en veranderen, maar meer een tekens teleurgestelde actiegroep die over 100 jaar waarschijnlijk nog even ver is als nu. Dit is vooral het recept om net als de vroegere CPN voor altijd beneden een plafond van zeven zetels in de Tweede Kamer te blijven. Zeven was het hoogste dat de CPN in 1956 en 1972 met een soortgelijke aanpak wist te halen. Haar ging het alleen nog om lonen, prijzen, huren en winsten, en om propaganda tegen het Westduitse revanchisme. Ze geloofde niet meer echt in maatschappijverandering, maar nog wel in permanente klassenstrijd. Die CPN werd zo een verzetsbeweging die een groot deel van het opstandige publiek niet bediende. Ze riep bij verwante buitenstaanders een combinatie van bewondering én afgrijzen op. Mensen die de samenleving echt wilden vernieuwen en veranderen bleven daar zorgvuldig ver van weg. Alle echte grote ontwikkelingen, inclusief het massale verzet tegen de Amerikaanse oorlog in Vietnam, gingen buiten die als conservatieve autoritaire sekte weggezette randpartij om.

Maatschappijveranderaars stelden hun hoop toen op de supergrote PvdA of op de daaruit links afgescheurde correctiepartij PSP, niet op het altijd activistische, boze en onverzoenlijke belangenpartijtje CPN dat elk geloof in echte maatschappijverandering had verloren. Communisme betekende voor haar tussen 1948 en 1978 vooral gedisciplineerd en onverzoenlijk opkomen voor de belangen van werklozen, de laagstbetaalde arbeiders, de werkers in verdwijnende bedrijfstakken en leegloopgebieden, zonder enige illusie van een betere toekomst. Die aanpak leek meer op het oude anarchosyndicalisme dan op het marxisme, dus wel radicale arbeidersbelangenbehartiging in het hier en nu maar ook flink wat afkeer van grootse toekomstideeën en verovering van de staatsmacht. Velen aan de linkerzijde en nieuw geradicaliseerde jongeren vonden het mooi dat ze actie voerde en het opnam voor groepen die door anderen verwaarloosd werden, maar zagen haar absoluut niet als kracht van vernieuwing en verandering. Daarom weigerden ze hun politieke lot daarmee te verbinden. Op z’n best bepleitten ze dat die onhandig opererende boze belangenpartij solidair werd opgenomen in zo links mogelijke stadsbesturen en in een zo links mogelijke regering om daarin de sociale waakhond te zijn. 

Het revolutiemodel van de voormalige PSP. 

Voor een partij van de meest linkse minderheid binnen het linkerblok bestaat er een alternatief voor die nogal beperkte mogelijkheden van de hierboven beschreven CPN-SP-aanpak. Dat alternatief is gericht op het winnen van grote delen van de publieke opinie en van het linkerdeel van het georganiseerde maatschappelijk middenveld voor maatschappijverandering en machtswisseling. En op het voortdurend aanmoedigen van PvdA en GroenLinks om hun mooie voornemens echt waar te maken, ook als die geld kosten en onder hevige kritiek van rechts staan. De door mij altijd bepleite aanpak wat betreft brede frontvorming, linkse meerderheden en rode voorbeeldgemeenten is geen toevallige door mijzelf ontwikkelde privé-hobby, maar was al ruim een halve eeuw geleden inzet van strijd en wordt ook in andere landen toegepast. Die is bedoeld om de linkerzijde van links een maximale invloed te geven op de leef- en werkomstandigheden van mensen die anders in de verdrukking komen en waar mogelijk een overgang in de richting van het socialisme voor te bereiden. 

Terecht wordt door Daniël de Groot en Roos Woud verwezen naar de voormalige PSP en haar linkervleugel Proletaries Links als deel van die geschiedenis. Tussen 1968 en de opheffing in 1991 heb ik in die partij onafgebroken landelijke functies vervuld, onder meer als landelijk coördinator van haar raads- en statenwerk. De PSP heb ik – anders dan door hen beschreven – nooit ervaren als ‘een principiële oppositiepartij die geen heil zag in electorale programma’s’. Zij had juist de dikste en radicaalste verkiezingsprogramma’s en eiste haar rol op in een eigen type bestuurscoalities. Voor de veronderstelde ‘principiële oppositie’ koos ze alleen waar haar model getalsmatig kansloos was, en zelfs daar probeerde ze constructief alles te doen wat onder meer de positie van uitkeringsgerechtigden, sociale huurders, gemeentewerklieden en gebruikers van het openbaar vervoer kon verbeteren.

Haar congres van 5 februari 1966 – aan de vooravond van verkiezingen waarbij ze in heel Noord-Holland en ook in Rotterdam tot boven 10% steeg – besloot ze overal in gemeenten en provincies op te komen voor linkse programcolleges van PvdA-PSP-CPN. Het ging om zo links mogelijk besturen, voorbeeldgemeenten als aanjager voor de toekomstige overgang naar het socialisme. Bestuursdeelname zonder linkse meerderheid of samen met de ‘klassevijand’ VVD in een college zitten weigerde ze daarentegen principieel. De PSP was daarmee vooral de partij die vooropliep bij het stelselmatig weren van rechtse invloed uit de stadsbesturen. De bourgeoisie moest – net als in andere staten – eerst haar greep op de staatsmacht verliezen als voorwaarde voor het kunnen starten van grote veranderingen of het legaliseren van wat reeds door strijd van onderop is afgedwongen. Geheel anders dan de tegenwoordige SP vond ze het veel belangrijker dat de VVD niet meeregeerde dan dat zijzelf bestuursposten in handen kreeg. Die strategie leverde haarzelf geen grote aantallen wethouders op, maar maakte wel een eind aan de traditionele ‘afspiegelingscolleges’ waarin zonder een beleidsprogramma de VVD altijd economische zaken en financiën kreeg, de voorlopers van het CDA welzijn en cultuur en de PvdA sociale zaken, volkshuisvesting en verkeer.

Anders dan achteraf misschien wordt gedacht was de PSP – zeker in haar bloeitijd – dus absoluut geen anti-bestuurlijke protestpartij. Ze was gewoon de tegen haar wil verzelfstandigde linkervleugel van de sociaaldemocratie en vooral de partij van de meest radicale reformisten. Opgebouwd door tijdens de koude oorlog uit de PvdA weggedrukte linkse socialisten, die stelselmatig monddood waren gemaakt en zich daarom uit zelfbehoud genoodzaakt voelden om (tenminste voorlopig) als aparte partij terug te vechten. Als concurrent én bondgenoot van de PvdA, om zo als zelfstandige kracht een groter publiek te bereiken en niet-parlementaire organisaties mee te trekken in haar roodgroene veranderingsproject. Ze was programmatisch veel linkser dan de huidige SP aandurft, maar daarmee allerminst autoritair, gesloten, principieel oppositioneel, sektarisch of zelfgenoegzaam. Haar voornaamste uitdaging was het permanent onder druk houden van haar moederpartij PvdA, die door fusie met links-liberalen, een koloniale oorlog in Indonesië en het in een minderheidspositie meeregeren met rechts ideologisch sterk was beschadigd. Dat deed de PSP vooral door middel van eigen vertegenwoordigingen in zo veel mogelijk parlementaire organen. Daar was zij de stem van allerlei groepen die samen botsten op de logica van het kapitalisme, zoals vakbondskaders, vredesbeweging, huurdersbeweging, internationale solidariteitsorganisaties en de opkomende milieubeweging.

In die rol bepleitte zij erfpacht van de grond, oprichting van meer overheidsbedrijven, nationalisaties van banken en grote industrieën, bedrijfsdemocratie naar Joegoslavisch model, voor ieder gelijke loonsverhogingen in centen in plaats van in procenten, een grotere sociale huursector, gratis openbaar vervoer, hoge belastingen om meer gemeenschapstaken te kunnen financieren, uitbreiding van het ziekenfondspakket met onder meer de anticonceptiepil, algemene arbeidstijdverkorting, het toen nog volstrekt verwaarloosde dierenwelzijn, steun voor het revolutionaire Cuba, Nederlandse erkenning van de tweede Duitse staat DDR en vele andere maatregelen die in de richting van het socialisme gaan. Ze had  openlijk in haar beginselprogram staan dat zij een socialistische revolutie nastreefde, maar ook dat zij die in een parlementaire democratie niet met geweld zou afdwingen. Socialisme zag ze als uitkomst van een langdurig ontwikkelingsproces, waarvoor je eerst samen met anderen meerderheden moet opbouwen en grenzen verleggen. Het ging haar om geslaagde veranderingsexperimenten (‘voorafspiegeling van de toekomst’) die telkens smaken naar meer.

In haar bloeitijd, de jaren ’60, was haar inzet dat de revolutionaire voorhoede zich nooit mag laten lossnijden van de massabeweging en de pressiegroepen voor verbetering. Dat deed ze onder meer door het organiseren van vakbondskaders die een brede veranderingsgezinde eenheidsvakbeweging nastreefden, met de FNV-fusie als resultaat. Daarnaast door opbouw van een Europees netwerk met gelijkgezinde afgescheurde linkervleugels, waaronder de later in een linkse meerderheid meeregerende partijen SV in Noorwegen en SF in Denemarken en de Franse PSU van de latere premier Michel Rocard. En de meeste aandacht ging uit naar binnenlandse linkse blokvorming en het gebruik van linkse parlementaire meerderheden, zoals al hiervoor beschreven. 

Het PSP-congres van 1972 besloot op voorstel van toenmalig partijideoloog Huib Riethof (met een meer uitgesproken trotskistisch profiel dan ik) in een ‘Analyse en Beleidsplan’ dat bundeling van oude en nieuwe sociale bewegingen voortaan haar hoofdtaak was. Bedoeld werden vooral enerzijds de vakbeweging en anderzijds de opkomende milieubeweging, actiegroepen voor stadsvernieuwing en organisaties voor internationale solidariteit. Brede bewegingen geven vorm aan de samenleving, en een partij kan daarin sturen door wel of niet de aandacht te richten op socialistische oplossingen. De PSP wierp zich zo nog meer op als partij die niet pretendeerde zich in haar eentje de komende  revolutie toe te eigenen, maar richtte zich op een breed samenspel met daarin te interesseren buurpartijen, belangenorganisaties en veranderingsbewegingen.

Die PSP was geen leger van uniforme soldaten maar een pluriforme partij van zelf denkende mensen. Ze verzamelde vooral de meest linkse sociaaldemocraten, maar daarnaast ook de in 1932 uit de SDAP afgescheurde en in 1952 tijdelijk in de PvdA teruggekeerde trotskistische vleugel en de in 1958 door een scheuring uit de CPN verstoten Brug-groep rondom vier communistische kamerleden die botsten op het vasthouden aan het stalinisme door de eeuwige (1931-1977) partijbaas Paul de Groot. En dan waren er ook leden die zichzelf beschouwden als radenkommunist, anarchosyndicalist of utopist. Die oude stromingen werden samen overspoeld door enthousiaste jongeren.

Strategisch sloot de PSP het meest aan bij opvattingen van Trotski, vooral zijn tussenpositie tussen bolsjewiki en mensjewiki voorafgaand aan de revolutie in Rusland van 1917, zijn respect voor strijd vanaf de basis door een veelheid van autonome verzetsbewegingen, de in 1905 en 1917 toegepaste werkwijze van dubbele macht waarin verzetsbewegingen al invloed opbouwden voordat de echte machtswisseling werd afgerond, de keuze voor arbeiderszelfbeheer in de te socialiseren bedrijven in plaats van partijbureaucraten aan de bedrijfstoppen, zijn opzet om elke te maken keuze te toetsen aan de bijdrage die deze kan leveren in het overgangsproces van kapitalisme naar socialisme. En vooral zijn streven naar een eenheidsfront van alle uiteenlopende krachten van de arbeidersbeweging tegenover een agressieve rechterzijde en het opkomende fascisme. Als het daarentegen ging over geweld als strijdmiddel, de rol van godsdienst of de eigen rol van Trotski als sovjetregeerder zat de PSP vol met van Trotski afwijkende sentimenten. 

Net als haar veel kleinere vooroorlogse voorloper RSAP was de PSP lang niet trotskistisch genoeg om de meest ‘zuivere’ en dogmatische volgelingen van Trotski duurzaam te kunnen vasthouden. Dat ging vooral spelen toen begin jaren ’70 een steeds groter deel van het PSP-kader ging vinden dat haar missie geslaagd was en dat het nu wel eens tijd werd voor terugkeer in moederpartij PvdA. Die grote massapartij werd gezien als een belangrijker werktuig voor machtswisseling dan een eigen altijd te kleine eigen partij. Vooral de voormalige CPN-ers binnen dat PSP-kader – die inmiddels binnen het partijbestuur een meerderheid in handen hadden – toonden zich daarvan enthousiast voorstander. De PvdA was geleidelijk overgenomen door de op een jongere generatie steunende stroming Nieuw Links, ging aan de haal met veel actiepunten van de PSP en gedroeg zich veel vriendelijker naar die voorheen verguisde linkse dissidenten. Zij sprak openlijk uit dat de eerder weggepeste PSP-ers weer welkom waren in de moederpartij.

Die externe ontwikkeling riep interne spanningen op. De hele PSP zag samenspel met de grote en machtige arbeiderseenheidspartij PvdA als bittere noodzaak voor een offensief tegen het kapitalisme, maar voor onderschikking aan de PvdA-leiding was het op z’n minst nog veel te vroeg. Niets garandeerde immers een langdurig voortgezette PvdA-koers naar links. De genoemde stroming Proletaries Links – waarvan ik inderdaad aan de wieg stond, onder meer als medeopsteller van haar manifest – ontstond vooral uit verzet tegen de trend naar volledige inlijving bij de PvdA. Die werd door ons gevreesd als einduitkomst van het in 1970 aan veel raads- en statenverkiezingen deelnemen met gemeenschappelijke kandidatenlijsten PvdA-PPR-PSP, vooral waar die vervolgens toch op de oude PvdA-manier met rechts een college wilden vormen. De PSP is daaraan uiteindelijk ontsnapt door het recht op lijstverbinding in de kieswet te laten opnemen, waardoor die gezamenlijke lijsten niet langer nodig waren voor het door gezamenlijk links behalen van de voor onze politiek van rode voorbeeldgemeenten benodigde raadsmeerderheden.

Hoe de PSP werd opgedeeld tussen PvdA, GroenLinks en SP.

De zuigkracht van de geradicaliseerde PvdA had ingrijpende gevolgen. In de eerste plaats verstoorde die het, al eind jaren ’60 ontwikkelde, voornemen om als PSP op de langere termijn te streven naar samensmelten met anderen. Daarbij werd vooral gedacht aan de ooit te destaliniseren CPN en de nieuwe katholieke vakbondspartij PPR, maar ook aan de opkomende maoïsten en een resterende linkervleugel in de PvdA. Zo’n sterke eenheidspartij, ter linkerzijde van de vaak in compromissen met rechts en grote ondernemingen verstrikt geraakte PvdA, was mede bedoeld om naar Scandinavisch model voortaan de onmisbare naar links bijsturende coalitiegenoot voor de PvdA te worden. Maar de vorming van zo’n fusiepartij werd in de knop gebroken. De dominerende PvdA-rol dreef PSP, CPN en PPR voorlopig uiteen toen de PPR volwaardig ging meeregeren, de CPN tegen haar zin buiten de regering werd gehouden en de PSP zelf liever koos voor een kritische gedoogrol. Het uitblijven van die krachtenbundeling heeft toen een politiek gat laten ontstaan waarin een kwart eeuw later de nieuwkomers GroenLinks en SP konden gedijen. En in de tweede plaats gaf de toenemende PvdA-druk aan een meerderheid van Proletaries Links het gevoel dat de PSP al een zinkend schip was, zodat ze beter tijdig overboord konden springen om met een eigen reddingssloep (IKB/SAP) te overleven.

Toen de PvdA onder Joop den Uyl de meest linkse regering wist te vormen die Nederland ooit gekend heeft (1972-1977) wees de PSP twee keer het dringende verzoek van de PvdA om daarin zelf een minister te leveren (Bram van der Lek op Milieu) af omdat ze die regering niet links genoeg vond, mede doordat de CPN erbuiten werd gehouden en de remmende CDA-voorlopers KVP en ARP er wel in vertegenwoordigd waren. De PSP werd wel vaste gedoger van die regering (veruit de minst slechte die toen mogelijk was) en zelf overlegde ik jarenlang mee in een vast driewekelijks beraad tussen de partijtoppen van PvdA, D66, PPR en PSP over de vorderingen van het regeringsbeleid en het inspelen op het maatschappelijk verzet. 

Voor een belangrijk deel van de PSP ging die nauwe samenwerking niet ver genoeg. Een groot deel van het oude partijkader liep in 1974 collectief over naar de PvdA vanuit het idee dat die gerevitaliseerde massapartij voortaan veel meer kon bijdragen aan de belangenbehartiging van de arbeidersklasse en de komende socialistische revolutie dan waartoe de PSP zelf in staat was. Zo maakte de PSP binnen korte tijd twee grote uittochten door, richting revolutionair marxisme en richting sociaaldemocratie. De rest-PSP ging verder op dezelfde min of meer trotskistische lijn, met voor gemeenteraadsverkiezingen soms gezamenlijke lijsten met de uit Proletarisch Links voortgekomen IKB/SAP of met de opkomende maoïstische concurrent SP. SP-leider Daan Monjé wilde in 1978 zelfs in het hele land gezamenlijke statenlijsten PSP-SP.

De jarenlange ruimte voor de PSP en haar aanpak kon alleen ontstaan omdat de allereerste afsplitsing uit de sociaaldemocratie, de in 1909 ontstane SDP/CPH/CPN inmiddels een heel andere positie had gekozen. Nadat ze in 1946 tot 11,4% was gegroeid en daarna permanent bleef dalen was ze het geloof in een breuk met het kapitalisme kwijtgeraakt. Zo raakte ze haar in het antifascistische verzet en een naoorlogse veranderingsgolf bijeengebrachte nieuwe aanhang weer snel kwijt. Zij vond dat haar concurrent PSP alle inmiddels overwonnen ‘kinderziektes’ van het communisme vertegenwoordigde.  PSP en CPN vielen elkaar pas in de armen toen ook de CPN in een crisis was terechtgekomen, nadat tweederde van haar kiezers in 1977 overliep naar de offensiever overkomende regeringspartij PvdA.

Bij de allereerste rechtstreekse Europese verkiezingen in 1979 wilden CPN en PSP zich beide aansluiten bij de verder uit 19 Fransen, 26 Italianen en een Deen bestaande fractie van communisten en aanverwanten (nu GUE/NGL) in het EP. Ze onderhandelden over een gezamenlijke lijst, maar die kwam er op het laatste moment niet vanwege een meningsverschil over wie dan zou beschikken over die ene daarbij waarschijnlijk te behalen zetel. De PSP wilde een wisselzetel, de CPN vijf jaar plek nummer één. Samen behaalden ze meer dan de SP in 2019, maar het resultaat was twee onvolledige zetels dus nul. Tegenover dat machteloze vertoon van uiterst links bereikte de PvdA met tien zetels haar toppunt. PvdA-lijstaanvoerder Anne Vondeling, net afgetreden als voorzitter van de Tweede Kamer, verklaarde vol trots dat de sociaaldemocratie voor het eerst sinds 1918 de haar beconcurrerende linkse dissidenten volledig had opgeruimd.

Een nieuw in de jaren ’80 toestromende jonge aanhang van PSP en CPN had inmiddels andere prioriteiten dan de machtsvorming van de arbeidersklasse voor het socialisme. Milieu, alternatieve psychiatrie, steun aan buitenlandse guerrilla’s, antiracisme, vluchtelingenhulp, feminisering, homo-emancipatie en jeugdrevolte trokken veel meer belangstelling. Een doelgerichte strategie naar het overnemen van de binnenlandse staatsmacht ontbrak; ieder deed maar wat en in die tijd is het idee ontstaan dat de PSP vooral oppositie wilde. Het al in de jaren ’60 binnen de PSP ontwikkelde streven naar een eenheidspartij PSP-CPN-PPR ging geleidelijk aan wel slagen, met gezamenlijke verkiezingslijsten als tussenstap. Die hergroepering werd sterk bijgekleurd toen in West-Duitsland een nieuwe groene partij verkiezingssucces boekte en de PPR eiste dat ook die nieuwe eenheidspartij in Nederland zo’n vernieuwende groene naam zou krijgen in plaats van iets met socialisme erin. Dat leverde in 1991 fusiepartij GroenLinks op, waaruit de traditionele PSP-inbreng al snel als te ouderwets, te arbeideristisch en te revolutionair werd weggedrukt.

De meerderheidsstroming in GroenLinks zag toen vooral groeikansen ter rechterzijde van de PvdA in de omgeving van D66, en liet uit alles blijken dat ze de oude rode ballast graag wilde afstoten naar de nieuw opkomende SP. Voor dat deel van GroenLinks was de SP voornamelijk een welkome vuilnisbak om het onbruikbare deel van de eigen aanhang in op te bergen, net zoals de PSP dat 40 jaar eerder was geweest voor iedereen die de toenmalige PvdA-leiding kwijt wilde. Om zo’n zuivering te bevorderen was die vleugel in GroenLinks zelf belanghebbenden bij enig succes voor de lastige nieuwe concurrent. Voormalig PPR-fractievoorzitter Bas de Gaay Fortman daagde mij (toen landelijk vicevoorzitter van GroenLinks) zelfs op televisie uit om die overstap naar de veel meer bij mijn aanpak passende SP te maken en GroenLinks ongestoord over te laten aan zijn groene vernieuwers. Of zoals hij mij 20 jaar later oprecht zei: “We waren die altijd klagende PSP-ers helemaal zat!”

GroenLinks heeft mijns inziens prima ideeën over milieu-natuur-klimaat en internationale mensenrechten, maar bleek onvoldoende geïnteresseerd in de arbeidersbeweging en de opbouw van een socialistische toekomst. Tot de nieuwe koers van 2016 ontbrak daar ook de aandacht voor verdelingsvraagstukken, linkse frontvorming en polarisatie tegenover ondernemerspartij VVD. Een groot deel van de voormalige PSP- en CPN-aanhang is daarop in de jaren ’90 afgeknapt en doorgestroomd naar de activistische SP. Die werd zo opeens flink versterkt, juist in het gebied ten noorden van de grote rivieren waar altijd zwak was geweest. 

De SP had haar meest maoïstische kenmerken toen allang verloren, en vooral succes geboekt als speciale ontginningspartij voor het katholieke zuiden waar de PvdA altijd op achterstand had gestaan  De harde partijkern in Rotterdam en Nijmegen stak veel energie in dat groeiproject onder jongeren en kritische katholieke geestelijken. Dankzij haar daar nog onbekende activisme slaagde ze beter dan de speciaal voor het zuiden opgerichte links-katholieke en vooral parlementair gerichte PPR erin om een enthousiaste jonge aanhang te mobiliseren. Daarin verschilt zij sterk van de Belgische PVDA/PTB die dezelfde maoïstische voorgeschiedenis heeft als de SP, maar nooit wist door te breken in het overeenkomstige Vlaamse katholieke arbeidersmilieu. Die partij vindt juist haar aanhang onder een generaties lang geharde rode aanhang in precies dezelfde gebieden die in 1945 23 communistische afgevaardigden naar het parlement in Brussel stuurden. Media en concurrentie spreken al jaren over PVDA/PTB als ‘de communisten’, en die eretitel laat ze zich graag aanleunen. Dat stelt haar in staat om ook nu met haar twaalf parlementszetels openlijk linkser te zijn dan de Nederlandse SP.

De vooral ‘zuidelijke’ SP kreeg in de jaren ’90 een flinke aanvulling vanuit PSP en CPN en was een aantal jaren het verzamelpunt voor iedereen die meer naar links wilde hervormen dan PvdA en GroenLinks aandurfden of aankonden. Daarmee kwam ze in 1999 verrassend ook het EP binnen. Het werk dat ik namens haar in Europa mocht doen lag vooral in het verlengde van de hiervoor omschreven PSP-aanpak, of in bredere zin die van een gefuseerde PSP-CPN-PPR als die niet was beheerst geraakt door een te eenzijdig groene oriëntatie. In het Volkskrant-artikel beschrijf ik hoe succesvol die aanpak was in de strijd tegen gedwongen privatisering van het openbaar vervoer en tegen de arbeidersvijandige Havenrichtlijn en Dienstenrichtlijn. Het bleek daar beter mogelijk om parlementaire meerderheden te rekruteren dan in de Tweede Kamer omdat ruilhandelsloyaliteit aan een regeerakkoord er geen rol speelt. Binnen de Europese krachtsverhoudingen was dat samenspel met vakbeweging en milieubeweging een groot landsgrensoverschrijdend succes.

Maar de SP verwachtte inmiddels veel meer kiezersbijval door verzet tegen de EU zelf in plaats van tegen de EU-politiek. Het ging immers vooral om groot worden, niet om voor de massa onvoldoende zichtbare antikapitalistische successen. We waren niet tevreden met onze twee eurozeteltjes en wilden een reuzenpartij worden door de verwachte verzetsgolf tegen de EU aan te voeren. Een dodelijke misrekening. Veel kiesgerechtigden willen weliswaar minder Brussel, maar dat doen ze vanouds al door bij zulke verkiezingen massaal thuis te blijven. Ze willen niet dat er iemand gekozen wordt in dat volgens hen nutteloze orgaan. Zelfs de meest euro-kritische partij moet het hebben van kiezers die Europa vooral zien als een belangrijk strijdterrein waar we keuzes maken over de grote lijn van onze toekomst. De SP negeerde dat gegeven, met als gevolg daarvan een koude douche in 2009 en een totale uitschakeling in 2019. Net als bij de eerste EP-verkiezingen in 1979 stuurde een onhandig opererende linkse tegenpartij haar kiezers weer eens weg naar de PvdA. 

Verhouding tussen toekomstmodel en frontvorming hier en nu.

Geschoolde marxisten vinden dat een planbare economie in gemeenschapshanden het beste in staat is om problemen als die van algemeen belang, gelijkwaardigheid, inkomensverdeling, zeggenschap en duurzaamheid op te lossen, veel beter dan een markteconome in privéhanden die berust op winststreven en enorme machtsverschillen. Dat was ooit het standpunt van eerst de SDAP, daarna de CPN, vervolgens de PSP en later de SP, maar elk van die partijen merkte dat dit niet de manier was waarop je massa’s kiezers achter je kunt scharen. Het aanpraten van dit totaalrecept voor alles aan een groot publiek bleek weinig succesvol. Dat twijfelde toch  al aan de werking van het kapitalisme, maar blijft ook twijfelen over socialistische alternatieven zolang daarmee geen overtuigende ervaringen zijn opgedaan. Het beste wat je met propaganda voor zulke modellen nu al kunt bereiken is dat de mensen over zo’n mogelijkheid gaan nadenken en die in geval van nood niet uitsluiten. En dat ze zelfs bereid zijn om er selectief mee te experimenteren, zoals we dat trouwens lang hebben gedaan met de kolenmijnbouw, de energievoorziening, de posterijen, de telefoon, de girodienst (consumentenbank), de havenbedrijven en het openbaar vervoer. Daaraan is mede onder druk van het EU-‘marktverruimingsbeleid’ in de afgelopen decennia grotendeels een eind gemaakt.

Het standpunt dat productiemiddelen het best in handen zijn van de gemeenschap hoeft geen reden te zijn om in afwachting daarvan geen bestuursverantwoordelijk te willen dragen. Socialisatie is een mogelijke uitkomst van wat je kunt opbouwen tijdens langdurige bestuursverantwoordelijkheid, de kers op de taart. Zonder dat geduld kies je voor de vlucht naar voren. Het dwingt je uiteindelijk om buiten alle andere partijen om de kiezers tegemoet te treden, zonder massale bijval. Voor een algehele socialisatie van de economie zullen vakbeweging, milieubeweging, consumentenbescherming, solidariteitsorganisaties en anderen niet gaan vechten, en ook niet de linkse partijen. Daarin verschilt de SP niet wezenlijk van PvdA en GroenLinks. Van de SP verlangen dat zij alleen meedoet aan overheidsbesturen die algehele socialisatie tot hun hoofdinzet maken heeft dus niet veel zin. Zo’n ‘politiek correcte’ positie leidt ertoe dat we zelf volledig buiten spel blijven staan bij de grote strijd over de toekomst van onze samenleving. Veel vruchtbaarder is het om de tweedeling tussen linkse zorgzaamheid en rechtse zorgeloosheid tot inzet te maken. Dan probeer je alle krachten te bundelen die een betere wereld willen nalaten dan ze hebben aangetroffen. Je richt je op het opbouwen van een meerderheid voor verbetering in plaats van op een isolement als onbegrepen kleine minderheid. 

Toen de rode wereldbeweging na de eerste wereldoorlog uiteenviel in sociaaldemocraten (Socialistische of Tweede Internationale) en communisten (Komintern of Derde Internationale) leverde dat in parlementaire democratieën met algemeen kiesrecht meteen een probleem op voor het zo links mogelijk kunnen besturen van gemeenten, provincies en nationale staten. Vooral gemeenten waren begonnen te dienen als proeftuin voor socialistische hervormingen. Stichting van overheidsbedrijven diende als middel tot democratisering en bescherming van gemeenschapsbelangen, werklozen, consumenten en werkers bij voorheen door de gemeente ingehuurde private bedrijven. Als eenheidspartij had links de beste kansen om er de overheidsmacht over te nemen, maar verdeeld over tenminste twee partijen werd dat een stuk lastiger. Waar links daarover onderling geen akkoorden sloot leidde dit er vooral toe dat rechts daarvan profiteerde. Door sociaaldemocratische leiders werd dat argument gebruikt in hun verkiezingspropaganda: hoe linkser je stemt, hoe rechtser de uitkomst. Door te stemmen op de afgescheurde communisten zorg je ervoor dat de grote kansrijke sociaaldemocratie verzwakt raakt en rechts aan de macht blijft. De communisten moesten daarop een antwoord ontwikkelen of ten onder gaan.

De illusie dat communisten naar het model van Rusland uit 1917 snel in hun eentje de staatsmacht konden overnemen heeft slechts kort geduurd. Al snel bleek dit model een te smal draagvlak te hebben, kansloos om de steun van een meerderheid te verwerven. Definitief afscheid nemen van de sociaaldemocratie bleek om een veelheid van redenen onuitvoerbaar. Onder meer in Frankrijk, Italië en Noorwegen schaarden die sociaaldemocratische partijen zich in meerderheid achter de Russische communisten, en de eerste twee veranderden zelfs hun naam in communistische partij. Elders zochten ze samenwerking. En waar sociaaldemocraten regeerden, zoals de Britse Labour Party in 1924, erkenden ze de Sovjet-Unie als legale staat. Tot dan toe was die door burgerlijke regeringen gezien als niet meer dan een tijdelijke opstand van idioten waaraan je door buitenlandse interventies een eind moest maken, net zoiets als een eeuw later gebeurde met Islamitische Staat in Syrië en Irak.

Het wereldwijde samenwerkingsverband Communistische Internationale, dat probeerde alle links uit de sociaaldemocratie afgescheurde linkervleugels en links-nationalistische bewegingen te verenigen, ontwikkelde nieuwe modellen voor een machtswisseling. In de jaren ‘20 was dat het ‘Eenheidsfront’, het samen optrekken van communisten en sociaaldemocraten tegenover alle ‘burgerlijke’ partijen. De leiding van de sociaaldemocratie stond er wantrouwig tegenover, en wilde binnen zo’n samenwerking zelf het initiatief in handen houden. Zij waardeerde de Sovjet-Unie als waardevol socialistisch experiment maar niet als het grote voorbeeld dat je in elk opzicht moest navolgen. Zij waren van mening dat daar ook veel dingen mis gingen, waardoor groepen mensen onnodig werden vermalen, en wilden vooral niet gezien worden als een willoos verlengstuk van de altijd roekeloze communisten. Uit woede over die te geringe volgzaamheid heeft de Komintern tussen 1928 en 1935 die Eenheidsfrontfase nog even laten volgen door een hernieuwde poging van communistische partijen om voorgoed af te rekenen met de te weinig tot medewerking  geneigde leiding van de sociaaldemocratie. Sektarisch werden sociaaldemocraten uitgeroepen tot ‘sociaalfascisten’, net zulke erge vijanden als de echte fascisten. Die splijtende aanpak heeft alleen maar verhinderd dat in Duitsland de twee grote arbeiderspartijen SPD en KPD samen de machtsovername door Hitler op tijd onmogelijk konden maken.

Vanaf 1935 hanteerde de Komintern het model ‘Volksfront’. Een soort Eenheidsfront-plus: samenwerking van communisten, sociaaldemocraten en de minst vijandig gezinde delen van de overige politieke stromingen. Zulke fronten kwamen al snel kortstondig aan de macht in Frankrijk en Spanje. De Komintern (later Kominform) heeft dit model nooit meer verlaten. Zelfs bij de naoorlogse machtsovername in Oost-Europa werd dat model opzichtig gehanteerd door allerlei satellietpartijen in de staatsstructuur te integreren en aan hun voorlieden overheidsfuncties over te laten. In West-Europa namen communisten deel aan de regeringen van IJsland, Finland, Denemarken, België, Frankrijk en Italië. In Nederland eiste de CPN in 1946, 1948 en 1977 opzichtig maar tevergeefs haar plek op in een regering die zou moeten voldoen aan het Volksfrontmodel. De CPN was de partij van het Volksfront, de PSP meer de partij van het model Eenheidsfront. Het onderscheid tussen die twee modellen is nu wat vervaagd sinds we zijn overspoeld door een veelheid aan nieuwe partijen die zichzelf niet meer bovenal profileren als linkse partij van de arbeidersklasse of rechtse partij van de bourgeoisie.

Vertaald naar het heden komen die twee modellen eigenlijk neer op de vraag hoe je werkt aan een tweedeling tussen zorgzaam links en zorgeloos rechts, de botsing tussen twee alternatieve coalities die beide knokken om een meerderheid van de kiezers achter zich te krijgen. Dit kan bij voorbeeld door overal waar een rechtse kiezersmeerderheid VVD-CDA-FvD-PVV-SGP ontbreekt te proberen links daarvan een coalitie te vormen en daarmee een aantal zichtbare verbeteringen door te voeren. Met een heterogene combinatie GroenLinks–PvdA–SP–Partij voor de Dieren–Denk–50Plus–D66–ChristenUnie kunnen we lang niet alles bereiken wat we willen, maar wel aanmerkelijk meer dan met de traditionele combinaties CDA–PvdA of VVD–PvdA. Voor het eerst ontstaat de kans op een meerderheid daarvoor. Pakken we die kans of laten we hem ongebruikt voorbijgaan omdat we rekenen op de spoedige komst van iets nog veel beters? 

Anders dan ooit CPN en PSP heeft de SP van nu daarin geen eigen gezicht. Ze weet er nog volstrekt geen raad mee. Zowel links als rechts van die twee modellen heeft ze grillig van alles uitgeprobeerd. Links ervan door tevergeefs te wachten op een eigen kiezersmeerderheid en door tot 1996 alle akkoorden met anderen over het bezetten van wethoudersposten systematisch te weigeren, rechts door tussen 2011 en 2019 los van PvdA en GroenLinks met VVD en CDA in een veelheid van rechtse bestuurscoalities te stappen. Zelfs de CPN, die tijdens de koude oorlog door de PvdA was verketterd en geïsoleerd en zelf niet meer geloofde in een socialistische revolutie, heeft zoiets nooit gedaan. In 1974 kreeg ze het verleidelijke aanbod voor een Noord-Hollands college van GS dat zou moeten bestaan uit twee gedeputeerden van elk van de drie partners VVD, CDA en CPN. Bedoeld als zet van rechts om het grootste blok, PvdA-PPR-PSP, uit te schakelen. Op dat verlokkelijke aanbod is ze niet ingegaan. Ze hielp er wel aan mee om als gedoger in Rotterdam de PvdA in het zadel  te houden, in 1978 in haar eentje en daarna samen met PSP, PPR en SAP.

Daarentegen ging de SP wel in op verlokkelijke aanbiedingen van rechts, net zoals de PvdA dat lang heeft gedaan. In de provincies hielp ze mee aan het VVD-CDA-verlangen om de opcenten op de autobelastingen laag te houden in plaats van samen met PvdA en GroenLinks dit geld uit te geven aan openbaar vervoer, milieuzorg, natuurbehoud, dorpsherstel, recreatieprojecten en andere nuttige voorzieningen. Door die grilligheid was de SP in de afgelopen jaren de allemansvriend die trots al de helft van de Nederlandse provincies meeregeerde en alle steden langs snelweg A-2, en klaar stond om ook haar rol in de eerstvolgende regering op te eisen. De meeste van die coalities bestonden uit partijen met sterk uiteenlopende doelstellingen, die elkaar neutraliseerden. Goede punten die we tijdelijk binnenhaalden moesten we betalen met het accepteren van slechte van anderen. Soms werden zulke coalities zelfs gezien als voorbode van een komende VVD-SP-regering, waarover niemand enthousiast wordt. We waren niet eenduidig op weg naar iets beters. Het grote publiek zag niet wat daardoor nu echt ging veranderen, waarom het nuttig was dat de SP meedeed, of wat de SP beter deed dan anderen. Dit soort meebesturen riep vooral onverschilligheid op, en soms woede.

Als reactie daarop lijken we nu door te slaan naar het volstrekte andere uiterste, ons profileren als tegenpartij die helemaal niets ziet in meebesturen en niet echt gelooft dat je daarmee iets kunt verbeteren. De afgelopen tijd waren we alleen nog de partij van de opgestoken middelvinger, met de propagandamethode ‘Hans Brusselmans’ als dieptepunt. Beide uitersten hebben niets bijgedragen tot stappen vooruit naar het socialisme, maar wel tot het wegjagen van over die aanpak verontruste kiezers. Ze zijn m.i. beide slecht voor de hoop op verandering/verbetering en voor een vruchtbaar samenspel met het linkerdeel van het maatschappelijk middenveld. Een partij die zo grillig is verschrompelt.

Op zoek naar verandermethoden en massabijval.

Zijn coalitiepolitiek en meebesturen volkomen strijdig met het revolutionaire proces of juist een absolute voorwaarde om het te kunnen laten slagen? Ik pluk uit eerdere documenten van Communistisch Platform enkele kenmerkende fragmenten waaruit ik probeer een stellingname daarover te ontdekken:

Anderzijds doet ze (de SP) echter lokaal en provinciaal mee met coalities. De partij kent een aanzienlijke burgerlijk-linkse vleugel die wordt gekenmerkt door een grote bereidwilligheid om mee te regeren.

Een parlementaire overwinning of sociale wetgeving is daarom niet genoeg. Wij wijzen het gebruik van het parlement en de invoering van sociale wetten niet af maar weten dat de arbeidersklasse zich moet voorbereiden op revolutie. Dit zal vreedzaam gaan zolang dat mogelijk is en met geweld als dat moet.

De werkende klasse kan niet het bestaande staatsapparaat overnemen en het voor haar doeleinden gebruiken. Het overnemen van het staatsapparaat zou alleen het besturen van kapitaal betekenen. Het huidige staatsapparaat moet vervangen worden door een democratische republiek om de weg verder vrij te maken voor sociale revolutie en communisme.

De bevrijding van de arbeidersklasse ligt in de socialisatie van de productiemiddelen. Alleen met het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen kan de communistische maatschappij op basis van “van ieder naar zijn mogelijkheden, aan ieder naar zijn behoeften” bestaan.

Ik lees hier enerzijds positieve doelen zoals ‘bevrijding van de arbeidersklasse’, ‘socialisatie van de productiemiddelen’ en ‘een democratische republiek’. Maar anderzijds afkeer van wegen die stapsgewijze tot de ontwikkeling daarheen kunnen bijdragen: coalities, meeregeren, het bestaande staatsapparaat overnemen en het voor je eigen doeleinden gebruiken. Ik kan het mis hebben, maar het geeft mij de indruk dat het Communistisch Platform wil dat de SP zich opstelt als partij van principiële oppositie. In dat geval wordt parlementair werk slechts gezien als graadmeter voor onze populariteit, maar niets meer dan dat. Een fundamentele breuk met kapitaal en realiseren van het socialisme is dan de minimale basis waarop wij regeringsverantwoordelijkheid zouden moeten willen accepteren.

Dit betekent: we willen direct doorstoten naar het maximumprogram, zonder eerst geduldig te bouwen aan de lange reeks voorbereidende stappen die zo’n einddoel aantrekkelijk of geloofwaardig kunnen maken, en ook zonder anderen te interessereen in stappen vooruit. Je wilt een huis bouwen maar begint na het fundament meteen aan het dak, waarbij je vloeren en muren overslaat. Dat huis stort in. Het probleem is dat het verre einddoel onbereikbaar wordt als je daarheen geen bruggen slaat. Om iets te kunnen veranderen heb je niet genoeg aan sterk overtuigde minderheden maar gaat het om het enthousiasmeren van een meerderheid. Er staan geen massa’s klaar die socialisatie eisen en schrik oproepen omdat ze in afwachting daarvan geen andere verbeteringen willen ondersteunen. Het zou al heel mooi zijn als linkse partijen en kaders van allerlei bewegingen zich wat meer bewust worden dat een ander soort economie mogelijk is, en dat je bij voortgezet falen van het kapitalisme meer stappen in die richting zou kunnen zetten. Of dat de SP openlijk propaganda durft te maken voor zulke oplossingen, maar ondertussen ook constructief meewerkt aan alle voorbereidende stappen die al een beetje die kant op gaan. Dat is dus wel iets volstrekt anders dan veel van het meebesturen door de SP tot nu toe, waarin zo’n perspectief volkomen ontbrak omdat we werkten met verkeerde partners en onherkenbare doelstellingen. Ik heb er alle begrip voor dat dit tekortschieten nu wordt gezien als reden om er maar helemaal afscheid van te willen nemen. Het partijbestuur wil er wel vanaf omdat het ons niet groot gemaakt heeft, Communistisch Platform wil er vanaf omdat het de revolutie niet vooruit heeft geholpen. Maar zo’n gemakkelijke conclusie helpt ons streven niet vooruit. We geven dan een belangrijk veranderingswapen uit handen.

De combinatie van ‘verandering/verbetering’ en ‘alle daarop gerichte krachten bundelen tot een meerderheid’ is het recept waarmee alle partijen die op de een of andere wijze succes hebben te maken krijgen. Alle meest linkse partijen stuiten daarbij op de vraag wat te doen we met een linkse parlementaire meerderheid die naar ons oordeel nog niet links genoeg is. Laten we die ongebruikt of zien we die als belangrijk wapen in onze strijd? Bouwen we samen met anderen aan zo’n meerderheid of willen we daar onze energie helemaal niet aan verspillen? En hebben we dan wel iets dat beter lukt?

De PVDA/PTB in België heeft eenzelfde voorgeschiedenis als de SP. Decennialang was zij een sektarische club die ieder die haar politiek nabij stond wantrouwde. Ze geloofde in buitenlandse helden en paradijzen en kwam nooit uit boven de 1%. Sinds ze het roer radicaal omgooide en verzamelpunt werd voor de meest linkse krachten boekt ze succes waardoor ze nu opeens sterker is dan de SP hier. Met haar 12 federale parlementszetels en een EP-zetel heeft ze een linkser voorkomen dan de Nederlandse SP. Zij staat wel meteen voor een dilemma: opgeslokt worden in een bestuursrol of zich eerst een aantal jaren profileren in de oppositie. Deelstaat Wallonië heeft een linkse meerderheid. Sociaaldemocraten en groenen hebben de PTB uitgenodigd om met haar nu 10 zetels in het Waalse deelstaatparlement toe te treden tot een linkse bestuurscoalitie. De PTB heeft dat afgehouden, met het argument dat de arrogante sociaaldemocratie toch gewoon op haar oude verkeerde manier wil doorgaan. Gevolg is dat de twee andere linkse partijen zich nu met tegenzin genoodzaakt voelen om ten behoeve van de noodzakelijke meerderheid de liberalen in hun regering te halen, zodat zij meteen zijn veroordeeld tot compromissen naar rechts en dus fouten moeten maken.

Het is de vraag of de PTB-kiezers die zet zullen blijven waarderen, het feit dat hun stem op uiterst links een rechtsere regering oplevert. Ik verwacht dat de PVDA/PTB die tactiek zal staken zodra zij merkt dat zij aan haar plafond zit en dus zelfstandig geen verdere groei meer verwacht. In de Vlaamse gemeente Zelzate heeft zij tot woede van rechts wél een bestuurscoalitiemeerderheid gevormd met de sociaaldemocratie. Hoe om te gaan met linkse meerderheden is geen uniek Belgisch vraagstuk. In het algemeen leidt dit ertoe dat de meest linkse partijen óf meeregeren óf een gematigd linkse regering aan een meerderheid helpen zolang die rechts van de staatsmacht uitsluit. De beste illustratie is hoe in 2011 de Deense Enhedslisten de Rød-Grønne omging met dat probleem van een linkse meerderheid die niet links genoeg is. Zij is de meest linkse Deense verkiezingsdeelnemer, ooit ontstaan uit samenwerking tussen trotskisten, maoïsten, fundamentalistische groenen en een linkse afscheuring uit de tussen SP en GroenLinks in staande Socialistisk Folkeparti. Enhedslisten sloot vooraf een akkoord om een minderheidsregering van drie andere partijen links van het midden te gedogen. Ze vond het regeringsbeleid ontoereikend, maar wel het op dat moment minst slechte. Dus hield ze haar handen schoon en leverde ze zelf geen ministers, maar ze hield die regering wel 4 jaar tegenover rechts in het zadel. De kiezers beloonden dat in 2015 met een verdubbeling, toen voor het eerst groter dan de met vijf ministers wel meeregerende Socialistisk Folkeparti. Soortgelijke gedoogrollen worden ook vervuld door de Vänsterpartiet in Zweden en Unidos Podemos in Spanje. Gedogen levert minder sturende invloed op dan meeregeren, maar als je denkt dat je voorlopig nog te weinig kunt bijsturen is dat de beste manier om niet medeverantwoordelijk te worden gesteld voor de tekortkomingen van de wel regerende buren.

Mijn schrikbeeld is daarentegen de ondergang van de Ligue Communiste Révolutionaire in Frankrijk. Die partij, in 1999 met 2 leden in onze fractie in het Europees Parlement vertegenwoordigd, leek bezig aan een enorme opmars als grootste van links. Ze veranderden hun naam in het meer aansprekende Nouvel Parti Anticapitaliste (NPA). Zelfs Nederlandse kranten schreven positief over hun verwachte onstuitbare succes. In de EP-verkiezingen van 2009 werden ze aanvankelijk gepeild op 11 zetels. Toen ontbrandde in Frankrijk het debat over hun bereidheid tot meeregeren in een linkse coalitie. De allesbeheersende vraag werd hoe ‘nuttig’ ze daarvoor waren. Dat bleek hun kwetsbaarste punt. In theorie waren ze daar wel voor maar ze lieten blijken dat dit voor hen niet urgent was, gezien de tekortkomingen van eerdere regeringen van sociaaldemocraten en communisten samen. Terechte kritiek, maar meer geschikt als zelfbevrediging dan publieksgericht. Hun kiezers liepen massaal weg naar de buren want de NPA was niet langer ‘nuttig’. In het EP haalden ze tot ieders verbijstering nul zetels, en ook als beweging zijn ze sindsdien uitgespeeld. De ‘officiële’ communisten van PCF/Front de Gauche/France Insoumise – die wel opnieuw bereid waren tot links meeregeren – stonden er in de aanloop naar die verkiezingen slecht voor, maar behielden als gevolg van de onhandigheid van de NPA wél hun zetels.

Ik zie daarin opnieuw de praktijkbevestiging dat je kiezers alleen overtuigt met een duidelijk uitgesproken regeerwil en bijdragen aan meerderheidsvorming, en niet uitsluitend door scherpe analyses van het kapitalisme en verre idealen. Echte veranderingspartijen hebben het nodig dat velen verlangen naar uitvoering van hun plannen. Ze worden pas groot als iedereen verwacht dat hun acties blijven slagen en dat ze binnenkort de macht overnemen. Om onder de kiezers groot te worden moeten partijen elke keer aantonen hoe nuttig ze zijn voor een nieuwe regering of gemeentebestuur. Overtuigen dat juist zij het zijn die ervoor zorgen dat het binnenkort echt beter wordt. En na vier jaar bewijzen dat dit resultaten oplevert die smaken naar meer en toekomstige generaties een beter leven verschaffen. Zonder dit te doen resteert slechts een rol als eeuwig aanklagende buitenstaander die er nooit in slaagt om massale bijval voor verbeteringen te organiseren. Dan bewijs je vooral dat wie verbetering wil alleen terecht kan bij de blijkbaar meer serieuze veranderingsbewegingen van sociaaldemocraten en groenen.

Het gaat er nu om dat de verschillende stromingen binnen de SP, en liefst binnen links als geheel, elkaar op korte termijn vinden in een winnend model in plaats van de strijd jarenlang te vertragen met reeksen botsende modellen die nooit bleken te functioneren. De SP zat jarenlang gevangen op een doodlopende weg, maar daaruit kan ze ontsnappen als ze laat zien dat haar meebesturen op een voor socialistische doelstellingen nuttige wijze wordt ingezet. Ze is zelfs nog steeds in staat om in een front met andere partijen en bewegingen op den duur de trekkersrol te vervullen in het overgangsproces van kapitalisme naar socialisme. Maar dan moeten we dat natuurlijk wel eerst zelf willen.