Socialistische wereldbeschouwing
Socialistische wereldbeschouwing

Socialistische wereldbeschouwing

Dit is deel één van een reeks die Willem de Vroomen in het kader van zijn socialistische wereldbeschouwing schrijft. In dit deel gaat hij in op filosofie en materialistische dialectiek.

Filosofie

Socialisten weten dat de maatschappij kan veranderen. Zij zijn van mening dat extreme maatschappelijke ongelijkheid, bestaansonzekerheid, onveiligheid en oorlogsdreiging geen onveranderlijke gegevens zijn, maar het resultaat van specifieke, historisch bepaalde ontwikkelingen. En dat verandering nodig, maar vooral ook mogelijk is. De overtuiging dat verandering nodig en mogelijk is, is gebaseerd op een specifieke kijk op de werkelijkheid: de socialistische filosofie of wereldbeschouwing.

Die filosofie, het dialectisch materialisme, bestaat uit twee onderdelen: materialisme en dialectiek. Met filosofie wordt de algemene manier van denken over de natuurlijke en maatschappelijke werkelijkheid bedoeld; ideologie of wereldbeschouwing. Toegepast op de natuurlijke werkelijkheid heet die filosofie dialectisch materialisme. Op de maatschappij, op de geschiedenis en historische ontwikkeling van die maatschappij toegepast: historisch materialisme.

Het eerste onderdeel is materialisme. De materialistische filosofie gaat uit van het feit dat er een natuurlijke, materiële werkelijkheid bestaat: de aarde, de zon, de sterren, de planten en dieren, de mensen die in staat zijn te denken en over een bewustzijn beschikken. En dat er naast deze materiële werkelijkheid geen andere werkelijkheid bestaat of kan bestaan. Er bestaan geen boven- of buitennatuurlijke krachten of verschijnselen, deze kùnnen ook niet bestaan. De mens is een onderdeel van de natuurlijke materiële werkelijkheid; het bewustzijn is een eigenschap van de mens. Denk materialistisch en handel daar naar. Materialistisch in de filosofische betekenis. Materialistisch betekent niet: alleen maar aan materiële dingen denken. En alleen maar waarde hechten aan geld en goed, bezit en rijkdom. Materialistisch in filosofische zin betekent: er vanuit gaan dat de materie, de materiële werkelijkheid, het belangrijkste is, de basis. En dat al het geestelijke daarop gebaseerd is en daarvan afgeleid. Om het eenvoudig te zeggen: er bestaat geen geest zonder materie. Het bewustzijn, de geest, de ziel, of hoe het ook genoemd wordt, is een product van het lichaam. Het kan niet buiten het lichaam bestaan. Ook het denken zelf is een product van het lichaam. De gedachte dat de ziel, de geest of het bewustzijn na de dood voortleeft is in de materialistische manier van denken niet langer houdbaar. Een hiernamaals en een leven na de dood bestaan niet. En het geloof in god of in goden is gebaseerd op een niet-materialistische manier van denken. Goden bestaan niet in de materiele werkelijkheid. Tegelijk betekent dat niet dat het geestelijke niet van belang zou zijn. De conclusie is niet dat alles eigenlijk alleen maar materie is. 

Er is sprake van een belangrijke wisselwerking tussen geest en materie. Met name de ontwikkeling van de maatschappelijke werkelijkheid wordt voor een belangrijk deel bepaald door gedachten en ideeën over die werkelijkheid. Zonder daarbij uit het oog te verliezen dat die gedachten en ideeën niet uit zich zelf vanuit het luchtledige ontstaan maar een product zijn van die zelfde concrete maatschappelijke werkelijkheid. Zoals ook ideeën over de materiële natuurlijke werkelijkheid hun oorsprong vinden in die materie.

Het tweede onderdeel is dialectiek. Grondlegger van de moderne dialectiek is eigenlijk de filosoof Hegel. Maar hij ontwikkelde een bovennatuurlijke dialectiek: een dialectiek die alleen in het denken, de geest, het bewustzijn voorkomt. En volgens Hegel dus niet in de concrete werkelijkheid; de natuur, de materie, de maatschappij. 

Tegenover die dialectiek van Hegel staat de materialistische dialectiek. De dialectiek is de leer van verandering en ontwikkeling. Het is niet zozeer een leer, maar vooral een methode van onderzoek en een leidraad bij het praktisch handelen: wetenschappelijk en maatschappelijk. Wetenschappelijk in de natuurwetenschap, maar volgens Karl Marx ook in de maatschappijwetenschap (geschiedenis, sociologie, filosofie, enz.). En dialectiek is tegelijk ook een kenmerk van de materiële en maatschappelijke werkelijkheid zelf.

Het uitgangspunt van de dialectiek is dat de materiële en maatschappelijke werkelijkheid steeds in ontwikkeling en in verandering is. Maar dialectiek is ook een methode: Een manier van denken over en bestuderen van die werkelijkheid. We bestuderen zaken niet los van elkaar, maar in samenhang en wisselwerking met elkaar. En we letten bij het bestuderen van de werkelijkheid vooral op veranderingen (en niet alleen op het blijvende, hoewel dat blijvende ook van belang is), zowel op langzame kwantitatieve veranderingen als op sprongsgewijze kwalitatieve veranderingen. Ontwikkeling en verandering van de werkelijkheid worden veroorzaakt door tegenstellingen in die werkelijkheid en door de strijd tussen die tegenstellingen. 

De dialectiek is niet slechts een methode van onderzoek, maar ook een methode voor ingrijpende verandering van de werkelijkheid. Bij het werken aan een ingrijpende verandering van de maatschappij moet de politieke praktijk gebaseerd zijn op grondig onderzoek. Op concrete analyses van concrete situaties met behulp van de dialectische principes. Praktijk en kennis, kennis en praktijk, in voortdurende wisselwerking.
“Niets is eeuwig, behalve verandering” (Friedrich Engels)

Karl Marx en Friedrich Engels hebben de filosofie van het dialectisch en historisch materialisme ontwikkeld. Op basis van die filosofie hebben zij het marxistische model geformuleerd:

– over de wetmatigheden in de historische ontwikkelingen en veranderingen in de menselijke samenleving; en 
– over de wetmatigheden van de kapitalistische economie.

Het volgende citaat van Marx vat het allemaal kort samen:

“In de maatschappelijke productie van hun leven treden de mensen in bepaalde, noodzakelijke, van hun wil onafhankelijke verhoudingen, productieverhoudingen; deze productieverhoudingen beantwoorden aan een bepaald ontwikkelingsniveau van hun materiële productiekrachten. 
Het geheel van deze productieverhoudingen vormt de economische structuur van de maatschappij, de materiële basis waarop zich een juridische en politieke bovenbouw verheft en waaraan specifieke maatschappelijke vormen van bewustzijn beantwoorden. De wijze waarop het materiële leven wordt geproduceerd, is voorwaarde voor het sociale, politieke en geestelijke levensproces in het algemeen. 
Het is niet het bewustzijn van de mensen dat hun zijn, maar omgekeerd hun maatschappelijk zijn dat hun bewustzijn bepaalt.  
Karl Marx 1859.

Engels formuleerde het zelfde inzicht, in iets andere woorden, in 1882:

“De materialistische geschiedbeschouwing gaat uit van de stelling, dat de productie en na de productie de ruil van haar producten, de grondslag is van iedere maatschappij-orde. Dat in iedere in de geschiedenis optredende maatschappij de verdeling van de productie en daarmee de sociale indeling in klassen en standen zich er naar richt, wat en hoe geproduceerd wordt en hoe het geproduceerde geruild wordt. Op grond hiervan zijn de laatste oorzaken van alle maatschappelijke veranderingen niet te zoeken in de hoofden der mensen, niet in hun dieper wordend inzicht in de eeuwige waarheid en gerechtigheid, maar in veranderingen in de productie- en ruilwijze. Zij zijn te zoeken niet in de filosofie, maar in de economie van het betreffende tijdperk.” Friedrich Engels, 1882.

Of anders gezegd: De vooruitgang van de mensen en van de maatschappij berust op de ontwikkeling van de productiemiddelen, gekoppeld aan de vaardigheden van de mensen om er gebruik van te maken. Die mate van ontwikkeling van productiemiddelen en menselijke vaardigheden noemen we de stand van de productiekrachten op een bepaald moment. Tegelijkertijd is er een ontwikkeling in de maatschappelijke verhoudingen waarin de productie plaats vindt: de productieverhoudingen. Die productieverhoudingen zijn in laatste instantie eigendomsverhoudingen, klassenverhoudingen, gebaseerd op het al dan niet bezitten van productiemiddelen. De productieverhoudingen noemen we ook wel de onderbouw van de maatschappij. Op die onderbouw is de maatschappelijke bovenbouw gebaseerd: recht, filosofie, godsdienst, economie, sociologie, kortom de heersende ideologie. Als de onderbouw verandert, verandert na verloop van tijd ook de bovenbouw. 

De stand van de productiekrachten samen met de daaraan gekoppelde productieverhoudingen noemen we de productiewijze. In de laatste twee eeuwen is er in steeds grotere delen van de wereld de kapitalistische productiewijze, in de Middeleeuwen was er de feodale productiewijze, daarvóór de productiewijze gebaseerd op slavernij.

De ingrijpende overgang van de ene productiewijze naar de andere vindt plaats op momenten in de menselijke geschiedenis wanneer de verdere ontwikkeling van de productiekrachten niet meer tot stand kan komen binnen de bestaande productieverhoudingen.  De huidige kapitalistische organisatie van de productie en van het maatschappelijk leven (de kapitalistische productiewijze) kwam tot bloei in de achttiende en negentiende eeuw (van ongeveer 1700 tot 1900). In de huidige 21ste eeuw is die kapitalistische productiewijze wereldwijd aanwezig: globalisering.


Het Communistisch Platform verschaft kameraden uit alle hoeken van de socialistische beweging de mogelijkheid van communisme.nu gebruik te maken om discussie te voeren. Tenzij anders vermeld zijn gepubliceerde artikelen en brieven daarom niet per se representatief voor de opvattingen van het Communistisch Platform.