Deel 3 – Het karakter van de revolutie

Er zijn geen kortere wegen naar het vestigen van arbeidersmacht en, uiteindelijk, socialisme. Staatsgrepen of andere overnames van de macht door een minderheid zijn gedoemd tot falen, net zoals deelname aan kapitalistische regeringen.

Het kapitalisme kan enkel worden overwonnen door de arbeidersklasse die op internationaal vlak is verenigt en alle onderdrukten in haar beweging verenigt. Zonder arbeidersmacht kan er geen socialisme bestaan, geen universele menselijke vrijheid, geen productie naar behoefte, geen einde aan de uitbuiting.

Enkel een revolutie die wordt ondersteunt door de grote meerderheid kan het socialisme worden gevestigd. Vreedzaam als het kan, met geweld als het moet.

3.1 – Klassen in de revolutie

De arbeidersklasse is de enige klasse met een consequent revolutionair belang. Zonder eigendom te hebben over de productiemiddelen in de maatschappij heeft het niets te verliezen behalve haar kettingen. Op zichzelf aangewezen, op basis van spontane uitbarstingen van klassenstrijd, zit het vol tegenstellingen en bestaat het enkel als onderdanige klasse dat weliswaar capabel is om zich hevig te verzetten tegen haar economische uitbuiting, maar niet in staat is om de economische relatie en de politieke machtsverhoudingen ter discussie te stellen. Ze wordt, als klasse, pas bewust van haar historische taak wanneer het een socialistisch programma accepteert.

De arbeidersklasse beslaat het overgrote merendeel van de bevolking in Nederland en Europa, maar ook de VS, Japan en andere ontwikkelde kapitalistische machten. De arbeidersklasse beslaat niet enkel de werkenden, maar ook de werklozen, de pensioengerechtigden, zij die ziek zijn, verzorgers van kinderen en ouderen, studenten die worden getraind voor de arbeidsmarkt, etc.

De traditionele scheiding tussen handarbeid en hoofdarbeid, blauwe en witte boorden, is steeds minder belangrijk geworden door de maatschappelijke ontwikkeling. Het beslaat eenieder die slechts één economisch middel heeft en deze tegen een zo’n goed mogelijke prijs moet verkopen: arbeidskracht.

Als de arbeidersklasse zichzelf niet verheft als onderdanige klasse, zal ze zichzelf steeds weer in de weg zitten door tegengestelde krachten die elke sectie van haar klasse tegen de andere opzet.

De kapitalistische klasse – zij die leven van de arbeid van anderen en die de groei van kapitaal verzorgen – zijn maar heel klein in aantal. Maar geschiedenis, rijkdom, posities van macht en connecties met het staatsapparaat, maken het tot de heersende klasse. Haar ideeën, gevoed door de productiemodus zelf, zijn de heersende ideeën van de maatschappij.

Er zijn echter diepe tegenstellingen. Niet enkel is de ene individuele kapitalist opgezet tegen de andere in de markt, maar financieel kapitaal buit industrieel kapitaal uit en grootkapitaal buit kleiner kapitaal uit.

Wat betekent dit voor de kleinere kapitalist? Aan de ene kant lijdt de kleinere kapitalist omdat ze een kleiner gewicht heeft op de markt en minder intieme relaties heeft met de staat. Aan de andere kant heeft ze baat bij het feit dat grootkapitaal wereldwijd opereert en de mogelijkheden heeft om de arbeidersklasse rustig te houden.

Alle kapitalisten zijn verenigt in de noodzaak om de arbeidersklasse voor eeuwig louter loonslaaf te laten zijn. Naast tegenstellingen zijn er dus ook grote overeenkomsten. De tegenstellingen staan hierbij altijd op de tweede plaats.

Dit is gespiegeld op politiek vlak. Kleinere kapitalisten zijn verenigd achter de monopoliën en grote financiële bedrijven, ze hebben geen eigen stem. Ideologisch zijn ze erg bekrompen. Kleine kapitalisten proberen invloed uit te oefenen in instituten die over het geheel volledig zijn onderworpen aan de behoeften van grootkapitaal.

De taak van socialisten is om de arbeidersklasse los te breken van elke invloed van elke sectie van de kapitalistische klasse. Er kan geen strategische alliantie met de kleinere kapitalisten tegen het grootkapitaal. Individuen van de kapitalistische klasse kunnen onze kant kiezen, maar nooit een sectie. De arbeidersklasse kan en moet echter haar voordeel halen uit de tegenstellingen in de kapitalistische klasse. Sommige kapitalisten kunnen eisen van de arbeidersbeweging steunen, hoewel dit andere kapitalisten ondermijnd. Toegevingen kunnen breuken veroorzaken in de gelederen van onze vijand en kunnen secties ervan neutraliseren.

De middenklasse, waaronder de klassieke kleinburgerij – de zelfstandigen, advocaten en andere professionals – en ook het middenmanagement, middenlaag ambtenaren, vakbondsvertegenwoordigers, vloeien over in de kapitalistische elite aan de bovenkant en in de arbeidersklasse aan de onderkant. Onvermijdelijk beweegt het tussen de twee hoofdklassen in de maatschappij. Waar het een zelfstandig politiek programma heeft, is het gebaseerd op een reactionair en utopisch verlangen naar een kleinschalige, op de familie gebaseerde productie op nationale schaal.

Waar het kapitalisme onverbiddelijk de omstandigheden van de productie blijft revolutioneren, worden de privileges van elementen van de middenklasse ondermijnd. Zulke processen geven kunnen politiek erg explosief zijn en kan het proces van proletarisering versnellen. Economische crises veroorzaken hevige opschudding in de middenklasse en zet ze op het politieke toneel.

Arbeiders moeten deze kansen waarnemen, waar mogelijk verbonden sluiten met zulke organisatorische uitdrukkingen van van deze opschuddingen, waar ze niet tegen haar eigen belangen in gaat.

De middenklasse kan nooit worden gezien als een natuurlijke of permanente bondgenoot van de arbeidersklasse. Dat gezegd hebbende kan het losweken van deze elementen van kapitaal veel stoom ontnemen van onze vijand en momentum toevoegen aan de revolutie.

3.2 – De grondwet van de arbeidersklasse

Deze sectie beschrijft de organisatie van de staat en het politieke leven. Het is de uitkomst en voortzetting van onze onmiddellijke eisen.

Het mag wellicht tegenstrijdig lijken, maar het doel van deze grondwet is haar het faciliteren van haar eigen opheffing. De grondwet van de arbeidersstaat is aan het einde van de rit slechts een blaadje papier, een historisch document, wanneer de staat met de klassensamenleving ophoudt te bestaan.

De principes van deze grondwet zijn niet slechts abstracte zaken, noch een utopische droom. Ze komen voort uit een wetenschappelijke analyse van de klassenstrijd.

Wij strijden om het volgende te bereiken:

  • De hoogste politieke macht zetelt in het parlement, welke is geloot of gekozen en in het laatste geval ten alle tijde afzetbaar. Salaris van elke vertegenwoordiger is nooit hoger dan het gemiddelde loon van een geschoolde arbeider.
  • Alle partijen die de wetgeving van de nieuwe revolutionaire orde accepteren als bindend zullen vrij zijn in hun doen en laten. We accepteren dat een partij of een coalitie de bestaande revolutionaire regering vreedzaam opvolgt. Minderheden hebben het recht om en moeten de mogelijkheid krijgen tot het verkrijgen van de meerderheid.
  • Er kan geen sprake zijn van financiële drempels om mee te doen aan verkiezingen. Alle tellingen dienen openbaar te gebeuren.
  • Lokale overheidsorganen moeten een grote mate van autonomie hebben.
  • Het principe van een open en transparante overheid is gegarandeerd.
  • Alle internationale verdragen die tegen de belangen van de arbeidersklasse zijn worden ingetrokken.
  • Er zal geen sprake zijn van censuur. Er moet een recht zijn om over alle onderwerpen openlijk te kunnen communiceren.
  • Het staande leger en de politiemacht worden opgeheven. In hun plaats komt een volksmilitie dat een uitdrukking geeft aan het recht van eenieder om wapens te dragen.

3.3 – Economische maatregelen

De arbeidersstaat erft niet enkel de sectoren van de economie die het kapitalisme op haar eigen manier heeft gesocialiseerd, maar ook de sectoren die eigendom zijn van van het kleine kapitaal en de kleinburgerij en een middenklasse die verschillende monopolies bezit op kennis en vaardigheden. Onder deze omstandigheden zijn universele nationalisatie, gedwongen collectivisatie en gelijk loon voor iedereen uitgesloten, de geschiedenis wijst uit dat dit enkel leidt tot een ramp.

Planning en overheidscontrole op de financiële sector en monopoliën zijn zaken die voortkomen uit de kapitalistische ontwikkeling zelf. Onteigening moet worden gebruikt als politiek wapen tegen die kapitalisten die tegenwerken of zich harder verzetten. Maar de volledige socialisatie van de productie is afhankelijk van en kan alleen verder gaan op basis van het verdwijnen van de monopoliën van kennis en vaardigheden van de middenklasse en, daarmee, de verdeling van de arbeid.

De economie onder de heerschappij van de arbeidersklasse zal daarom tegenstellingen kennen: er is een gesocialiseerd deel en een deel dat zal bestaan uit overlevende kapitalistische elementen. Het doel is om langzaam maar zeker het gesocialiseerde deel van de economie uit te breiden om zo de marktlogica en de wet van waarde te vervangen voor bewuste planning op basis van menselijke behoefte.

Het socialisme zal daarmee de waar weer terug transformeren in een product en arbeid direct sociaal maken.

Om dit te faciliteren voorzien we de volgende maatregelen:

  • De radicale uitbreiding van democratische besluitvorming in de gesocialiseerde sector van de economie. Managers moeten worden gekozen of geloot en dienen slechts korte termijnen te zitten, waarna iemand anders de plek zou moeten innemen. Alle belangrijke besluiten die zijn gerelateerd aan productie, aannemen of ontslaan, etc., mogen alleen worden genomen door de arbeidersraad.
  • Kortere werkweek en een grote uitbreiding van het volwasseneonderwijs om het veranderen van werk te ondersteunen en om leidinggevende en coördinerende posities in te kunnen vullen.
  • In de overgebleven kapitalistische sector zijn alle rechten van arbeiders gegarandeerd.
  • Werkloosheid wordt afgeschaft. Er is een sociale plicht voor iedereen om te werken, met uitzondering van diegenen die vanwege ziekte, zwangerschap of leeftijd dit niet kunnen doen.
  • Planning moet worden gebaseerd op de grootst mogelijke participatie en discussie van het besluitvormingsproces.
  • Productie wordt ingezet om sociaal nuttige doelen te bereiken en wordt gereorganiseerd om zo sociale en internationale ongelijkheden op te heffen.
  • Formele rechtspersonen worden afgeschaft. Mazen in het belastingsysteem worden gedicht en het erfrecht wordt volledig progressief gemaakt.
  • Belastingmaatregelen en andere zaken om coöperatieven aan te moedigen en te ondersteunen.