De coöperaties tijdens en na de Russische Revolutie

Sovjetcoöperatie

Heel wat marxisten blijven in het ongewisse over de arbeidersbeweging (vakbonden, coöperaties, verenigingen) ten tijde van de Russische Revolutie. Mede door de exclusieve focus op de partij.

We vertalen daarom een geschiedenis van de Russische coöperaties om zo een beter idee te hebben van de partij-beweging die de weg bereid heeft voor de Russische Revolutie. Vandaag in deel 2: de ontwikkelingen binnen de coöperatieve beweging tot aan de introductie van de Nieuwe Economische Politiek.

Na de Februarirevolutie van 1917 begeven de coöperaties zich op het politieke toneel. Hun leiders ondersteunen de Voorlopige Regering die zich over een liberale wet van 20 maart 1917 over de coöperatie buigt. Het pan-Russisch congres van de coöperaties bevestigt officieel de politiek van de Kerenski-regering die op haar beurt de coöperatieve beweging een golf van bestellingen van goederen verzekert.

Zes maanden na de Oktoberrevolutie, op 12 april 1918, publiceert de Raad van Volkscommissarissen een decreet over de organisatie van de coöperaties die de taak toegewezen krijgen om de distributie te verzekeren. Tegenover de dramatische desorganisatie van het distributiesysteem engageren de Bolsjewieken zich in een politiek van compromissen met de coöperatieve sector.

Ondanks de economische ravage door de imperialistische oorlog en de burgeroorlog, blijft de coöperatieve sector relatief sterk. In 1918-1919 gaat het over 400 miljoen ton granen en 51 miljoen ton boter die langs dit systeem passeren. In die periode voorzag het systeem evengoed het Rode Leger van schoenen en stoffen. Volgend op het decreet van 1918 werden de burgerlijke lagen uit de leidinggevende organen verwijderd van de landbouwcoöperaties. De kanteling van het coöperatieve systeem in de richting van de Sovjetmacht wordt bevestigd tijdens het derde congres van de arbeiderscoöperaties van december 1918 waar Lenin het woord neemt.

De federatie van verbruikerscoöperaties organiseerde toen 75 procent van de bevolking. Op het platteland werden gespecialiseerde coöperatieve sectoren opgezet: Lodoovoshch (fruit en groenten), soiuzkartofel (aardappelen), pen’kosoiuz (textielplant hennep), enzovoort. Nochtans vorderde dit streven naar specialisatie per productietak traag, want veel coöperaties wensten meerdere productietakken te behouden.

Op 20 maart 1920, tijdens het “oorlogscommunisme”, besliste een decreet de coöperatieven tot staatsorganen te maken. De staat brengt de agriculturele productieorganisatie direct onder controle net zoals de handel tussen de stad en het platteland. Lidmaatschap van de verbruikerscoöperaties is voortaan verplicht. Zij werden aanhangsels van het Commissariaat van Voedselvoorziening. Nochtans lokten deze ontwikkelingen heel wat discussies uit in de schoot van de Bolsjewistische partij. Ook bij de leiding.

Datzelfde jaar, toen de imperialistische landen besloten hun verstikkende economische blokkade tegen de Sovjet-Unie op te heffen, probeerden deze landen nieuwe handelsbetrekkingen aan te knopen over levensmiddelen en grondstoffen en ze uitsluitend via de Russische coöperaties te laten verlopen. Dit was een maneuver om het monopolie van de staat over de buitenlandse handel te breken. De vertegenwoordigers van de centrale organen van de Russische coöperaties (Centrosoyouz) trokken niettemin naar Londen om er handelsverdragen te onderhandelen.

Op het tiende congres van de Communistische Partij (Bolsjewieken, maart 1921) verdedigde Lenin in het kader van de introductie van de Nieuwe Economische Politiek een zo groot mogelijke vrijheid van handelen voor de coöperaties. Op 7 april 1921 bevrijdde een nieuwe decreet ondertekend door Lenin het coöperatieve systeem van de betutteling door het Commissariaat van Voedselvoorziening. Het autoriseerde de creatie van een verbruikersvereniging op vrijwillige basis.

De artikels 5 en 6 stelden dat “de coöperatieve maatschappijen het recht zullen hebben om het surplus aan landbouwproducten te kopen van de landbouwbedrijven, net als producten uit de kleine en artisanale bedrijven. Zij zullen ook handel kunnen drijven, de producten afstaan, of verkopen”, en dat “de coöperatieve maatschappijen het recht hebben bedrijven te organiseren voor de uitbating en verwerking van producten. Zij mogen ook moestuinen aanleggen, net als melkerijen en andere bedrijven van dat genre. Ze mogen verantwoordelijk zijn voor de levering en de opslag van voedsel, en de distributie aan private coöperaties, overheden en particulieren.”

Tijdens de eerste jaren van de NEP maakten de verbruikerscoöperaties een nieuwe ontwikkeling door. Zij beschermden de boeren tegen het handelskapitaal. In de jaren twintig was meer dan de helft van de kruidenierszaken van de dorpen coöperatief uitgebaat, wat weliswaar ruimte maakte voor private handelaars en speculanten.

In het slotgedeelte bespreken we de houding van Lenin ten opzichte van de coöperaties aan het einde van zijn leven.