De opkomst en neergang van het Bolivarianisme

Niet voldoende zonder het ontmantelen van de oude staat.

Niet voldoende zonder het ontmantelen van de oude staat.

Tim Cornelis blikt terug op wat er mis ging in Venezuela en haar “Bolivariaanse revolutie” en trekt lessen voor nu.

Op 6 december 2015 is de Bolivariaanse Republiek Venezuela begraven. De Verenigde Socialistische Partij van Venezuela (PSUV) verloor onder leiding van Maduro van de rechtse oppositie, die zich had verenigd in de MUD. De Bolivariaanse Revolutie is ten gronde gericht. Tijd voor een Marxistische analyse om dit falen te evalueren. Ik kijk naar de resultaten van ruim 15 jaar Bolivarianisme in Venezuela en Latijns Amerika, naar de mogelijkheid om socialisme door en in te voeren via de moderne of burgerlijke staat, en relateer dit ook deels aan de situatie in Nederland met onder andere de Socialistische Partij.

De Bolivariaanse Revolutie (in Vogelvlucht)

De zogenoemde Bolivariaanse Revolutie, vernoemd naar de onafhankelijkheidsstrijder(leider) Simón Bolivar, begon met het aantreden van de eerste regering van de PSUV onder leiding van Hugo Chavez in 1999. Bolivarianisme, of soms Chavismo, streeft naar sociale rechtvaardigheid, basisdemocratie, pan-Americanisme als anti-imperialisme, en economische zelfredzaamheid. Het Bolivarianisme was een aanval op het neoliberalisme, ook al pretendeerde het een aanval te zijn op het kapitalisme als geheel. In Venezuela leidde het Bolivarianisme tot veel enthousiasme en steun, en haar invloed bleef niet beperkt tot Venezuela. In Bolivia kwam de socialistische Morales aan de macht in 2005. De in 2004 opgerichte ‘Bolivariaanse Alliantie voor de Volkeren van ons Amerika’ (ALBA) had in eerste instantie twee lidstaten, Cuba en Venezuela. Later voegde zich bij hen ook Bolivia, Ecuador, Nicaragua, Antigua en Barbuda, Dominica, Grenada, St. Kitts en Nevis, St. Lucia, St. Vincent en de Grenadines. Iran en Syrië, fijne bondgenoten, zijn observatieleden, alsook Haïti.

In Venezuela vertaalde de Bolivariaanse Revolutie zich naar de praktijk door het gebruik van olieopbrengsten voor sociale voorzieningen, het opzetten van lokale raden die door middel van volksvergaderingen aan publieke besluitvorming mocht doen, het aanbieden van gratis gezondheidszorg en vaccinaties aan de allerarmsten, sociale winkels waar goedkoop eten aangeboden werd, en andere sociale maatregelen die armoede moesten onderdrukken. Dit had een vrij groot succes. De extreme armoede in Venezuela viel significant. In 1999 werd 23.4% van de bevolking tot extreem armoedig gerekend. In 2011 zou dit nog slechts 8.5% zijn geweest. Ook in de algemene armoedemetingen viel armoede, namelijk van 36% in 2006 naar 25% in 2015. De werkloosheid werd gehalveerd in de periode 1999-2012, maar was rond de 7% nog steeds hoog. Daarnaast nationaliseerde de Republiek een aantal bedrijven, en richtte het een groot aantal coöperatieven op die onder beheer van de werknemers te staan kwamen. Verder werden maximumprijzen ingevoerd om essentiële goederen betaalbaar te houden voor de gewone Venezolaan vanwege de relatief hoge inflatie. De Bolivariaanse Republiek erfde een gigantische inflatie van vorige regime’s, en kon deels worden beteugeld. In de laatste paar jaren kon dit succes echter niet vastgehouden worden.

De successen van de Bolivariaanse Revolutie zorgde dat de PSUV veel steun genoot, en tot eind 2015 geen verkiezingen verloor, op één referendum na. Maar de successen brachten ook significante minpunten met zich mee. Economische groei werd wel gerealiseerd maar het stagneerde, en de economie haperde, onder andere door kapitaalvlucht. Toen de wereldwijde economische crisis toesloeg, had Venezuela meer moeite om eruit te klimmen dan andere Latijns Amerikaanse landen. Daarnaast is Venezuela sterk afhankelijk van olieprijzen die onderworpen zijn aan de grillen van de internationale markt om sociale voorzieningen mee te financieren. De recentelijke relatief lage olieprijzen hebben de financiële gezondheid van de Venezolaanse overheid dan ook in de problemen gebracht. Het meest tergende probleem voor Venezuela en haar economie zijn echter de grote tekorten aan consumentengoederen, aan de hand waarvan sommigen parallellen zien  met de Sovjet Unie van de jaren ’80. Om ervoor te zorgen dat kapitaalvlucht beperkt bleef en arme Venezolanen ondanks inflatie altijd goederen konden blijven betalen voerde de socialistische overheid deviezen- en prijscontroles door. Dit verergerde de situatie alleen. Prijsplafonds drukte de winsten van kapitalisten die daarop productie terug hebben geschroefd. Hierop beschuldigde de regering hen van sabotage en sprak van “economische oorlogsvoering.” In sommige gevallen werd zelfs het leger ingezet om kapitalisten te dwingen om volle capaciteit door te produceren. Dit creëerde meer impuls voor kapitaalvlucht. Deviezencontrole, waarbij beperkingen op vreemde valuta ingevoerd werden, moesten kapitaalvlucht beperken, maar beperkten ook de invoer en uitvoer van waren en goederen en droegen bij aan de tekorten van vele consumentengoederen. Rechtse of bourgeois critici zullen de reductionistische bewering maken dat dit komt omdat socialisten de “menselijke natuur” negeren, en dat men alleen produceert voor winst en eigenbelang en niet voor het gemeenschappelijke goed. Dit is natuurlijk alleen van toepassing in een systeem gebaseerd op winstproductie en alleen relevant binnen kapitalisme. Het unieke karakter van kapitalisme wordt door deze bourgeois criticus weggeabstraheerd en universeel gemaakt. Dit terzijde.

Het haperen van de productie in Venezuela werd veroorzaakt doordat de regering het welzijn van mensen boven de winsten van kapitalisten stelde, hetgeen heeft gezorgd voor gigantische onzekerheid en chaos in het land. De rechtse critici beweren dat de socialisten Venezuela onderworpen hebben aan ‘economisch mismanagement’ (of wanbeleid), en de economie geruïneerd met hun sociaal en economisch beleid. De socialisten beweren daarentegen dat de kapitalisten, geholpen door imperialistische mogendheden, de economie saboteren en de socialistische revolutie ondermijnen.

“Economische oorlogsvoering” of “Economisch wanbeleid”

President Maduro gaf de schuld van de economische chaos aan een intensivering van wat hij “economische oorlogsvoering” noemde, gevoerd door rechtse politici, kapitalisten, en het imperialistische Verenigde Staten. Het is niet de schuld van de socialisten dat het land in economisch zwaar weer verkeerd, maar de schuld van interne en externe vijanden van de revolutie. Het is veelvoorkomend dat politici een buitenlandse vijand aanwijzen voor ogenschijnlijk falen of sociale onrust. Of het nu de Zuid-Afrikaanse African National Congress (ANC) is die de communistische Abahlali baseMjondoli (AbM) in eerste instantie wegzette als pionnen van buitenlandse krachten; VVD-kopman Zijlstra die vluchtelingen een gevaar voor de verzorgingsstaat noemt; of de Iraanse theocratische machthebbers die in massaprotesten tegen hun regime de Zionistische hand zien. Meestal zijn dit soort beschuldigen volledig onzin, en soms zit er een kern van waarheid in. Wat is hier van toepassing? Hebben de socialisten economisch wanbeleid gevoerd, of hebben contrarevolutionaire vijanden de economie gesaboteerd?

Het is geen complot dat kapitalisten productie verminderden in de omstandigheden waarin zij zichzelf vonden, en het is evenmin simpelweg “economics” dat zij dit doen. Met andere woorden, het is geen ‘economische oorlogsvoering’ noch is het ‘economisch mismanagement’. Dat laatste suggereert dat de economie mismanaged wordt naar universele normen van de objectieve, gegeven, altijd geldende en dus onveranderlijke karakteristieken van een transhistorische economische logica, die is, die was, en die altijd zal zijn. Met andere woorden, het historische temporele kapitalistische karakter van de huidige economie wordt weg geabstraheerd (daar is onze reductionistische, abstraherende bourgeois criticus weer). Wat men in werkelijkheid impliciet bedoeld wanneer men zegt dat er sprake is van ‘economisch mismanagement’ of ‘wanbeleid’ is dat de overheid met haar beleid niet voldoende de reproductie en expansie van kapitaal faciliteert, of dit zelfs saboteert. Het is niet een universele economische logica die onderworpen wordt door de overheid, maar een kapitalistische economische logica.

Het functioneren van de moderne, burgerlijke staat is gebonden aan de gezondheid van de ‘economie’ (lees: kapitaal), die het moet belasten om aan inkomen te geraken. De staat moet derhalve kapitaalaccumulatie faciliteren als het over een ‘gezonde economie’ wil beschikken die haar van inkomen kan voorzien. Wanneer de moderne staat beleid voert waarbij het de menselijke maat boven winst plaatst, en hun beleid op dit principe afstemmen, zullen de winstmarges van de kapitalisten naar alle waarschijnlijkheid vallen, op basis waarvan de kapitalisten hun economisch gedrag gaan aanpassen. Zij zullen minder investeren of minder produceren, waardoor de economie zal krimpen, of een tekort aan goederen zal ontstaan. Het welzijn van de mens centraal laten staan ondermijnt de logica van het kapitalisme, een systeem gebaseerd op winstbejag ongeacht de sociale kosten en kapitaalaccumulatie. Beleid waarbij menselijk welzijn centraal staat ondermijnt dus de logica van het kapitalistische systeem, en leidt tot economische ineenstorting, stagnatie, of krimp (afhankelijk van de mate waarbij de logica van het kapitalisme ondermijnt wordt door sociaal beleid). Om dit te voorkomen moeten overheden dus door middel van beleid de reproductie en expansie van kapitaal faciliteren—zij is hierin structureel begrensd. Socialistische auteurs Cockshott en Cotrell schrijven hierover: “Op deze manier is de ruimte voor sociaaldemocratische overheden om de klassenstructuur van de samenleving te veranderen inherent zelfbeperkend: pogingen tot radicale herverdeling zullen altijd dreigen de motor van kapitalistische welvaartscreatie te vernietigen waarvan zulke overheden uiteindelijk afhankelijk zijn.” 1.

De moderne staat is dus structureel gedwongen om de reproductie en expansie van kapitaal te faciliteren, en dus om de belangen van kapitaal boven alles te behartigen. Op deze manier heerst kapitaal indirect, maar evengoed dwingend, over de staat. De moderne staat is dus niet een neutrale arbiter tussen verschillende belangen binnen de maatschappij, zoals burgerlijke ideologen geloven, maar is een inherent kapitalistisch orgaan. Het is van essentieel belang voor socialisten en communisten om hiervan doordrongen te zijn. Zijn we dit niet, dan zullen we altijd eindigen zoals de Bolivariaanse Revolutie.

Capitulatie in Bolivia

Een socialist die aan het hoofd staat van een kapitalistische staat heeft twee keuzen wanneer hij geconfronteerd wordt met de realiteit van de huidige klassenmaatschappij: of hij capituleert en gooit het beleid om om zo kapitaalaccumulatie te faciliteren; of hij gaat eigenwijs door met het beleid wat zal leiden tot economische krimp, stagnatie, en chaos, en zal verlies bij verkiezingen gaan leiden of hij zal zich van steeds repressievere maatregelen moeten bedienen om weerstand en vijanden onschadelijk te maken. De PSUV heeft voor de tweede optie gekozen, zoals we hebben gezien. De Boliviaanse Morales en zijn ‘Beweging voor Socialisme’ kozen voor het eerste.

Morales financierde, net als zijn voorbeeld Chavez, sociale voorzieningen met de export van grondstoffen, met name gas. Echter, zou de prijs van gas op de internationale markt vallen, dan zou de inkomstenbron voor deze sociale voorzieningen evengoed wegvallen. Gasexport is geen solide basis voor overheidsinkomsten die gebruikt worden voor structurele uitgaven zoals sociale voorzieningen die op zichzelf geen economische groei stimuleren. Het gevolg is dat Morales zich, terecht, gedwongen zag om een investerings- en ondernemingsklimaat te creëren om een solidere basis voor overheidsinkomsten te creëren. Dat is wat zijn regering gedaan heeft door het deels dereguleren van voorwaarden voor multinationale ondernemingen om in Bolivia te opereren 2. Het ecologische klimaat, wat voor Morales in 2005 nog een stokpaardje was, is naar de achtergrond verdwenen.

Neoliberalisme Verslaan door Vooruit te Gaan

Het streven van het Bolivarianisme ging recht in tegen de wereldwijd dominerende neoliberale paradigma. Door middel van sociaal beleid wilden ze sociale kwalen remediëren. Een economie bouwen die de mensen dient, en niet de winsten, werkt niet binnen het wereldsysteem van kapitalisme waarin de economie op basis van winstbejag en kapitaalaccumulatie opereert, zo is gebleken. Sociaal beleid dat niet de belangen dient van kapitaal is een boei, een rem, op economische groei (lees: op kapitaalaccumulatie). Er is natuurlijk sociaal beleid denkbaar waarbij de belangen van kapitaal gediend worden. Omdat het productieproces complexer is geworden in de twintigste eeuw, met name in geavanceerde kapitalistische landen, is een goed onderwezen bevolking nodig. In eerste instantie was geletterdheid voldoende, maar steeds vaker/meer was dat hoogopgeleid personeel. Wanneer hoger onderwijs niet laagdrempelig is zal er een knel op de aanvoer van hoogopgeleide arbeid ontstaan, wat lonen doet stijgen. Een grote toevoer van hoogopgeleide arbeid drukt de arbeidskosten van dit personeel, wat voordelig is voor kapitaal. Sociaaldemocratische politici worden altijd begrensd in hun handelen door de wensen, eisen, en belangen van kapitaal. Sociaaldemocratische partijen en politici gaan op deze manier meedenken met de logica van de markt, en dus zullen ze kapitaal gaan dienen. Dat betekend in deze fase in de ontwikkeling van kapitalisme dat ze neoliberalisme gaan omarmen. De Nederlandse Partij van de Arbeid (PvdA) is daar natuurlijk het ultieme voorbeeld van, en heeft zichzelf volledig getransformeerd tot een partij voor het kapitaal. Eenzelfde lot dreigt de Socialistische Partij te overkomen. Als Sharon Gesthuizen, zelf een voormalig ondernemer, verkozen zou zijn tot partijvoorzitter zou dit lot bezegeld zijn geweest. Zij stelde dat de SP ook een partij voor ondernemers is, maar meedenken met ondernemers is meedenken met de markt, en dus diens logica. Uiteindelijk zou de SP daardoor steeds meer naar rechts verschuiven om uiteindelijk een PvdA 2.0 te worden.

Als we weer even teruggaan naar sociaal beleid dat kapitaal dient kunnen we ook een vrij recentelijke campagne tegen laaggeletterdheid in Nederland aanhalen. Ongeveer 10% van de Nederlandse bevolking is laaggeletterd, en de overheid en instanties willen dit terugbrengen. Ongetwijfeld zal voor betrokkenen meespelen dat laaggeletterden het lastig hebben en zich voor hun laaggeletterdheid schamen, maar de rationale achter deze campagne is dat het de Nederlandse samenleving 566 miljoen euro per jaar kost, onder andere door een verminderde productiviteit. Zou laaggeletterdheid uitgebannen worden dan betekend dat niet dat de productiviteitswinst van arbeid ook automatisch in de zakken van arbeid terechtkomen, en zullen, zonder het gebruik van klassenwapens (vakbonden, klassenstrijd), in de zakken van kapitaal verdwijnen. Sociaal beleid is dus niet ‘klassenneutraal’. Dit is belangrijk om te realiseren. De grenzen van sociaal beleid worden bepaald door de winstmarges van kapitaal. Willen wij een 100% sociale samenleving, waarbij het om het welzijn van mens draait, en niet een samenleving waarin winst centraal staat, dan zullen wij met de macht van het kapitaal abrupt moeten breken. Dat de Socialistische Partij zich op dit moment “100% sociaal” noemt zonder het expliciet te hebben over het breken met kapitaal is daarom ook utopisch.

Veel socialisten, vooral die van de Socialistische Partij, kijken met heimwee terug naar de jaren ’60 en ’70. Wellicht zullen zij denken, ‘als het kapitaal een dergelijke verzorgingsstaat in de jaren ’70 toestond, dan kan dat nu ook.’ Globalisering heeft echter roet in het eten gegooid. Globalisering is geen politieke keuze geweest, maar ontstond door verbeterde transportatiemethoden: grotere transportschepen en -vliegtuigen. Dit vergrootte de mobiliteit van kapitaal, en derhalve ook hun onderhandelingspositie ten koste van de onderhandelingspositie van arbeid. Eisen we een grotere bijdrage van multinationals aan onze sociale zekerheid door middel van een progressieve belasting, of eisen we betere arbeidsvoorwaarden, dan wordt het snel aantrekkelijk om elders te produceren—kapitaalvlucht. In een context van economische globalisering concurreren landen veel sterker met elkaar om kapitaalvlucht te voorkomen en kapitaal juist aan te trekken, een “race to the bottom”. Onder huidige omstandigheden zal kapitalisme altijd een neoliberale vorm aannemen. De klok terugdraaien is onmogelijk, er is alleen een weg vooruit.

De Toekomst van Venezuela

De nalatenschap van het Bolivarianisme in Venezuela is tweezijdig. Aan de ene kant heeft het verlichting van de lasten op de armen gebracht, aan de andere kant heeft het tegen de belangen van het kapitaal in werken, de economie tot de rand van de afgrond gebracht. Het heeft het land ook diep gepolariseerd, en dat zal gevolgen hebben voor de komende jaren. De rechtse coalitie is intern verdeeld maar zullen hoe dan ook sociale voorzieningen moeten offeren op het altaar van het kapitaal. Een groot punt van kritiek dat geuit werd tegen de PSUV-regering was dat olieopbrengsten gebruikt werden voor sociale voorzieningen, en niet geïnvesteerd werden in de economie om zo te diversificeren en economische groei aan te jagen. Vrijwel onvermijdelijk zal er gesneden gaan worden in de sociale voorzieningen, die, natuurlijk, de armsten keihard zullen treffen. De schappen zullen weer toilet papier hebben, maar de sloppenwijken geen gratis gezondheidszorg. De Chavistas zullen dat niet zomaar accepteren en sociale onrust licht daarom ook op de loer. Hoe die eventuele sociale onrust gaat uitpakken is speculatie. Wel weten we dat het leger, of ten minste delen daarvan, verbonden zijn met het Bolivarianisme. Ook opereert er sinds 1992 een gewapende guerrilla beweging dat zich omgevormd heeft tot de ‘Bolivarische Krachten van Bevrijding’ die over 4,000 leden zou beschikken. Als de PSUV en haar aanhangers niet het tij weten te keren is er een grote kans dat de komende sociale onrust gaat uitmonden in gewapend geweld.

Hoe dan ook, de arbeidersklasse zal verliezen en pijn leiden. Ze beschikken over beperkte organen van arbeidersmacht, zoals gemeenschapsraden, collectieven, en coöperatieven, maar dezen zijn zeer verweven en afhankelijk van de burgerlijke staat. Het is maar zeer de vraag of die op eigen benen kunnen staan, en dus of ze als platform of basis gebruikt kunnen worden om een aanval van de arbeidersklasse te lanceren op het kapitaal, als ze zich daar al voor willen inzetten.

Conclusie

Het bevestigd maar eens te meer dat socialistisch reformisme niet werkt. Het Bolivarianisme heeft niet gefaald omdat het “te links” was, of te “revolutionair”, maar omdat het niet revolutionair en links genoeg was. Een burgerlijke staat dat socialisme invoert is gedoemd te falen. We moeten streven naar het ontmantelen van de burgerlijke staat. Het alternatief is een abrupte en fundamentele omwenteling van de kapitalistische samenleving, een revolutie in de ware zin van het woord.

  1. Cockshott, P.W. & Cottrell, A. (1993). Towards a New Socialism. Nottingham: Russel Press. 1994, p. 3, vrij vertaald
  2. Volkskrant, de. (11 oktober 2014). ‘Evo Morales is her voor het volk’. Geraadpleegd op 9 december 2015: http://www.volkskrant.nl/buitenland/-evo-morales-is-er-voor-het-volk~a3766065/