Waarheen gaat de SP? Een inleiding

Op de Communist University van afgelopen augustus hield het Communistisch Platform een “fringe” bijeenkomst over de SP, een bijeenkomst die buiten het officiële programma valt. Desondanks waren er toch wat gegadigden die nuttige en kritische vragen stelde. In de komende dagen publiceren we over deze bijeenkomst in een drieluik: de introductie – hieronder – door Jos Alembic, de introductie door Rogier Specht en de vragen en antwoorden.

De SP is eigenlijk zowat de oudste onder de “nieuwe” linkse partijen. Wat begon in 1964 als een maoïstische afsplitsing van de op de USSR georiënteerde CPN, kreeg de naam SP pas in 1972. Geheel volgens het maoïsme had de partij haar eigen kleine vakbond (“arbeidersmacht”), een huurdersbond, een milieugroepering en een medische organisatie genaamd “Preventie is beter”, inclusief een huisartsennetwerk genaamd Ons medisch centrum. Deze laatste bestaat nog altijd overigens.

We laten een ballon op voor een socialistische SP. (Bron: sp.nl)

We laten een ballon op voor een socialistische SP (Bron: sp.nl)

Maar al snel begon de partij te focussen op het electorale werk. In 1974 won ze de eerste gemeenteraadszetel. Het zou nog 20 jaar duren vooraleer de eerste twee zetels in het parlement werden binnengehaald. Nederland kent een proportioneel kiessysteem, en omdat er 150 zetels in het parlement zijn, hoeft de partij maar één op 150 stemmen te winnen om een zetel te behalen. Dat maakt de kiesdrempel een stuk lager dan bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk. En dat heeft ook tot gevolg dat er elf partijen in het parlement zetelen, en dat coalities de norm zijn.

De SP heeft momenteel 15 zetels in handen, wat lager is dan het hoogtepunt van 25 zetels op het hoogtepunt in 2006. Toen lag het voorstel op tafel om een centrum-linkse coalitie met de PvdA en de CDA te vormen. Een voorstel dat verworpen werd door de christendemocraten. Het punt dat ik wil maken is dat een dergelijke coalitie voor de SP-leiding een logische stap was na deze verkiezingsoverwinning.

Weer bij het begin: de massale groei van de partij in de jaren negentig. Want die hebben we nog niet verklaard. Volgens de officiële partijgeschiedschrijving, was dit voornamelijk het resultaat van het harde werk om de methoden van de partij in de praktijk om te zetten, en van correcte theoretische aannames. Ik neem aan dat iedereen ter linkerzijde vertrouwd is met deze stelling. In werkelijkheid was er een belangrijkere reden, en die verschilt nauwelijks van die van andere “nieuwe” linkse partijen in Europa. Terwijl veel van die partijen afsplitsingen en samensmeltingen zijn van de voormalige Communistische Partijen, haalde de SP vooral voordeel uit de gestage koers naar rechts van de PvdA aan de ene kant, en de complete ineenstorting van de CPN aan de andere kant. (De CPN ging op in GroenLinks, met een harde kern die de NCPN oprichtte, en een aantal ontevreden stemmen die naar de SP gingen.)

Deze ontwikkeling plaatste de SP stevig op de politieke kaart. Het groeide van 15000 leden in 1992, over een hoogtepunt van 51000 leden in 2007, tot de huidige 43000 leden vandaag. De laatste jaren werden dus gekenmerkt door een gestage neergang in het lidmaatschap.

Een partij met tegenstellingen

Mijns inziens is die neergang het resultaat van een tegenstelling in de partij. Enerzijds beweegt de partij meer en meer in de richting van politieke integratie in het systeem. In meer en meer gemeenten neemt de partij bijvoorbeeld deel aan het bestuur, waarbij ze soms expliciet kapitalistische beleidskeuzes verdedigt. Zoals in Amsterdam, waar ze het beleid van de vorige coalitie erfde en mensen die bijstand nodig hebben verplicht aan het werk zet. (Een systeem dat terecht als “dwangarbeid” wordt omschreven aan de linkerzijde, inclusief de SP zelf.) Veeleer dan dit beleid stop te zetten, voert de SP-wethouders – Arhen Vliegenthart – het loyaal uit.

Anderzijds heeft de partij sterke activistische wortels. Hier zie je dat de partij zich stevig verbindt met de arbeidersbeweging, en dat geeft de partij een proletarisch karakter. Om opnieuw het voorbeeld van Amsterdam te nemen: raadslid Maureen van der Pligt gaf onlangs haar zetel op uit protest over de uitvoering van het dwangarbeidbeleid, vanuit haar positie als iemand die al langdurig strijd tegen deze dwangarbeid structuren voert.

De dagen dat de partij nog een eigen, sektarische miniatuurvakbond had, zijn allang voorbij. Momenteel heeft de partij sterke banden met de arbeidersbeweging. In de huidige voorzittersverkiezing, iets waar we in een andere inleiding op terugkomen, is de sterkste kandidaat ter linkerzijde Ron Meyer, een vakbondsactivist die verantwoordelijk was voor de stichting van een schoonmakersvakbond – een sector die voorheen totaal ongeorganiseerd was.

Er is echter een tendens aanwezig om het activisme achter zich te laten en het parlementaire werk op de voorgrond te plaatsen. De logica van het willen besturen, betekent dat de partij ‘deradicaliseert’ om aanvaard te worden als coalitiepartner. De partij stelt daarom geen republikeinse eisen meer, ze verlaat haar anti-NAVO-standpunt, enzovoort. Dat betekent ongetwijfeld dat meer en meer activisten en sympathisanten vervreemd worden van de partij en haar verlaten.

De partij als uitdrukking van de Nederlandse arbeidersklasse

Zoals ik al aangehaald had, wil de partijleiding deel uitmaken van een landelijke coalitieregering. De verwerping ervan door andere landelijke partij is een belangrijke oorzaak van het feit dat de partij nog altijd in de oppositie zit. Hoewel die situatie de partij populair maakt bij een groot deel van de arbeiders, zit ze wel in een opportunistische positie. De politiek van de partij is op zand gebouwd, doordat ze in haar streven naar die coalitie bereid is heel wat los te laten en dus ook haar linkse politiek. Daar zal het aankomend congres in november over gaan, en het is iets wat Rogier Specht zal bespreken in zijn inleiding.

Om nog een andere voorbeeld te geven: Sharon Gesthuizen verdedigt expliciet de kleinburgerij als een “eerlijke” vorm van kapitalisme. Zij staat niet alleen in die positie. De leiding heeft al vaker de belangen van kleine zaakvoerders verdedigt tegenover het grootkapitaal.

De maoïstische traditie waar de SP van afstamt heeft positieve en negatieve effecten op de partij vandaag. Het positieve is de activistische traditie, de bereidheid om aan de basis te organiseren. Dit hielp de partij om relevant te worden in de landelijke politiek nadat ze haar maoïstisch karakter verloor en geleidelijk het politieke vacuüm ter linkerzijde wist op te vullen.

De negatieve effecten vormen echter de verticale partijorganisatie. Er was nooit een levendige traditie waarin tendensen en fracties met elkaar debatteerden, behalve als het ging om een splitsing. Er was ook nooit een focus op hoog-theoretisch debat en educatie. Klassenstrijd en socialisme zijn een beetje vuil geworden, en worden nu z’n best als romantische ideeën uit het verleden omschreven. Een teken daarvan is de huidige theoretische publicatie van de partij. Het wordt zo weinig gelezen dat de partij het liever niet meer wil uitbrengen. Maar het wordt juist zo weinig gelezen omdat het gevuld wordt met platitudes van leidinggevenden en er nauwelijks ruimte is voor discussie over wat leeft in de partij.

Desondanks blijft de SP de enige partij in het parlement die zich van tijd tot tijd verzet tegen neoliberale beleidskeuzes. Dit – in combinatie met een activistische traditie, de sterke relatie met de arbeidersbeweging en het vacuüm dat de PvdA nalaat – maakt van de SP de verst ontwikkelde politieke uitdrukking van de Nederlandse arbeidersklasse vandaag. Dat betekent misschien niet veel in communistische termen, maar het betekent dat marxisten de partij serieus moeten nemen en moet vechten voor communistische ideeën in de partij.