Vragen bij het derde congres van de Comintern (2)

De publicatie van de notulen van het derde congres van de Derde of Communistische Internationale (Comintern) door John Riddell is een mijlpaal. Hoewel ze ons heel wat antwoorden verschaft, doet de publicatie ook vragen rijzen. Deze vragen springen voort uit de onvermijdelijke contradicties die zich tijdens de werkzaamheden van het congres hebben geuit.

  1. Het derde congres van de Communistische Internationale vond plaats op een kritiek moment.De Comintern stelde zich op als de arbeidersinternationale die de “afgestorven” Tweede of sociaaldemocratische Internationale moest vervangen. Enerzijds komt zij, ondanks haar revolutionair élan en de aanwezigheid van een Communistische regime in Rusland, over als een niettemin zwakke organisatie met een zwakke leiding. Anderzijds opereerde de Internationale wel in de moeilijkste van de moeilijke situaties.
  2. Het beeld van Lenin dat we destilleren uit de documenten is er één van een zoekend leider. Hij had geen grote leidraden meer zoals de werken van de ondertussen tot renegaat gereduceerde Karl Kautsky. Naast de oude contradicties die zich in elke arbeidersorganisatie voordoen, kreeg de jonge Internationale ook met nieuwe problemen af te rekenen. Lenin moest daarom enerzijds compromissen sluiten, nieuwe voorstellen doen, verzoening tot stand brengen, … Anderzijds had hij een sterk talent voor improviseren en een sterk aanpassingsvermogen.
  3. De lessen van de Russische Revolutie moesten verspreid worden – die opdracht had de Internationale zich aangemeten –, maar nergens kon men die lessen ook toepassen als logische conclusies. Duitsland, bijvoorbeeld, bood de meeste kansen, en toch faalde de Internationale juist daar het zwaarst. Was Levi misschien correct, en waren de lessen niet meer toepasbaar? Of was het wel toepasbaar, maar was de jonge Internationale nog te incompetent?

Op deze vragen zijn wij het antwoord voorlopig schuldig. Verder onderzoek zal moeten uitwijzen wat de toedracht was binnen en rondom de jonge Derde Internationale. Alvast kunnen we wel enkele kanttekeningen plaatsen bij de gebeurtenissen van die tijd.

Levi had gelijk?

Levi suggereerde dat de revolutionaire periode voorbij was. Was Levi correct? Waar levi het juist alvast wel bij het juiste eind had, was het gebrek aan massale steun voor de KPD en haar uiterst jonge leiding. De Maartactie telde duizenden deelnemers, maar dan wel in eeen land met een arbeidersklasse van tientallen miljoenen. De KPD ontstond als het ware te laat – kijk maar naar de moord op de communistische leiders binnen de SPD zoals Rosa Luxemburg; maar ook te vroeg – er bestond toen nog geen nieuwe, geharde leiding.

Steun van de massa’s krijgen en vasthouden, gaat niet enkel om de economische ineenstorting van het kapitalisme, of om uit woede zich bewegende massa’s. Het gaat voornamelijk om een geoliede organisatie die geduldig die massale steun heeft opgebouwd in tijden waarin er ook sprake was van bijvoorbeeld economische groei. Een organisatie die niet in de beweging “intervenieert”, maar het orgelpunt is van het economisch en politiek alternatief dat reeds in de beweging aanwezig is.

Vandaar dat Levi de maartactie zowaar de grootste Bakoenistische putch van de geschiedenis durfde te noemen. Zijn stelling was geen teken van fatalisme per se, het was niet zeggen: “we kunnen niets doen”, maar een waarschuwing dat er meer nodig was om vooruit te komen. Ook Clara Zetkin maakte het punt dat de massale steun voor actie er eigenlijk niet was. Het compromis en de verzoeningspogingen van de Comintern over de Maartactie had daardoor enkele negatieve gevolgen:

  1. De lessen van de Maartactie werden niet ten volle getrokken. Het probleem zou zich later opnieuw (kunnen) voordoen.
  2. De toekomstige generaties – die niet op de hoogte zijn van het verzoenend karakter – zouden de conclusies voor een kant-en-klaar programma kunnen aanzien.

Brak Levi met zijn openlijke kritiek ook de partijdiscipline? Er was een zware repressie aan de gang op dat moment – net na de Maartactie –, dus concludeerden Karl Radek en andere Bsolejwieken die zich over de Duitse Revolutie ontfermden: “een dergelijke aanval publiceren, is de vijand wapenen”. Op die basis kun je besluiten dat Levi op z’n minst niet zo verstandig was geweest. Niettemin raakte Levi aan een punt dat op het congres niet te vermijden viel: in welke fase bevindt de revolutie zich? En welke tactiek vraagt dat?

Wat dachten Lenin en Trotski?

Je kunt je bovendien de vraag stellen of Bolsjewieken als Lenin werkelijk dachten dat een machtsovername in Duitsland mogelijk was, gezien hun kennis van de oude sociaaldemocratische principes (zie bijvoorbeeld het boek De Weg naar de Macht van Karl Kautsky), hun eigen lessen van de Russische Revolutie, de wetenschap dat er geen gestaalde revolutionaire partij in Duitsland was, en de wetenschap dat de oorspronkelijke leiders van zo’n potentiële organisatie in de gevangenis zaten of vermoord waren.

Lenin en Trotski hebben pas laat – midden jaren twintig ongeveer – duidelijk gesproken over hoe het nodig is om betere posities te creëren door de arbeidersbeweging ordentelijk te laten terugtrekken. Begin jaren twintig was de situatie nog niet duidelijk in het voordeel van de contrarevolutie overgeheld om al volledig terug te trekken. Niettemin rijst de vraag: zouden we het derde congres – ondanks de compromissen en verzoenende taal waarmee de voorstanders van het offensief werden gepaaid – een terugtrekking kunnen noemen?

Het is alvast een moeilijke vraag. De Comintern moest rekening houden met – en zich verzoenen met – het tempo van de gebeurtenissen. Dus was terugtrekken enerzijds aan de orde. Anderzijds hadden zij daarvoor geen programma. Waarom? Omdat de Communisten mogelijkheden zagen tot offensief, en het offensief van de maartactie op het moment dat het congres plaatsvond nog maar pas voorbij was. Zinoviev – een voorstander van het offensief – had bovendien een grote invloed op het congres, soms meer dan Lenin of Trotski.

Niet dat de voorstanders van het offensief vrij baan hadden. Zowel voorstanders als tegenstanders van de Maartactie waren vertegenwoordigd op het congres – men stond daarop. Anders was er geen debat mogelijk. Fracties waren het niet – de verschillende groepen waren niet op die lijn georganiseerd. Echte scheuren waren er niet. Toch was er nood aan eenheid in de beweging. Opvallend wel: mogelijke splijtzwammen zoals de aanpak van de Kronstadt-opstand of de NEP werden nauwelijks besproken op het congres.

In alle revoluties spendeert men veel tijd aan het leren uit voorgaande revoluties. Denk maar aan de Thermidor. Het verleden blijft daardoor een soort taalbarrière – want hoe nuttig is een debat over wie de nieuwe Napoleon of Stalin wordt in radicaal andere tijden? – maar ook een hulpmiddel om de hedendaagse revoluties te vatten. Veel debatten draaien rond “wat als?”-vragen. Wat als de Maartactie er niet was geweest? Wat als men meer naar Lenin of Trotski had geluisterd dan Zinoviev?

Misschien had men dan de open brief ten voordele van het eenheidsfront gevolgd? Enkel onderzoek kan dat helpen uitwijzen. Voorlopig gaat het om pure speculatie. Maar dankzij het werk van John Riddell zijn we al een stap dichter bij de mogelijk antwoorden op al deze vragen.

Deze recensie van To the Masses: Proceedings of the Third Congress of the Communist International, 1921 van historicus John Riddell is gebaseerd op “Lessons of the Third Comintern Congress”, de uiteenzetting van Ian Bershall tijdens “Communist University” in Londen.