De Griekse crash in slow-motion

Griekenland lunnamedaat zien waarom socialisten een Europese visie nodig hebben, zo stelde Jos Alembic in zijn inleiding op de Socialisme Dag in Breda afgelopen zaterdag.

Kijken naar Griekenland is kijken naar een crash in slow-motion. Elke week wachten we op de genadeklap. Nu staat de deadline op 30 juni, nog slechts een paar dagen.

Beide zijden zetten stevig hun hakken in het zand. Tsipras en Varoufakis willen niet wijken, en Brussel en de Europese regeringsleiders, met name van de Noordelijke lidstaten, aan de andere kant gaan ook geen millimeter aan de kant.

Grexit?

Op een top op 24 april in Riga, waar Varoufakis de anderen voor de zoveelste keer over de gevaren van bezuinigen de les aan het lezen was, deden andere ministers naar verluidt hun handen tegen hun oren met LALALALA gebaren. Aan de andere kant deed EU-president Donald Tusk gisteren een dramatische oproep aan de Griekse regering, per video en daarmee dus makkelijke PR, om eindelijk op te houden met ‘de spelletjes’. Hij zei: “Dit spelletje van kijken wie het ’t langste volhoudt, moet stoppen. Want het is geen spelletje, het is de werkelijkheid, met ernstige gevolgen, in het bijzonder voor het Griekse volk”.

Maar beide zijden kunnen ook geen kant op en het is kijken wie als eerste barst. In Griekenland zit men nu volledig aan de grond: Een staatsschuld van 177% van het BNP, oftewel zo’n 320 miljard Euro, waarvan 240 miljard naar andere EU landen; een economie die structureel een heel stuk kwijt is door snoeiharde bezuinigingspolitiek in de afgelopen jaren, waardoor de staatsschuld in procenten van het BNP alleen maar is gestegen; een werkloosheidsgraad van 25% voor de hele bevolking, en 50% voor mensen tot 25 jaar… Mensen moeten nu meer dan ooit overleven, het is op veel fronten een soort oorlogszone geworden daar. Onder deze omstandigheden is het voor Syriza niet alleen een principiële kwestie, het is bittere noodzaak.

Maar de meeste schulden zijn dus gelinkt aan andere Eurolanden. Deze zijn Griekenland te hulp gekomen omdat hún economieën in gevaar liepen omdat banken zoveel leningen hadden uitstaan. De aflossing van de Griekse schuldenlast is dus voornamelijk ter ondersteuning voor Duitse, Franse, Nederlandse banken geweest.

Ten tweede is er het domino-effect wat men vreest: Op zich kan men de staatsschuld van Griekenland best afschrijven. De Griekse economie is ongeveer 2% van de Eurozone, een lilliputter dus. Maar wat gebeurt er als men dat doet? Dan komt Ierland aankloppen, dan Portugal, ook kleine spelers, dus ook niet zo’n punt. Maar dan komt Spanje, de zesde economie van de Eurozone, dan komt Italië, de derde economie. Italië heeft een staatsschuld van 132% van het BNP, wat neerkomt op een bedrag van 2500 miljard Euro. Er is simpelweg geen mogelijkheid om dit op te vangen. Als Italië gaat, dan worden we allemaal sowieso meegetrokken.

Daarom dat men het aan beide kanten op de spits drijft. Brussel bespreekt nu openlijk demogelijk van een “Grexit” om de druk verder op te voeren. Men hoopt dan maar dat als het zover komt de schade toch beperkt zal blijven. Aan de andere kant dreigt Syriza weer met nieuwe verkiezingen, waar ze waarschijnlijk deze keer wel een meerderheid zal verkrijgen in het parlement. Ook heeft Tsipras net een gasdeal met Rusland afgesloten, een stap die de rest van Europa vreest omdat Griekenland mogelijke nauwere banden zou aanknopen met Rusland bij een Grexit, iets wat ook voor bijvoorbeeld NAVO van belang is.

Neoliberaal drijfzand

Wat is dus de oorzaak van dit probleem? Waarom is er zo’n groot verschil tussen de “Noordelijke” en “Zuidelijke” economieën? Fundamenteel is de oorzaak het gebrek aan betekenisvolle eenheid tussen de Eurolanden op economisch gebied. Duitsland is het economisch motorblok van de Eurozone. Hun hoge productiviteit is te danken aan het ondermijnen van de positie van de vakbonden in de jaren ’80 en ’90 en de neoliberale Hartz programma’s, hierdoor konden de lonen onderuit en werden de sociale vangnetten afgebroken. Bovendien zette de Duitse industrie in op een stevige modernisering in dezelfde periode, dit ook om de positie van de vakbonden te doen ondermijnen. Beide ontwikkelingen zorgde ervoor dat de productiviteit omhoog ging, want de loonkosten gingen omlaag en er werd geproduceerd met modernere techniek.

Een land als Griekenland had deze interne ontwikkelingen niet, waardoor het op en gegeven punt niet meer mogelijk was om tegen Duitse producten te concurreren. Er werd meer geïmporteerd dan geëxporteerd. Waar geld een probleem werd, waren de “Noordelijke” banken, rijk geworden door een goed lopende economie in eigen land, graag bereid om uit te helpen.

De invoering van de Euro werd gezien als een instrument om deze verschillen economisch kleiner te maken. Landen konden immers niet meer hun eigen munt devalueren, dus moest er  “intern” worden gedevalueerd, wat betekende dat men aan de bak moest met neoliberaal beleid. Dat wil zeggen: De positie van de arbeiders moest verder worden uitgehold ten gunste van de concurrentiepositie. Dit is een illusie gebleken. Ondanks neoliberale aanvallen in de Zuidelijke lidstaten zijn de verschillen eerder groter geworden dan kleiner sinds de invoering van de Euro.

De Europese elite staat daarmee voor een tweesprong: Óf we schaffen de Euro weer af, gaan terug naar nationale munten en volgen een politiek van Europese desintegratie, met alle gevolgen van dien. Óf we maken de vlucht vooruit en streven versneld naar méér integratie. De Europese leiding lijkt te kiezen voor die laatste optie. Zo hebben we sinds het uitbreken van de crisis een bankenunie gekregen. Maar het proces verloopt langzaam en zit vol tegenstellingen. De bom kan nog steeds op elk moment barsten en deze instabiele situatie kan nog vele jaren duren. Zit de scheur niet in Griekenland, dan is het wellicht iets anders, zoals nog een Amerikaanse bank die omkiept…

Het is daarom koffiedik kijken hoe de zaak zich verder zal ontwikkelen. Het kan een poos relatief goed gaan, waar we van topoverleg naar topoverleg de brandjes blussen, maar het kan ook dat op een bepaald moment de grond onder het kaartenhuis wegzakt.

Socialisme of Nostalgie

Voor ons is het nuttig om stil te staan bij de vraag of Syriza een nuttige strategie voert. Zelfs al komt ze weg met haar pokerspel op hoog niveau, heeft dit een toekomst? In mijn optiek niet. Sterker, ik vind dat het oppakken van de macht zo ongeveer het meest onverantwoordelijke is wat Syriza had kunnen doen. Al deze problemen waren te voorspellen geweest. En nog steeds hebben leidinggevende figuren in het centraal comité van de partij het over het “radicaal hervormen van de instituten in eigen land”, volledig onvoldoende.

Moeten wij, arbeidersbeweging, dan maar streven naar een herinvoering van de Gulden? Ik zie dit regelmatig terugkomen in de media en ook in SP facebook groepen is er een grote nostalgie naar de Gulden.

Deze strategie is problematisch, op twee niveaus: Zou je streven naar een herinvoering van een verzorgingsstaat, dan lijkt dit de beste optie aangezien je de mogelijk hebt om de munt te devalueren. Deze devaluatie betekent echter dat je je eigen economische problemen afschuift op een andere economie dat verder beneden aan de statenhiërarchie bungelt. In een wereld met een neoliberale consensus gaat dit ongetwijfeld repercussies geven. Denk aan boetes, sancties, tarieven, etc.

Zouden we echter streven naar een afschaffing van het kapitalisme op nationale schaal, dan worden de problemen navenant groter. Socialistisch Nederland in een zee van vijandige kapitalistische staten betekent isolatie, sabotage, misschien zelfs militair ingrijpen.

Ook onze visie moet daarom Europees zijn gericht: Pas op continentaal niveau hebben we de mogelijkheid om te beginnen met een positief alternatief op de dictatuur van kapitaal, kunnen we beginnen met een samenleving in te richten dat gebaseerd is op menselijke behoefte. Europa is met de VS de belangrijkste kern van de kapitalistische wereldorde op dit moment, dat onderuit halen zou een belangrijke klap zijn voor dit systeem en de mogelijkheid scheppen dat andere delen in de wereld kijken naar ons als model voor de toekomst.

Daarvoor hebben we echter wel een Europese visie nodig en die hebben wij op dit moment niet. Syriza staat er praktisch alleen voor en vecht daarom met de rug tegen de muur. Wat we nodig hebben is een Europese Socialistische Partij. De basis daarvan bestaat al in de vorm van de Partij voor Europees Links, waar onder meer Syriza en Die Linke lid van zijn. De SP niet. Wij moeten daar lid van worden en de PEL uitbouwen tot een volwaardige partij in plaats van het overlegorgaan wat het nu eigenlijk is. Wij moeten een programma hebben dat opkomt niet alleen voor een “menselijke” maatschappij, maar een expliciet socialistische en de visie hebben om deze te beginnen op Europees niveau, niet enkel binnen Nederland.

Ik noem deze dingen omdat wij op 28 november ons 21e congres hebben waar we, naar ik begrijp, een nieuw beginselprogramma krijgen gepresenteerd. Juist nu is het daarom voor linkse SP’ers noodzaak om te strijden voor een socialistische visie.

Ik noem even wat punten op die we als socialisten zouden kunnen verdedigen:

  • Schaf de Europese Commissie en de Raad van Ministers af, alle macht aan het Europees Parlement.
  • Voor een democratisch beheerde Europese Centrale Bank, nationaliseer alle banken in Europa en integreer deze in de ECB.
  • Voor een gemeenschappelijk belastingstelsel, een gemeenschappelijk sociaal beleid en een gemeenschappelijk economisch beleid. Eén Europees minimumloon.
  • Naar onverdeelde Europese eenheid, naar een Europese Democratische Republiek.

Wellicht komt dat allemaal te laat voor Syriza, maar laat hun lessen niet voor niets zijn geweest.