Het 9/11 van de journalistiek? Enkele bedenkingen

De aanslag op Charlie Hebdo was “het nine-eleven van de journalistiek”, zeiden commentatoren. Terreur tegen de vrije media zouden westerse politici niet dulden. Maar nine-eleven en de oorlog tegen terreur staat ondertussen bekend voor heel wat negatieve gevolgen, zoals de Amerikaanse aanvalsoorlogen in het Midden-Oosten en de inperking van democratische rechten door veiligheidsdiensten. Is dit hetzelfde lot wat de media te wachten staan?

Daags na de aanslag in Parijs van 7 januari leek heel de wereld het geweld op de redactie van het Franse weekblad Charlie Hebdo te veroordelen. Van heinde en verre waren wereldleiders naar Parijs afgezakt om deel te nemen aan de grootste solidariteitsbetoging uit de Franse geschiedenis. De Franse regering zette honderden agenten en militairen in om de schutters te achtervolgen, die tijdens een schietpartij het leven lieten. In België volgde wat later een inval van de politie in verschillende huizen over het land, waarbij twee terreurverdachten omkwamen.

Oorlog tegen terreur

Algauw groeide echter kritiek op de reacties van de verschillende regeringen en wereldleiders. Dat zij zich op de solidariteitsbetoging in Parijs hadden vertoond, kwam als hypocriet over. Heel wat aanwezige presidenten en ministers worden namelijk verantwoordelijk geacht voor repressie en censuur in hun eigen land. Bovendien was de ‘kop van de betoging’ niet meer dan een uitgekiend fotomoment.

De veroordeling van de moord op de redactieleden van Charlie Hebdo en enkele Parijzenaars in een joodse winkel ging namelijk gepaard met de promotie van ‘de oorlog tegen de terreur’. Dit idee is een amalgaam van beleidsmaatregelen die in theorie tot doel hebben terroristen uit te schakelen en terreuraanslagen te verijdelen, maar die in de praktijk zowel weinig effect hebben (het individueel terrorisme is niet van de aardbol verdwenen) als negatieve gevolgen hebben voor burgers en hun burgerrechten.

Het grote voorbeeld van deze aanpak van individueel terrorisme (dat de aanslag op Charlie Hebdo door twee moordenaars is gepleegd, maakt het er niet minder individueel op), is het beleid van de Verenigde Staten sinds elf september 2001, de dag waarop Al Qaida-leden vijf vliegtuigen hadden gekaapt en er de WTC-torens en het Pentagon mee doorboorden.

Dat beleid heeft samen met de moeilijke economische en politieke toestand van het land geleid tot onder meer de oorlogen in Irak en Afghanistan, de inperking van democratische rechten en vrijheden, en discriminatie van – en angst voor – moslims. Andere landen lijken in de voetsporen van het Amerikaanse binnen- en buitenlandbeleid te treden. Rijst de vraag: zal het nine-eleven van de journalistiek soortgelijke gevolgen hebben voor de media?

Angst voor de elektrische draad

In de nasleep van de aanslagen in Parijs hebben heel wat media als stellingname de cartoons van Charlie Hebdo over islam en de profeet Mohammed opnieuw gepubliceerd. Echter, op datzelfde moment ontstond een discussie over de beslissing van een aantal grote mediabedrijven en kranten zoals CNN en Associated Press (AP) om dergelijke cartoons juist te censureren of te verwijderen.

Onder deze beslissing schuilt echter een diepere tendens tot censuur die ook die media treffen die wel de cartoons hadden gepubliceerd. Nick Davies, journalist bij The Guardian, omschreef deze tendens eens als ‘angst voor de elektrische draad’. Dat is de angst voor tijdelijke imagoschade en een eventuele slechte verkoop als gevolg van aantijgingen tegen artikelen, rechtszaken om de publicatie van een artikel te verbieden, de dreigementen van bekende figuren niet langer interviews toe te staan, enzovoort.

Deze vrees voor een figuurlijke stroomstoot doet media steigeren voor reële, gevaarlijke controverses (de relatieproblemen van celebrities zijn hoofdzakelijk luchtkastelen, geen controverses), maar kan soms paradoxaal overkomen. Dat gebeurt namelijk wanneer media veilige controverses opzoeken om hun verkoopcijfers op te krikken. De publicatie van zogenaamde ‘moslimcartoons’ en de miljoenenuitgave van Charlie Hebdo na de aanslag zijn daar voorbeelden van. Veilige controverses zijn als celebrities echter niet echt controversieel maar opgeklopt.

Van veilige controverses gaan media al snel over op een focus op veilige thema’s. Veilige thema’s vergen weinig onderzoek en zullen niemand voor het hoofd stoten. Een schoolvoorbeeld van een veilig thema is de fascinatie van de pers voor het terreuralarm. Hoewel bijvoorbeeld bommeldingen al even oud zijn als bommen zelf, hebben media de neiging om ze breed uit te smeren over krantenpagina’s en televisieschermen.

Een reportage over terreurdreiging is snel gemaakt. Je steurt een journalist naar een plaats waar een bom is gemeld, je schiet wat beelden van politie en ontmijningsdiensten en speculeert erop los. Het gevolg van de fascinatie voor terreurdreiging is de bestendiging van de antiterreurmaatregelen van de regering. Van openbare omroepen die zich verplicht voelen de burger te informeren over alarmsignalen tot de commerciële oproepen die conservatieve beleidsmaatregelen tegen terreur actief ondersteunen: ze spelen in de kaart van de beleidsmakers.

Klokkenluiders

Terwijl de klassieke media onder vormen van zelfcensuur lijden, hebben nieuwe media dan weer meer last van externe druk. Het voordeel van internet, meer nog dan bij kranten, televisie en radio, is de snelle en brede verspreiding van informatie in combinatie met de mogelijkheid van gebruikers om ze zelf te bewerken, op te slaan en door te geven. Over informatie die zich via internet verspreid is dan ook minder controle dan het nieuws dat zich langs klassieke nieuwskanalen voortbeweegt.

Doordat internet in al zijn diversiteit en mogelijkheden zichzelf niet kan censureren (zoals klassieke media zichzelf uit commerciële of andere overwegingen censureren), lijdt het daarom aan heel wat pogingen tot censuur van buitenaf. Schoolvoorbeelden hiervan is de repressie tegenover ‘klokkenluiders’ en de massale opslag van gebruikersdata door inlichtingendiensten en commerciële bedrijven.

Het is juist deze massale opslag van informatie van internetgebruikers en de vervolging van burgers in de naam van de oorlog tegen terreur die tot het ontstaan van ‘klokkenluiders’ heeft geleid. Klokkenluiders zijn interne bronnen zoals soldaat Bradley (Chelsey) Maning of CIA-medewerker Edward Snowden, die, al dan niet via een eigen platform zoals Wikileaks, de kat de bel aanhangen over de inbreuken op democratische rechten.

De staatsterreur van landen als de Verenigde Staten onder het mom van de oorlog tegen de (individuele) terreur heeft ook journalisten in het vizier. Heel wat journalisten die klokkenluiders en andere interne bronnen trachten te raadplegen getuigen van dreigingen en intimidaties van overheidswege, interventies door veiligheidsdiensten, enzovoort.

Deze houding van regeringen ten opzichte van hun eigen journalisten is niet alleen ingegeven door pogingen om de klokkenluiders te vatten, maar ook door de wil om de verspreiding van ‘gevoelige’ of controversiële informatie tegen te gaan. Voornamelijk de verspreiding via internet wordt zo goed als mogelijk vermeden of in de gaten gehouden.

Het is een wederkerend gegeven aanslagen, antiterreurmaatregelen, de inperking van vrijheden en rechten, en censuur door mediabedrijven elkaar opvolgen. Zo werken regeringen en grote commerciële mediabedrijven hand in hand om internet en de vrijheid van meningsuiting, communicatie en pers aan banden te leggen. En dat ondanks beider veroordeling van dergelijke beperkingen door hun tegenstanders.